2

Kinderen der fabriek

Geplaatst door Johan op 23 juli 2011 in liedboeken, liederen, Over Armoede & Drank |

Kinderarbeid was op het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw ook bij ons nog schering en inslag. De ondernemers van de “industriële revolutie” hebben een groot stuk van hun rijkdom en welvaart zonder meer te danken aan de goedkope slaven, die de arbeiders en hun kinderen die voor hen labeurden waren. Af en toe gingen er stemmen op om die arbeid te vermenselijken, maar veel werd er niet naar geluisterd en het zou feitelijk duren tot er “algemeen enkelvoudig stemrecht” kwam (pas na de eerste wereldoorlog!) vooraleer er werkelijk met de stem van het arbeidende volk rekening werd gehouden.
In het boekje “De arbeid der kinderen in fabrieken” van Jan Wijnen (Utrecht, 1873) kunnen we lezen hoe het er toen aan toeging.
Zeer erg was het blijkbaar in Engeland, waar dan ook enkele zeer rijke mensen woonden:

“Droevig zijn de tafereelen, welke door geloofwaardige schrijvers van den toestand der armen-kinderen in Engeland worden geteekend. Wanneer men daar leest, hoe in Londen elken Maandag en Donderdag honderden dezer ongelukkigen op de publieke straat door de ouders tentoongesteld en vervolgens aan de meestbiedenden afgestaan worden tot het verrichten van allerlei soort van arbeid, dikwijls verre boven hunne krachten – dan grijpt den lezer een smartelijk gevoel van verontwaardiging en medelijden aan.
Doch, wanneer gij verder verneemt, hoe de ouders hunne eigene kinderen langzaam vermoorden, dan staat gij verbaasd en verschrikt en kunt uwe oogen niet meer gelooven. En toch is het maar al te waar, dat in onze eeuw van verlichting en beschaving de schandelijke wreedheden des Heidendoms vernieuwd worden. In Engeland vindt men onder de armen niet weinige moeders, die, omdat zij gedurende den dag arbeiden en hare kinderen niet bewaken kunnen, dezen opium of andere bedwelmende en schadelijke dranken ingeven, waardoor de kleinen uren lang in slaap gedompeld blijven. Andere ontaarde ouders laten de kinderen in eene levensverzekering opnemen en geven hun dan vergiftige siropen, waardoor de arme schepsels langzaam wegkwijnen en sterven. Dergelijke feiten zijn meermalen door de rechtbanken geconstateerd en gestraft geworden; zelfs erkent een Engelsch minister, dat deze gruwzame gewoonte in den hoogsten graad algemeen verspreid en een der hoofdoorzaken is der sterfte, welke op zulke schrikbarende wijze onder de kinderen heerscht!

Maar ook in de Lage Landen was het leven voor kinderen (en voor hun ouders) verschrikkelijk. Omdat ze van hun eigen loon niet konden leven waren de ouders wel verplicht om hun kinderen mee te nemen naar de fabriek. Wijnen beschrijft (zijn geletterde lezers in hun statige huizen hadden er allicht geen vermoeden van) hoe hij zelf meermaals zag dat kinderen van amper 8 jaar oud om middernacht uit hun bed werden gehaald om mee te gaan werken.

“Nu begint de arbeid; de knaap moet zonder verpoozen heen en weer loopen om de te bewerken stof aan te brengen of de vervaardigde voorwerpen weg te dragen. Na aldus zes volle uren gesloofd te hebben, wordt den kleine een half uur rust gegund, om te ontbijten. Vervolgens wordt de arbeid hervat en tot den middag voortgezet. Thans keert de arme sukkel, gansch afgemat en uitgeput, naar huis, neemt in der haast het sobere middagmaal en werpt dan zijne krachtelooze ledematen op het harde strooleger ter ruste neer. Zóó gaat het voort, immer voort, zes dagen lang – soms ook wel des Zondags – en dan wordt de volgende week de arbeid om 12 ure ’s middags begonnen en tot middernacht – behalve een korten rusttijd – onafgebroken doorgezet.”

Kind-arbeiders schuiven aan voor hun loon

In die sfeer moeten we het lied “Kinderen der fabriek” situeren. Schrijver onbekend. Wij vonden het bij Jaap van de Merwe in “Gij zijt Kanalje” en hij noemt het een “Vlaams, traditioneel lied”. Met andere woorden: hij weet niet wie het schreef en waar het precies vandaan komt.

Het werd eerder al gepubliceerd in het boekje “Het Oude Socialistische Lied” van 1947 dat in 1980 werd heruitgegeven door het “Fonds Leo Magits”. Erik Demoen publiceerde het in “Liederen der Industriële revolutie” en haalde het naar eigen zeggen uit “Sociaal Democratische Liederen” (Gent, Belgische Socialistische Arbeiderspers, 1881).

Op de CD “Cadans der Getouwen” vinden we het lied terug met een door initiatiefnemer Guy Roelofs bedachte melodie. Hij geeft als auteur Karel Waeri op, en het lied stamt inderdaad uit diens tijd maar in de liedboeken die door diens zoon werden gepubliceerd vinden wij het niet terug. Wij herkennen ook de volkse stijl van Waeri niet, aan de bombastische tekst te zien moet het lied geschreven zijn door een intellectueel die, net zoals de schrijver Wijnen hierboven, gechokeerd was door zoveel onrecht.

De melodie is in onze bewerking afwisselend 2/4 en 3/4 maar het is onwaarschijnlijk dat het indertijd zo werd gezongen. Wannes Van de Velde hield het voor zijn versie op de CD “Intiem” bij een 3/4 maat, en zong het nogmaals – met een heerlijk arrangement – voor de CD “Werkman, Komaan” (Eufoda)

Kinderen der fabriek

Ziet gij die arme kleinen van in de lentetijd
hun levenskracht verkwijnen door slaafse arrebeid?
Zo jong en reeds ontstolen, ontrukt aan moeders schoot,
wordt de fabriek hun schole, hun loopbaan tot de dood,
wordt de fabriek hun schole, hun loopbaan tot de dood.

Aanschouw hen, dor en moede, met mat en bleek gezicht.
D’ellend’en d’arremoede heeft hen reeds afgericht.
Om altoos tot den tienen, voor elke luiaardsgril,
te kruipen en te dienen, te buigen voor hun wil,
te kruipen en te dienen, te buigen voor hun wil.

Waarom, o fabrikanten, die goud met hopen wint,
en gij, representanten, die wetten heeft en spint,
laat gij die jonge telgen, bij stoom en mekaniek,
naar lijf en geest verdelgen, verbeesten in ’t fabriek,
naar lijf en geest verdelgen, verbeesten in ’t fabriek?

En gij, die van de morgen en altoos onverpoosd
moet wroeten, zwoegen, zorgen, wanneer zult gij uw kroost,
o werkers, eens ontrukken aan d’helse tirannij
van hen die u verdrukken, en maakt g’uw kinders vrij,
van hen die u verdrukken, en maakt g’uw kinders vrij.

Waarom die jonge slaven zo zwoegen om wat brood,
’t is om uw pracht te staven die meer en meer vergroot.
Niets stelt uw woeker palen. De vrouw, het schuldloos kind,
moet ook zijn tol betalen, hun zweet dat gij verslindt,
moet ook zijn tol betalen, hun zweet dat gij verslindt.

Partituur * Kinderen der fabriek *
      1. instrumentaal

2 Commentaren

  • Johan schreef:

    Het lied wordt ook vermeld in bundel 2 van “Zingt onze liederen bij elke gelegenheid” uitgegeven in 1908 door de Samenwerkende Maatschappij “Het Licht” (en de krant “De Vooruit”) maar toegeschreven aan “auteur onbekend”

  • Johan schreef:

    In “De Vlasbewerker” van Maart 1902 staat de eerste strofe van dit lied als commentaar bij “Onze Plaat” – bedoeld wordt een afbeelding van 3 kinderen aan de poort van de fabriek in putteke winter …
    Ook in de krant “De Vooruit” wordt het lied meermaals geciteerd tussen 1887 en 1909, helaas, telkens als “traditioneel Vlaams volkslied” (toen al), zonder vermelding van auteur.

    Kinderen der fabriek

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Auteursrecht © 1195-2018 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com