0

Een guren winter (Dood van honger en kou)

Geplaatst door Johan op 25 oktober 2011 in liedbladen, liedboeken, liederen, Over Armoede & Drank |

Priester Daens-achtige toestanden treffen we aan in het klaaglied van een werkmansgezin uit die tijd, de overgang van 19e naar 20e eeuw. Eerst spreekt een kindje en probeert moeder te troosten: vader is werk gaan zoeken, dan zullen we weer te eten hebben, en ik zal ondertussen braaf en geduldig zijn. Maar de moeder is er minder gerust in, vader zoekt al zo lang vergeefs werk. En ondertussen is er niks te eten, geen vuur in de kachel, zelfs geen bed meer om in te slapen want alle meubelen zijn verpand.
Als de vader uiteindelijk strompelend terug naar huis komt hoort hij van ver al zijn vrouw huilen en wenen want de kinderen zijn allemaal van honger en kou gestorven en een dag later zijn ook de ouders omgekomen.

Geen happy end, hoe zou het ook kunnen?  Van sociale zekerheid was er geen sprake – af en toe susten de superrijken hun geweten met wat aalmoezen en goede werken, maar systematische rechtvaardigheid was dat niet – en toestanden zoals beschreven in het lied vinden we ook nu nog terug, zelfs in zogenaamd rijke landen.

Tekst en melodie vonden we in “Zo d’ouden zongen“, opgetekend circa 1980 uit de mond van een bejaarde zangeres die niks over auteurs of herkomst kon vertellen. Erik Demoen in “Liederen van de Industriële Revolutie” weet dat naar dit lied verwezen wordt in “Het Marktlied“, een boekje van Amand De Lattin uit 1943. Die auteur brengt echter slechts moeilijk te controleren citaten, de integrale originele marktzangersblaadjes heeft hij niet in zijn boek opgenomen. Hij geeft als titel “Dood van honger en koude”.

Hoewel De Lattin zich eerder smalend uitlaat over de melodramatische inhoud van de vele klaagliederen van de marktzangers, toch weet hij wel dat ze gebaseerd zijn op werkelijk bestaande toestanden, waarin vele toehoorders zichzelf of hun omgeving herkenden:

“Om sociale vraagstukken maakten de zangers zich doorgaans niet druk. Maatschappelijke stelsels en theorieën opbouwen was niets voor hen. Toch kozen zij beslist partij voor den werkman.
In hun glorietijd was de werkman trouwens nog een soort koelie. Hij arbeidde dag in dag uit, zonder respijt, van ’s morgens heel vroeg tot’s avonds laat, en dit voor een hongerloon. De rijke had alles te vertellen, was oppermachtig. Arbeider beteekende toen nog zoveel als een gelofte van eeuwige armoede en eeuwig knechtschap.”

Victor Van der Haegen met echtgenote circa 1930

Het lied “Dood van honger en kou” stond volgens Jos Ghysens in “Aalsters volksleven” op een marktblad van Victor Van der Haegen (1870-1939), een katoenwever die bijverdiende als marktzanger en begeleid werd door Edmond Van der Haegen, Jaak Ghysbrecht en anderen. Die was dus actief in Daens’ tijd en stad. Andere titels op hetzelfde liedblad:

 

“Waarom verlaat gij mij; Achter ’t beeld van Boduognat; ‘s Nachts na het Bal; ’s Avonds in de Maneschijn; Mislukt; Helena de Zinnelooze; Hoe zoet is de Maneschijn”

De melodie zoals ze in “Zo de ouden zongen” werd opgetekend lijkt een beetje op het refrein van  “Bloeiende twijgen“, bekend van de Zangeres Zonder Naam. Het is best mogelijk dat het geheugen van de voorzangeres in 1980 een beetje vertroebeld was en beïnvloed door bekende smartlappen van die tijd …

Een guren winter

Mijn dierbare moeder, ach weent niet zo zeer
misschien keert mijn vader met werk nu toch weer
‘k Zal u niet meer plagen met bitter geween
al krimpt er mijn maagje van honger ineen.
Zo sprak een lief kindje van pas acht jaar oud
dat mager, ellendig en blauw was van kou
en wenen deed moeder van honger en dorst
met een schreiend wichtje aan haar droge borst.
En wenen deed moeder van honger en dorst
met een schreiend wichtje aan haar droge borst.

 

Ach mijn dierbaar kindje wij lijden zo sterk
en uw brave vader vindt nergens geen werk
zo loopt hij hier hong’rig de straat op en neer
in huis is geen kruimel, geen vuurvonk niet meer.
Gij zijt nog zo jong en van alles bewust
ge hebt nog geen bed waar uw hoofdje op rust
wij durven niet beed’len wij gruwen van schand
en al onze kled’ren helaas zijn verpand.
Wij durven niet beed’len wij gruwen van schand
en al onze kled’ren helaas zijn verpand.

 

Den avond viel neder en ginds langs de baan
al wank’lend komt den arme vader daar aan
in zichzelve momp’lend: “Mijn lijden is groot.”
en zucht: “Arme kind’ren hoe erg is de nood.”
Hij ziet zijne woning, hoe groot is zijn smart,
hoe brandt er hoe grieft er zijn vaderlijk hart
de ruiten bevriezen en ‘t weder is guur
en in d’arme woning daar is thans geen vuur.
De ruiten bevriezen en ‘t weder is guur
en in d’arme woning daar is thans geen vuur.

 

Hij hoorde daar snikken en bitter geween
een stem sprak: “O God, ben ik hier nu alleen,
bevroren, verhongerd zijn mijn kind’ren reeds
en gij arme vader, wanneer komt gij weer?”
Een gil hoort men buiten, de deur die vloog in,
geknield valt de werkman in ‘t dode gezin
en ‘s morgens geen zucht werd gehoord, nog geen klacht
want den guren winter zijn werk was volbracht.
En ‘s morgens geen zucht werd gehoord, nog geen klacht
want den guren winter zijn werk was volbracht.


Partituur * Een guren winter *
      1. Een guren winter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Copyright © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com