0

Mijnwerker 108

Geplaatst door Johan op 8 juli 2011 in liedbladen, liedboeken, liederen, Over Moord & Rampen |

Harry Franken schrijft in “Van Zinge en Speule nr 1 pag. 144:

"We kunnen dit lied, dat ik optekende bij Netty Smulders-van Gorp te Valkenswaard, zeker tot de smartlappen rekenen. 't Woord smartlap is een moeilijk te vervangen aanduiding voor een lied, dat door zijn sentimentaliteit op het gemoed van zanger en toehoorder werkt. Beiden worden dan ook dikwijls tot tranen toe geroerd. Het is natuurlijk niet alleen maar een smartlap, maar het lied geeft ook een schildering van het harde risicovolle werk in de Kempische en Limburgse kolenmijnen. Er zijn veel liederen, waarin het leven van de mijnwerker wordt bezongen.

Als het noodlot toeslaat bij een zo jeugdig persoon als mijnwerker 108 is de ontsteltenis over een ramp, zoals in dit lied bezongen, natuurlijk des te groter. Omdat plaats, jaartal en andere gegevens in dit lied ontbreken, neem ik aan dat het lied geen werkelijk plaatsgevonden gebeurtenis bezingt. Bij andere liederen over branden, oorlogen, ongelukken, moorden etc. zijn deze bijna altijd vermeld."

Partituur uit 19e eeuw

Harry noteerde de melodie die hem werd voorgezongen en dat blijkt “Silver threads among the gold” (Zilverdraden tussen ’t goud) te zijn, inderdaad een populaire melodie. Nog steeds. De melodie werd bedacht door H.P. Danks en gepubliceerd in 1873. De componist is ondertussen al 108 jaar dood, dus maken we ons sterk dat dit muziekje tot het “publieke domein” behoort…

Ook Ben Hartman plaatst dit lied op de website “Cultureel Brabant” met de melding dat de melodie “Zilverdraden” is

De tekst van “Mijnwerker 108” wordt ook vermeld in “Liederen der Industriële Revolutie” (Erik Demoen, Gent 1987) maar die geeft als zangwijze “Overschotje” van Lou Bandy en, inderdaad, die melodie past eveneens perfect bij de tekst. Wil dat zeggen dat de nederlandse tekst niet in de 19e eeuw werd gemaakt maar na 1924, toen Lou Bandy zijn tekst (op muziek van zijn echtgenote Eugenie) uitbracht? Niet noodzakelijk, het is best mogelijk dat de tekst veel ouder is en dat een marktzanger hem recupereerde circa 1925 bij één van de vele mijnrampen in die periode, waarbij hij het commercieel interessanter vond om een actuele melodie te gebruiken!

Overigens werd het lied gezongen als “nr. 108” door de Zangeres Zonder Naam, waarbij als tekstschrijver/componist meneer “Vanacker” genoteerd staat: het gebeurt wel meer dat stokoude liederen door een hedendaags auteur worden gerecupereerd om er schaamteloos auteursrechten voor op te strijken, zeker als het origineel uit een ander land komt. Men zou denken dat de auteursrechten-verenigingen dankzij de moderne technieken hieraan paal en perk zouden stellen maar blijkbaar is dat geen prioriteit.

In elk geval vinden wij op een liedblad uit de verzameling Wouters/Moormann, gepubliceerd door het Meertens Instituut, Amsterdam, inderdaad de verwijzing naar “Overschotje” terug. Over de oorsprong van dit liedblad en de auteur ervan is niets terug te vinden. Het moet iemand geweest zijn die literatuur gestudeerd of bestudeerd heeft, want alliteraties als “Zwijgend zwoegen zwarte werkers zwetend met gekromde rug” komt je bij de doorsnee marktzanger niet tegen.

Het is moeilijk om dit soort liederen nu nog voor een levend publiek te brengen: er is geen refrein en 6 strofen vinden we tegenwoordig net iets teveel van het goede…

Mijnwerker 108

In een dorpje in het mijnland
hadden zij hun schamel brood.
Daaglijks ging hij kolen delven
in het aanschijn van de dood.
Samen hadden ze een jongen
met veel zorgen grootgebracht
en voor ’t eerst zou hij met vader
meegaan in de diepe schacht.

Moeder maakte hem een werkpak
om mee in de mijn te gaan.
Af en toe viel op haar naaiwerk
plotseling een grote traan
want haar jongen was er trots op
dat hij werken ging, de schat,
maar zij dacht aan ongelukken,
hij was alles wat ze had.

En zo ging op zeek’ re morgen
hij met vader naar de mijn,
fier omdat hij nu een man was
die zijn ouders steun kon zijn.
Daar gaven ze hem een mijnlamp
en een nummer honderdacht
en zo werd hij met de and’ ren
diep de aarde ingebracht.

Zwijgend zwoegen zwarte werkers
zwetend met gekromde rug.
Plots een knal en dan een noodkreet:
naar de hoofdschacht, red je, vlug.
Toen ze weken voor het mijngas
en de lift hen boven bracht
bleek het dat ze iemand misten:
dat was nummer honderdacht.

Een brigade zwarte helden
daalde in de mijn weer af
om te zien of’t duister mijnbeest
hun zijn offer wedergaf.
In een afgelegen hoekje
op de bodem van de schacht
waar hij nog was heengekropen
lag het lijk van honderdacht.

Stil werkt nu zijn grijze vader
in de mijn met zijn verdriet
peinzend dat het kind moest sterven
en de dood hem leven liet.
Thuis zit een bedroefde moeder
af en toe dan streelt ze zacht
’t eerste werkpak van haar jongen
met het nummer honderdacht.


Partituur *Mijnwerker 108 *
melodie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Copyright © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com