3

De vondeling (“Mijn moeder was een meisken”)

Geplaatst door Johan op 27 november 2020 in liedboeken, liederen, Over Liefde & Verdriet |

Tekst en muziek gevonden in “Zo de ouden zongen” en in het “Liedboek DE KADULLEN”

Dit is een “kluchtlied” dat een beetje een karikatuur maakt van vondelingen. Het werd mondeling overgeleverd, we hebben het niet op liedbladen van marktzangers gevonden. Het lijkt vandaag alsof het geschreven is door iemand wiens fantasie op hol was geslagen, maar het was vaak de harde werkelijkheid.

In grote steden werden vondelingen in principe opgevangen in vondeling- of weeshuizen. Vaak waren ze daar zelfs geboren en meteen bij de geboorte afgestaan wegens onbekwaamheid van de moeder om ze groot te brengen en … een onbekende of ongeïnteresseerde vader om in het onderhoud van moeder en kind te voorzien. Ze werden meestal binnen een paar dagen toevertrouwd aan pleeggezinnen op het platteland die door de plaatselijke overheid of de pastoor waren naar voor geschoven. De pleeggezinnen kregen een toelage van de overheid die verminderde naarmate het kind ouder werd. Maar kinderarbeid – we hebben het over de 19e eeuw – was meer regel dan uitzondering en de vondelingen konden dus al heel jong ingezet worden in de landbouw of voor huishoudelijke klussen.

Zo trouwde Elisabeth Morris (1819-1905), een zus van mijn bet-overgrootvader Frans(8), in 1844 te Korbeek-Dijle met Amandus Fagot (1814-1874), vondeling uit Leuven. Op de geboorteakte van Amandus stond (Napoleon was nog niet verslagen en het frans was dus de voertaal in de administratie):

"L’an mil huit cent quatorze le quatre du mois Février à dix heures du matin, pardevant nous Lambert Charles Claes, adjoint Maire délégué, officier de l’Etat Civil de la ville de Louvain Département de la Dyle, est comparue Jeanne Marie Nysen, nourrice de l’hospice des enfants trouvés & abandonnés, agée de cinquante huit ans, domicilié en cette ville, qui nous à déclaré que hier à cinq heures & demie du soir étant seule elle a trouvé sur les escaliers de la porte de Notre Dame de l’Eglise de St. Pierre du coté du marché au Beurre, un Enfant tel qu’elle nous le présente, emmaillotté dans de guenilles, auquel était attaché un Billet portant une inscription flamande dont la version française est: “Je vous prie d’avoir soin de cet enfant, il n’est point baptisé.” Il s’y trouvait joint la moitié d’une Image.(1)
Après avoir visité l’Enfant, avons reconnu qu’il était du sexe masculin, qu’il paraissait nouvellement né, desuite avons inscrit l’Enfant sous le nom & prénoms de Amand, Fagot; & avons ordonné qu’il fut remis a la dite nourrice. De quoi avons dressé procès-verbal en présence d’Henri Dehertogh, tailleur, et Antoine van Lens, journalier, qui ont déclaré ne savoir signer - le quatre février 1800 quatorze"

Hij werd dus gevonden op de trappen van de Leuvense Sint-Pieterskerk, aan de Onze-lieve-vrouwepoort langs de kant van de Botermarkt. Onderaan een uittreksel van de geboorteakte werd nog genoteerd: “le 4 février 1814 mis en nourrice chez guillaume bettels à Corbeeck Dyle” en de “compte du nourricier” vermeldt dat hij in januari 1816 toevertrouwd werd aan “Nicolas Vangoedsenhoven, Corbecke à le Dyle“. De familienaam “Fagot” kreeg hij omdat in de periode dat hij werd gevonden alle vondelingen in Leuven vernoemd werden naar een muziekinstrument.

In het vondelingentehuis bewaarde men ook het briefje dat bij het kind werd achtergelaten, inclusief een opgespeld half doorgesneden bidprentje(1)

De boodschap van de moeder (?) zit half verborgen onder het halve bidprentje maar er is genoeg leesbaar om te weten dat ze nederlandstalig is en vraagt om voor het kind te zorgen dat (nog) niet gedoopt is. Dat laatste is niet te verwonderen als de moeder anoniem wou blijven. Het zwierige geschrift en het gebruik van pen en inkt duiden er op (in 1814) dat het werd geschreven door een geletterde en dus wellicht bemiddelde persoon

Of Amand liefdevol werd grootgebracht konden we niet meer achterhalen maar hij heeft het in elk geval overleefd en kon op 30-jarige leeftijd huwen als “werkman, landbouwer”. Zijn echtgenote – mijn betovergroottante dus – was volgens de huwelijksakte een herbergierster uit Bertem, wat ons doet vermoeden dat Amandus daar vaak  op café ging …
Zestien jaar later liepen er in Korbeek-Dijle acht kleine Fagotjes rond.

In het lied gaat het uiteraard over een andere vondeling. Die wordt niet in de stad maar op een akker gevonden, met een grote som geld erbij: twintigduizend frank in de ene versie, zelfs honderdduizend frank in een andere versie. Daar kon je in het begin van de 20e eeuw wel een paar huizen voor kopen! Maar dat geld wordt volgens het lied alvast niet besteed aan de opvoeding van het kind, het werd opzij gezet. Pas als hij uitgroeit tot een flinke jongeman bekijkt zijn stiefmoeder de situatie met andere ogen, dankzij een opmerking van de pastoor..

De vondeling

[AC] onbekend

Mijn moeder was een meisken, een kindje van een wijf.
Die was er mij gaan kopen, opgebracht(7) nen dag of vijf.
Geen een van ons familie, geen enkel vrouw of man
wisten daar ietsken van.
Dat meisken werd bedrogen door een helen rijken heer
Ze legden mij te vinden, zetten mij op nen akker neer
Ze stak er twintigduizend franken bij “voor wie dit vindt”
Weg was zij gezwind

En ja ze legden mij
op nen akker met savooien en parei
Rupsen, slekken, maaien, spinnekoppen
kropen toen op mijn lijf(2)
Ik werd toen opgenomen door dat medelijdend wijf
Die deed dat paksken open en dat meisken zag alras
Danne ‘k ik ne jongen was.

Dat mens dacht in haar eigen: voor twintigduizend frank
breng ik er zo wel zeven groot, geheel mijn leven lang.
Ze bracht me naar de weide bij tepels van een koe
ik dronk melk, die was goed.
Ne zak met droge blaren lei ze nevens hare kast,
daar moest ik op gaan slapen,
net of ik een zigeuner was.
Als die nat waren gingen die terug naar de mesthoop,
die had mij goeiekoop.

En zo werd ik te dik,
‘k had een leven lijk een echte Bolsjeviek.
Tutters of een biberon(3) die heb ik nooit gezien,
ik kreeg altijd een doddeken met bruine suiker in.
Van ‘t verken zijn patatten kreeg ‘k er alle dagen drij:
da’s gezond zo zei zij mij.

Als ik achtenveertig maand was haalde ze uit een hoek
een oude rok van haar en daarvan maakte zij een broek.
Mijn haar dat snee ze af, ze maakte plekken op mijn kop
en daar liep vollek(4) op.
Aan mijne spriet daar zette ze ook nooit wat knopen aan,
ik heb altijd alleen en zonder hulp pipi gedaan.
Ik liep barrevoets zonder kousen,
bloothoofds zonder klak
ik was een kakkerlak.

Naar ‘t school ben ‘k nooit gegaan,
die stond te ver maar dat kwam er niet op aan.
“Hoeveel Goden zijn er?” vroeg de pastoor mij algauw.
“Ene God alleen, hij hangt vol stof aan onze schouw”.
“Ge zijt goedgekeurd”,
zo sprak de pastoor al met fatsoen,
ik mocht mijn communie doen.

Wel mensen lief, als ik dan mijne communie dee,
in dees hand had ‘k een raap, in het andere hand een pee.
Geloof maar, zei dat wijfken, dat het een patéke is,
‘t was nogal kerremis.
De regels van goede manieren kende ik maar flauw
want ik kuiste in de kerk mijne neus af met mijn mouw.
De koster en de Suisse die dachten: hé, die zonderling,
‘t is die vondeling.

En zo werd ik dan groot
van botermelkpap, van rapen en siroop
die twintigduizend frank had ze op de post gezet,
daar had ik als ‘k moest loten(5)
nog geen vijf van opgefret.
Nu wilde ik eens weten voor wie dat geld zou zijn,
of ‘t veur haar was of voor mij.

Nu ging ze naar de paster vragen en die man die zee:
“Ge zijt nog ene jongedochter, awel trouw er mee”
Zo gezegd, zo gedaan en geklonken was dat rap
en we trouwden voor de grap.
Ik had anders niets dan moeder tegen dat mens gezeet
en nu zeg ik dat nog, uit gewente, buiten weet.
Den dag toen we trouwden, heel ons dorp dat was versierd,
daar werd feest gevierd.

En op ons blaffetuur,(6)
stond geschreven: lang leve onze gebuur.
Ene die met zijn moeder trouwt, ‘t is een rare tijd,
maar men schreef daaronder:
‘t is daarbij nog hogen tijd,
want twaalf weken later
kwam er een vondelingske bij,
het was er eentje van mij.

(1)Bij een vondeling werd dikwijls de afgescheurde helft van een afbeelding of tekening achtergelaten, zodat de moeder eventueel later, als ze onverhoopt een beter bestaan zou hebben, met de andere helft kon bewijzen dat zij de moeder was om alsnog haar kind zelf te kunnen grootbrengen.
(2)kolen, prei, rupsen, slakken, maden, spinnen
(3)zuigfles voor een baby
(4)vlooien
(5)legerdienst werd per lottrekking bepaald
(6)(rol)luik
(7)een kind opbrengen = contaminatie van opvoeden en grootbrengen. De moeder heeft hem dus na 5 dagen te vondeling gelegd
(8) Frans was “koopman in vee”, zoals zijn vader,  en trouwde zelf in 1859 met Francisca Feyaerts in Leefdaal. Het koppel zorgde voor een talrijk nageslacht, waarvan ik tot nu toe 389 afstammelingen heb kunnen identificeren.

Partituur * De vondeling *
      1. instrumentaal
 Bronnen:
> Liedboek DE KADULLEN, Richard Van der Staey, 2015, Euprint, Heverlee, ISBN 979-0-3654-1658-5 (MUZ0714)
> "Zo de ouden zongen", Walther Van Riet, 1983, Drieske Nijpers vzw (MUZ0132) 
> Rijksarchief

Tags:

3 Commentaren

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Copyright © 1967-2021 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com