0

De onbewaakte overweg

Geplaatst door Johan op 17 december 2020 in liedbladen, liedboeken, liederen, Over Moord & Rampen |

Een aangrijpend verhaal op de melodie van “Overschotje” (1924). De tekst staat op een anoniem bedel-liedblad.

Zo’n blaadjes werden meestal door professionele liedschrijvers vervaardigd, in dienst van drukkerijen, die ze dan verkochten aan … bedelzangers die van deur tot deur gingen en zo probeerden om aan wat centen te geraken.

De litteraire kwaliteit van het lied is dan ook beter dan gewoonlijk, want marktzangers zelf durfden nogal eens onder druk van de actualiteit kromme zinnen neer te schrijven in hun eigen maaksels.

Ongevallen met treinen waren er in het begin van de 20e eeuw helaas regelmatig. De spoor-overgangen bleven meestal nog onbewaakt, zonder automatische slagbomen, zonder waarschuwende geluiden; de wegen waren nauwelijks verlicht en zeker bij mistig regenweer waren ongelukken bijna onvermijdelijk.

In dit lied gaat het over een vader met jonge kinderen die niet tijdig komt opdagen voor het avondeten. Dat is men van hem niet gewoon en vanaf de vierde strofe komen we te weten wat er met hem is gebeurd. De tekstschrijver maakt het tragische van de situatie nog extra duidelijk door het lot van Marietje’s pop in de verf te zetten.

De melodie was goed gekend via de plaatopnames en de radio- en theatershows van  Lou Bandy (1890-1959), maar het was zijn echtgenote Mathilde Eugenie Else Küch (1890-1944), die tekst en muziek van “Overschotje” schreef. Zij was naast echtgenote en moeder ook pianiste en danseres.

Wie een andere tekst op haar lied vervaardigde weten we niet. Misschien deed ze dat zelf…

 

De onbewaakte overweg

[A] anoniem bedel-liedblad [C] Eugenie Bandy

In een vriend’lijk boerenhuisje
staat het avondeten klaar.
De boerin en haar vier kind’ren
zitten wachtend bij elkaar.
“Waar zal vader toch wel blijven”
vraagt Marietje met een blik,
wachtend op het dampend eten,
“Jongens, wat een trek heb ik.”

Moeder zegt: “Het is zo mistig,
vaders paard kan weinig zien.
Laten wij maar vast gaan eten,
vader komt wat laat misschien.
Onder ’t eten zegt Marietje:
“ ’k Wou dat vader nu maar kwam!
Hij zou mij een pop meebrengen
van de markt uit Amsterdam.”

Moeder zegt: “Mijn lieve kindje,
ga maar slapen, jij bent moe.
’k Roep je vast”, en even later
vallen kindjes ogen toe.
Lang staat moeder aan de deurpost
stil te wachten op haar man,
luist’rend of zij het geratel
van zijn wagen horen kan.

In een polder waar de spoorbaan
met de weg een kruispunt vormt
is met donderend geratel
juist een trein voorbij gestormd.
Vaders wrakke boerenwagen
is door ’t monster beetgepakt
en als stukgebroken speelgoed
langs de weg weer neer gesmakt.

Even ligt een paard te kreunen,
even klinkt een bang gegil.
Langzaam sluipt de mist weer nader
en dan wordt het angstig stil.
’s Morgens ruimen ze twee lijken
met wat wagenresten op.
’t Enigst’ wat was heel gebleven
was Marietjes nieuwe pop.

Partituur * De onbewaakte overweg *
      1. instrumentaal

Bronnen:
in "Het straatlied" (Wouters-Moorman, 1930) MUZ0102 pag.225 
melodie van "Overschotje" gezongen door Lou Bandy, geschreven door zijn echtgenote Eugenie

Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Copyright © 1995-2021 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com