1

Lied van de genevellisten

Rond 1900 was jenever de geliefkoosde drank; als er drie huizen bij mekaar stonden was er wel 1 dat ’s avonds als drankhuis diende. Voor de gezelligheid, en om de miserie te verdrinken…

Een drankverslaafde is wel de laatste om zijn verslaving toe te geven; in dit lied wordt zelfs beweerd dat genever (‘genevel’ uitgesproken in de volksmond) de beste medicijn is tegen ziekten van lijf en geest.

Victorine Laes schrijft het begin van dit lied in haar cahier als volgt op:

klik op de afbeelding om ze te vergroten

Geen aanduiding van melodie helaas.

Het is duidelijk dat Victorine deze tekst niet heeft overgeschreven van een liedblaadje, daar zijn de taal- en spelfouten net iets te talrijk voor aanwezig. Wellicht heeft ze het horen en zien zingen op een familiefeest of in één van de tientallen café’s die er in die tijd in Leefdaal waren – het is het tweede lied in haar “cahier” en bij het begin van het schrijfwerk noteert ze “Leefdael, den 6 februari 1917”

Varianten op deze tekst vonden we ook terug in

het boek “Oude liedjes verzameld in het land van Asse, uit de tijd toen de mensen nog zongen” (Jos Rogiers, vzw Gielen Zwak, 1984, pag. 43)

en in

“Marktzangersliederen uit Erpe-Mere” (Julien De Vuyst, 1984, pag. 69-70)

Ook deze auteurs weten geen zangwijze te vermelden.

Ter vergelijking telkens de eerste strofe.

In Asse (“De genever”):

Wat heeft een mens toch al aardige dingen
en ook vieze goesting, ja, van alle soort.
Daar zijn er die hun geld aan mode verspelen,
de een die sjiekt, de andere die smoort,
Maar ik, voor mij, ik vind er niet beter
dan altijd te zitten in de volle kroeg
en daar te drinken het water des levens
geneverken lief, van ’s morgens vroeg

In Erpe-Mere (waar het lied “De Janeuvellist” genoemd werd):

Men vindt in de wereld toch aardige listen
En vieze gasten ja van alle soort
Veel die hun geld met de wijven verkwisten
Den enen die chickt, den anderen die smoort
En was het om mij, ge zoudt er veel liever
Al ten gaan zitten aan een volle kroes
En drinken het water des levens
Ik drink jenever, ja van ’s morgens vroeg (2x)

Zoals gewoonlijk hebben we onze eigen tekstversie afgeleid uit deze bronnen en de ontbrekende lettergrepen toegevoegd die waarschijnlijk door de oorspronkelijke tekstdichter wel gebruikt werden. Als melodie leek ons deze van “Al wat er blinkt en is geen goud” uitermate geschikt en passend bij deze tekst.

Wat heeft ne mens soms toch aardige grillen
en vieze goestingen van alle soort,
veel mans die geld in het vrouwvolk verspillen
den ene die sjiekt en den andere die smoort
Maar ik voor mij, ik vind er nikske beter
als steeds te zitten in de volle kroeg,
en daar te drinken het water des levens,
genevelke lief, van ‘s morgens vroeg,

en daar te drinken het water des levens,
genevelke lief, van ‘s morgens vroeg.

Genevel is ook goed voor slappe magen
‘t verteert het eten, ‘t verzuivert het bloed.
‘t Is medecijn voor die van tandpijn klagen,
en voor hartkloppingen is het zeer goed.
‘k Heb er al zovelen zien door genezen,
ja, die men schier als een dode wegdroeg,
dus wordt dat kortnat ook van mij geprezen,
genevelke lief, van ‘s morgens vroeg,

dus wordt dat kortnat ook van mij geprezen,
genevelke lief, van ‘s morgens vroeg.

Ik kwam er ‘t laatst enen boer te bemerken
die hem kost drinken, curieus om te zien.
Hij zegde mij dat hij niet kost gaan werken,
eer hij had gedronken een stuk acht of tien.
Een korensnee en een stuk van het verken,
at hij in zijn schuur of achter de ploeg,
want met botermelk kost hij hem niet versterken
hij dronk genevel van ‘s morgens vroeg,

want met botermelk kost hij hem niet versterken
hij dronk genevel van ‘s morgens vroeg.

‘k Val door genevel dikwijls op mijn knieën
en ‘k word gesmeten daarvan op de grond,
geen ziekte kan aan mijn lichaam geschieden,
ik ging zat slapen en stond op gezond.
En die gelijk ik genevel wilt drinken,
dat zij hem drinken als er is genoeg
zij zullen er in de zee niet verzinken,
maar drinken genevel van ‘s morgens vroeg,

zij zullen er in de zee niet verzinken,
maar drinken genevel van ‘s morgens vroeg.

Partituur * Lied van de genevelliste *
      1. instrumentaal

1 Commentaar

  • Johan schreef:

    In zijn interessant boekje “Marktzanger Theophiel Vander Meersch (1862-1925)” schrijft Herman Meirhaeghe in 2017 dit lied toe aan zijn overgrootvader. Die heeft maar een paar liederen op vliegende blaadjes laten drukken (met vermelding “woorden van Th. Van der Meersch”) en het genever-lied was daar niet bij, maar de meeste van zijn liedjes verspreidde hij enkel mondeling of via handgeschreven copies. En dorps- en streekgenoten die het in hun eigen liedschriftje hadden overgenomen verwijzen stellig naar “Fille Vemeersch” als auteur. Een zangwijze werd echter ook daar niet vermeld. De melodie die wij erop plakten blijft dus geldig tot nader order. De eerste strofe aldaar – in principe dus de originele versie – luidt als volgt:

    Wat heeft een mensch toch rare zinnen,
    En vieze goesten zoo van alle soort,
    G’ hebt er die ’t geld bij ’t vrouwvolk verspillen,
    Den eenen sjiekt, den anderen smoort,
    Maar ik voor mij en vind niet beter,
    Dan te gaan zitten in de volle kroeg,
    En daar te drinken ’t waterke des levens,
    Genijverken zo lief van ’s morgens vroeg.

    We vinden daar ook 3 strofen die bij de andere bronnen verloren gingen:

    strofen 3 en 4:

    Daar zijn er die geen genijver verteren,
    Maar ik zeg het, zoo eenen wordt niet oud,
    Let er maar op, hij zal geen hoge toppen scheren,
    Want zijne maag die is altijd verflauwd,
    ‘k Heb er bij ouwe mannen ooit gezeten,
    Daar was nooit eenen die van ziekte kloeg,
    Zij wilden van geen apotheker weten,
    Zij dronken genijverke van ’s morgens vroeg.
    
    Mij dunkt, ik hoor het ook al iemand zeggen:
    “Blijft gij zoo drinken, ge zijt gauw kapot”,
    Daar mag ik rustig mijne kop bij leggen,
    Hoe eer ik sterf, hoe eer ik ben bij God,
    Hij ziet zoo geerne de genijveristen,
    Daar was nooit eenen die van ziekte kloeg,
    Want d’ apostelen en evangelisten,
    Dronken genijverke van ’s morgens vroeg.

    7e en laatste strofe:

    Ja, Vrienden, daarmee ga ik dan besluiten,
    Onthoudt toch altijd dezen schoonen zang,
    En wilt toch nooit genijver gaan verslijten
    Want ’t is ‘ne goên en ‘ne gezonden drank,
    En als de dood mij eens komt te verrassen,
    Wilt dan niet vragen : “Wat met hem gedaan?”,
    Wilt gij dan maar mij met genijver wasschen,
    Opdat ik ginder zat zou komen aan.
    

    In de strofe over “enen boer” zingt Van der Meersch:

    (...) Hij zegde mij dat hij niet kon gaan werken,
    Voor hij er had gepakt een stuk of zeventien,
    Daarnaar, in ’t zweet, ging hij dan wat gaan werken,
    Al in de schuur ofwel achter de ploeg,

    Dat stukje is dus na overlevering een beetje aangepast en gecontamineerd door het lied ” ’t Boerenleven dat is plezant”…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Auteursrecht © 1195-2018 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com