3

Het bedelaarskind

Geplaatst door Johan op 2 december 2010 in cahiers, liedboeken, liederen, Over Armoede & Drank, Over Moord & Rampen |

(ook genoteerd als “Het arme kind”)

liedjesschrift Louis Laermans, Herent

ook in “Zo d’ouden zongen”, Walter Van Rieth, 1986

Zo d’Ouden Zongen

en in “Volkslied in W-Vlaanderen, Roger Hessel (afwijkende melodie)

Een typisch romantisch klaaglied uit vermoedelijk de 19e eeuw, waarbij eerder berustend wordt verteld hoe de rijke klasse minachtend omgaat met leven en welzijn van het “gewone” volk. De rijke kan zich alles permitteren, de arme is een onmachtig slachtoffer.

 

 

Handschrift uit “Zo de ouden zongen”

 

Het bedelaarskind

tekstschrijver: Rosalie Loveling (1834-1875) (zie reactie onderaan dd. 18/2/2016),  componist onbekend.

De damp steeg op en d’avond zonk.
De sneeuw lag langs de wegen.
En ’t lichtje op de molen blonk
den armen knaap reeds tegen
Hij ging naar huis het was zo koud
de gure wind blies door het woud

Hij ging naar huis het was zo koud
de gure wind blies door het  woud.

Ginds rijst zijn dorpje reeds omhoog
het zag zijn kerkje weder.
Maar tranen glommen in zijn oog,
het arme kind zonk neder.
De knaap was moe, het dorp nog ver,
en ginder blonk reeds d’avondster

De knaap was moe het dorp nog ver
en ginder blonk reeds d’avondster.

Waar of het knaapje blijven mag,
wie zal zijn moeder troosten?
Een dag verging, een andere dag
rees op in ’t schemerend oosten
En bij het klimmen al van de maan
vond men een lijkje langs de baan;

en bij het klimmen al van de maan
vond men een lijkje langs de baan.

Wie had het arme kind gedood
dat daar was ingeslapen?
Zijn handjes en zijn kleed was rood,
bloed kleurde hem de slapen.
Men zag de sporen al van een hond,
een voetstap die daar neven stond;

men zag de sporen al van een hond,
een voetstap die daar neven stond.

Een rijke jager schoot het neer,
’t bevond zich op zijn wegen.
Het kind viel dood ter aarde neer
wat had het hem misdreven?
’t Ging door het bos de kortste baan
ziedaar wat ’t knaapje had misdaan

’t ging door het bos de kortste baan:
ziedaar wat ’t knaapje had misdaan.

Veel jaren zijn nu heengegaan
en niemand zal het weten
dat daar een misdaad werd begaan,
het kind is nu vergeten.
Het madeliefje dat daar nu bloeit
heeft ’t bloedig plekje overgroeid;

het madeliefje dat daar nu bloeit
heeft ’t bloedig plekje overgroeid.


Partituur * Het bedelaarskind *
      1. instrumentaal

 

3 Commentaren

  • Johan schreef:

    Met dezelfde melodie en onder dezelfde titel vinden we ook een ander ontroerend verhaal van een kind: de kostwinner zit in de gevangenis omdat hij het – als oudste werknemer – had aangedurfd “om beterschap te vragen” en hij werd als een oproerkraaier, een vijand van de staat, opgesloten.
    Hoe kan dat? “Artikel driehonderdtien” is de oorzaak.
    Dit verdient nadere uitleg.
    In de 19e eeuw bestond er voor werknemers geen “recht op staking”, integendeel: elke vorm van kritiek of opstandigheid werd genadeloos in de kiem gesmoord, desnoods met behulp van gewapende troepen.
    Pas in 1866 werd het verbod op “coalition” (samenscholing of het oprichten van verenigingen) ingetrokken. Zo konden er eindelijk georganiseerde vakbewegingen ontstaan, zodat de werknemers hun belangen tegenover de werkgevers konden verdedigen.
    Maar er kwam ook een nieuwe wet, de in het lied geciteerde “artikel 310”, die de verzetsmogelijkheden van de werknemers beperkte. Zo waren gewelddaden, beledigingen en bedreigingen strafbaar – begrijpelijk – maar ook simpele “samenscholingen in de nabijheid van fabrieken of verblijfplaatsen van de werkgevers”.
    Deze nieuwe wet liet ruimte te over voor interpretaties waarbij – zoals in het lied aangegeven – ook vreedzame kritiek tot willekeurige ontslagen én gevangenschap kon leiden: de uitleg van “monsieur le directeur” werd door gerecht en politie klakkeloos geloofd en de werkman bleef de pineut.

    Onderstaande tekst moet circa 1870 ontstaan zijn. Het wordt ondermeer geciteerd in het boek “Zo werd gezongen” (1995) van Alfons De Belie, die het 100 jaar na zijn ontstaan kon optekenen uit de mond van zijn moeder Mathilde Martens.

    Zeg kind, wat deed gij op de straat
    Men hoord’ u bitter klagen
    Het was reeds in den avond laat
    Dat gij nog stond te vragen
    Wel mijnheer lief hongersnood duurt lang (bis)
    Mijn vader zit in het gevang. (bis)

    Wat heeft uw vader dan misdaan
    Om te zijn opgesloten
    Is hij een dief, een moordenaar
    Een lage schurk of een barbaar
    Neen door zijn zwoegen dag en nacht (bis)
    Heeft hij zes kinderen groot gebracht. (bis)

    Maar de kracht hem dan begaf
    Werd het loon ras afgeslagen
    ’t Is dan dat hij het lijden zag
    Voor zijne oude dagen
    En werkstaking in het verschiet (bis)
    Bracht ons dan verder in ’t verdriet. (bis)

    Als oudste arbeider der fabriek
    Werd de plicht hem opgedragen
    Te protesteren voor heel de kliek
    Om beterschap te vragen
    En om zijn rechten en om zijn klacht (bis)
    Werd hij voor den rechter gebracht. (bis)

    Beschuldigd werd mijn vader dan
    Orde en werk te storen
    En door verraad van anderen dan
    Was gans de zaak verloren
    Omdat hij streed voor ons bestaan (bis)
    Werd vader naar ’t gevang gedaan. (bis)

    Dan kwam voor ons ellend’ en nood
    In deze winterdagen
    En ’t is daarom dat ik om brood
    Zoo laat nog stond te vragen
    En nu mijnheer ‘k laat u begaan (bis)
    Straf mij ook als ik heb misdaan. (bis)

    Wie is de schuld dat in ons land
    Zoovele mensen lijden
    En dan nog zitten in ’t gevang
    Om voor hun recht te strijden
    Wel mijnheer ge weet misschien (bis)
    Da’s artikel dreihonderdtien. (bis)

  • Johan schreef:

    Vandaag ontdekten we de tekst van “Het Bedelaarskind” in het “Vlaams Verzenboek”, samengesteld door Karel Jonckheere, 1999, ISBN 90 209 3778 2. Die vond het in de dichtbundel “Gedichten”, 1870, van Rosalie Loveling (1834-1875), waarin ze samen met haar zus Virginie (1836-1923) nog wat gelijkaardige verdrietige verhaaltjes dichtte. De tekst is door de overlevering nauwelijks beschadigd, behalve de twee laatste strofen die in het origineel als volgt werden afgedrukt:

    Wanneer nu ’t najaar woedt door ’t woud,
    hoort men niet als voorhenen
    het jachtroer door het kreupelhout:
    de jager is verdwenen;
    en in het wint’rig jaargetij
    slaapt ’t haasje in zijn leger vrij.

    En menig jaar is sinds vergaan,
    geen mens meer die ’t zou weten:
    het smalle terpje is plat gegaan,
    en ’t knaapje is vergeten.
    Het voorjaar, dat op ’t grafje bloeit,
    heeft ’t bloedig plekjen overgroeid.

    • Johan schreef:

      Nog een lied met dezelfde melodie vinden we bij Harrie Franken als “Het recht van den werkman” en in een liedschrift van meneer Putman als “Het edelmoedig knaapje”. De eerste twee strofen zijn vrijwel identiek, maar daarna wordt het “recht van den werkman” een pamflet terwijl “Het edelmoedig knaapje” een romantisch en dramatisch verhaal blijft dat zelfs goed afloopt, een zeldzaamheid. Hier die romantische versie. Het is vrijwel hetzelfde verhaal als bij De Belie, maar vollediger.
      Harrie Franken merkt op in verband met de melodie: “Volgens Wolfgang Steinitz, die het lied in zijn Deutsche Volkslieder demokratischen Charakters aus sechs Jahrhunderten (Band II, Berlin 1962, bldz. 315) overnam van Wouters en Moormann is het lied pas in het begin van de 20e eeuw ontstaan als een vrije bewerking van In Löbtau sitzt bei ihrem Kinde

      Het edelmoedig knaapje

      De sneeuw viel overvloedig neer
      de stad scheen als verlaten
      een knaapje nog zo jong, zo teer
      ging beed’len langs de straten
      en hartverscheurend klonk zijn gezang:
      mijn vader zit in het gevang

      Toen hij wat verder was gegaan
      kwam hij een dame tegen
      Wat heeft uw vader dan misdaan?
      vroeg zij aan hem verlegen.
      Is het een dief, een moordenaar,
      een lage schurk of een barbaar?

      Neen, sprak het kind op droeven toon,
      mijn vader is nen braven
      die voor een arm arbeidersloon
      meer als een dier moet slaven
      en door zijn zwoegen tot hij was moe
      kwam moeder met zijn pree schaars toe

      Wij leden samen groten nood
      wij slaakten hoge kreten
      mijn vader die stool dan een brood
      zo hadden wij toch eten
      maar zie, den bakker deed een klacht,
      vader wierd naar ’t gevang gebracht

      Tot overmaat en ongeluk
      werd moeder ziek van herte
      nu zijn wij samen in den druk
      niemand komt ons hier helpen
      zo moet ik beed’len om een brood
      om ons te redden van de dood

      Die dame was zeer aangedaan
      zij ging mee met de kleine
      totdat z’aan de woning kwam aan
      ’t geen zij daar zag deed pijne
      Zij sprak: ach vrouw en kinderen klein
      ik zal voortaan uw redder zijn

      Die edele dame zond hen brood,
      kolen om vuur te maken
      ook klederen voor klein en groot,
      nu mocht de vreugde smaken
      Zij heeft den vader ook vertroost
      want hij kwam thuis bij vrouw en kroost.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Auteursrecht © 2000-2018 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com