0

De beenhouwer

Geplaatst door Johan op 16 februari 2020 in Andere liederen, cahiers, dubbelzinnig, liedboeken, liederen, Schrift Eugenius Koopman |

Tijdens of vlak na WOI schreef Eugène Koopman in Antwerpen dit liedje neer, één van de honderden die hij in de plaatselijke café-chantants had gehoord of op liedbladen had gelezen.


Geen melding van zangwijze maar die vonden we wel terug in de “Geschiedenis van het café-chantant” (Willy Lustenhouwer). Daar situeert het gebeuren zich in Brugge, bij Koopman is dat Antwerpen en die versie leek ons authentieker, we hebben ons dus grotendeels daarop gebaseerd.
Ook hier hebben we weeral met een beroep te maken met erotische aspecten.

De beenhouwer

auteur onbekend

Ik heb een zaak, ik slacht maar raak,
mijn vlees hangt aan den haak
Ik ben rap en abiel,
‘k ben beenhouwer van stiel,
ik lever mijn kalanten in het groot en in het klein
waar dat er jonge en ook oude onder zijn
Bestelt men hier wat voor in’t stad,
ik breng u daadlijk dat,
‘t zij lever of ’t zij nier of een stuk van de spier
‘t Is eender waar ik met mijn vlees moet henen gaan,
en onderweg vang ik altijd dit liedje aan:

Ik ben plezante Jan die worsten maken kan.
Bestelt u er eens één bij mij,
op vijf minuten hebt gij er een pond of drij.
Rosbief en frikadel, dat maak ik wonder wel
en soepe beentjes extra fijn
als er een mergpijp bij mag zijn.

‘k Heb eens gevrijd met ene meid,
ik kwam daar over tijd,
ik zet mijn vlees daar neer.
Opeens riep zij mij weer.
Ach Jantje, zei ze, beste vriend dat is niet naar mijn zin!
Zie, in dat vlees daar steekt precies een beentje in.
Ik zei algauw, wat zijt gij flauw,
ach mens, ziet gij zo nauw?
Gij krijgt gij bij geen een
zo’n stuk vlees zonder been.
Ach Jantje, sprak zij tegen mij, gij zijt een rare guit,
kom, doe mij een plezier en trekt dat been er uit.

Bij juf De Weert in Het Grijs Peerd bracht ik een ossensteert.
Die lijdt veel aan de maag, had mij al lang gevraagd
of dat ik haar niet met zo’n staart een beetje helpen kon
om daaruit dan te trekken een straffe bouillon
Als ze me zag schoot z’in een lach
als ze mijn vlees bezag.
Dan was zij heel voldaan, zei in het henen gaan:
Ach Jantje, als gij nog een keer passeert langs hier,
breng er dan nog maar uwe steert een keer of vier

Ik blijf niet staan, moet henen gaan
want ‘k heb nog niet gedaan.
Mijn korref is nog vol, ik moet nog de stad rond.
‘k Moet nog een kallefsrol
gaan brengen op de Keizerlei,
bij juffrouw Jeanne,
met nog een ossentong erbij.
Bij juffrouw Kras daar aan het Sas
wat spek en cervelas
en dan nog op het Kiel een stukje van de ziel.
En heb ik mijn kalanten niet op tijd voldaan,
zij zouden morgen naar een and’ren frutter1 gaan.

1 De “frut” is de bijnaam van de Gazet van Antwerpen. Onze beenhouwer verpakt zijn vlees dus in een oude krant. De bijnaam “de frut” zou ontstaan zijn omdat een illustere Antwerpse  frituuruitbater zijn meeneem-pakketten eerst in gewoon papier en dan nog eens in oud krantenpapier placht te verpakken.

Partituur * De beenhouwer *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De pil van Holloway

Geplaatst door Johan op 9 februari 2020 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Thomas Holloway (1800-1883) was een succesrijke Engelse fabrikant en verkoper van gepatenteerde medicijnen. Dat succes kwam niet zozeer voort uit de goede werking van zijn pillen – wetenschappelijk onderzoek na zijn dood vond maar weinig “werkzame stoffen” in zijn medicamenten – maar vooral uit zijn innovatieve en ver doorgedreven reclametechnieken. Vanaf 1837 prees hij zijn producten vrijwel dagelijks aan in de kranten en dat werkte beter dan de pillen zelf want hij werd ongelooflijk rijk. Zo kon hij ondermeer het “Holloway Sanatorium” laten bouwen in Virginia Water, waarbij architect William Henry Crossland zich liet inspireren door de lakenhalle van Ieper ! Circa 1865 bouwde hij voor zichzelf en zijn familie een riant landhuis in Sunninghil en daar heeft u misschien ooit beelden van gezien want rond 1970 was het de woning van John Lennon en Yoko Ono …

Amersfoortsche Courant | 23 maart 1875

In 1863 schreef Andreas De Weerdt het lied “Neemt Hop! Hop ! Hop !” (in zijn “Elfde Reeks Nieuwe Liedjes”) op de wijze van “De man wordt oud” (ons onbekend) en daar komt Holloway ter sprake:

Daar is nu weer bij ’t Revalent,
Bij ’t Holloway medikament,
En ander flauw marmitters,
Een splinternieuw apthekerij,
Loopt al de rest nu maar voorbij:
Neemt hop … hop … hop .. .
Neemt hop … hop … hop .. .
Neemt hop … hop … hopbitters.

In de volgende strofen beschrijft De Weerdt ironisch hoe ook dit nieuwe medicament zowat alle kwalen geneest, tot de meest idiote toe.
Holloway werd nog net niet op gelijke hoogte gesteld met Sequah, de illustere wonderdoktoor.

In een ander lied van een onbekende auteur gaat het al even laatdunkend over een “wonderpil” van Holloway. Het lijkt wel alsof de tekstschrijver de reclameboodschappen heeft verzameld waarbij er geen eind schijnt te komen aan de fantastische eigenschappen van dat medicament. Ook die tekst moet uit de 19e eeuw stammen, maar toch wist Willy Lustenhouwer nog iemand te vinden die de melodie kon voorzingen.

De pil van Holloway

auteur onbekend

Hebt ge nimmer horen spreken
Van die wonderbare pil
Die eenieder kan genezen
Als men maar genezen wil.
Ja, het staat in mijn gazette,
Allen varen er wel mee,
Ja, twaalf duizend zijn bekomen
Met een pil van Holloway

Ja, het staat in mijn gazette,
Allen varen er wel mee,
Ja, twaalf duizend zijn bekomen
Met een pil van Holloway

Holloway geneest de kwalen
Van eenieder, zonder pijn.
Hij herstelt ook nog de zieken,
Zelfs die onherstelbaar zijn.
Voor een zeer geringe somme,
Voor zowat een frank of twee
Kunt ge’t leven lang genieten
Dank zij dokter Holloway.

Voor een zeer geringe somme,
Voor zowat een frank of twee
Kunt ge’t leven lang genieten
Dank zij dokter Holloway.

Hebt ge tandpijn of de pokken,
Typhus, maagpijn, flerecijn?
Zijn de longen of de lever
Aangedaan door wrede pijn?
Spoedig naar de apotheker,
Maar: draagt wel uw beurze mee,
Dan keert ge terug, genezen,
Dank zij dokter Holloway.

Spoedig naar de apotheker,
Maar: draagt wel uw beurze mee,
Dan keert ge terug, genezen,
Dank zij dokter Holloway.

Revalenta was een goede,
Een kostbare medicijn
Maar die is nu rats versleten,
Zalf en pillen moeten ’t zijn.
Laatstmaal was er zo een zieke
Die verkwijnde in smart en wee.
‘k Zei hem: wilt ge gauw genezen,
Neem een pil van Holloway.

Laatstmaal was er zo een zieke
Die verkwijnde in smart en wee.
‘k Zei hem: wilt ge gauw genezen,
Neem een pil van Holloway.

Neem een pil en strijk wat zalve
Op de plaats waar gij door pijn,
Sprak ik minzaam tot de zieke,
Somtijds mocht gekwollen zijn.
En zijn ziekte week zo spoedig
Dat hij na een dag of twee
Gans genezen lag op ’t kerkhof,
Dankzij dokter Holloway.

En zijn ziekte week zo spoedig
Dat hij na een dag of twee
Gans genezen lag op ’t kerkhof,
Dankzij dokter Holloway.

Hebt g’een vrouw die niet kan zwijgen,
Die u nooit met ruste laat,
Daarvan kunt gij haar genezen,
niets dat zo gemak’lijk gaat.
Wilt ge haar tot zwijgen brengen
Als ze stoort uw peis en vree,
Doe haar telkens binnenslikken
ene pil van Holloway.

Wilt ge haar tot zwijgen brengen
Als ze stoort uw peis en vree,
Doe haar telkens binnenslikken
ene pil van Holloway.

‘k Heb nu reeds vele coepletten
Hier gezongen tot vermaak
Van u allen, beste vrienden,
’t wordt tijd dat ik er mee staak.
Want, hoe zal ik dat nu zeggen
Dat gij allen blijft tevree?
Uw gezang is niet veel beter
Dan een pil van Holloway.

Want, hoe zal ik dat nu zeggen
Dat gij allen blijft tevree?
Uw gezang is niet veel beter
Dan een pil van Holloway.

Partituur * De pil van Holloway *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Willem met de baard

Geplaatst door Johan op 9 februari 2020 in Andere liederen, liederen |

Ter gelegenheid van de 80e verjaardag  van Willem Vermandere schreef Jan Huyghe een gelegenheidslied, niet op een melodie uit het bekende oeuvre van de zanger-beeldhouwer-poëet maar op een (andere) populaire melodie, zoals de marktzangers eertijds dat zouden hebben gedaan. Op die manier hoort dit lied toch ook een beetje thuis op deze website …

Hoewel we zelf nauwelijks West-Vlaams begrijpen sluiten wij ons graag aan bij de hulde aan de heer Vermandere en we hopen dat hij nog lang niet is uitgezongen!

De melodie die Jan Huyghe koos kunnen we helaas niet publiceren: het lied “Blue is the colour” is geschreven in 1972 door Daniel Boone (°1942) en Rod McQueen (°1958) en de auteursrechten vervallen ten vroegste in 2090. We verwijzen naar een YouTube-versie van het Chelsea-clublied.

Daniel Boone (alias van Peter Charles Green) kent u overigens misschien als zanger van “Beautiful Sunday” en “Daddy Don’t You Walk So Fast” (Pappie loop toch niet zo snel), en zijn spitsbroeder Rod McQueen (alias van David William Balfe), mede-auteur van “Beautiful Sunday”,  bracht zelf ook enkele plaatjes uit in 1975-1980 .

Willem

[A] Jan Huyghe [C] Daniel Boone, Rod McQueen
Vriend Willem Vermandere 80 jaar op 9 februari 2020
Voois: Blue is the colour (clublied van Chelsea FC)

Refrein
We zing’n al tegare, voor Willem met de baard,
j’is tachtig jaren, j’hèt ’t leven goed bewaard.
Dus zing met nuus van zijn roem en faam,
ja Willem, Willem is zijn naam!

Hij is van Lauwe, maar rocht op ‘n tjool,
platgezoold, in kloost’r en school.
In Steenkerke startte een nieuw tijdperk,
’t ontstaan van zijn tijd’loos werk! Ho!

Zijn droompaleis werd herberg De Kroon,
spokenwoon, ruig maar schoon.
Ook zijn lief Kris zei: “Dat is niet mis,
hier hangt geschiedenis!” Woow!

Vijftig jaar zingen in ’t Vlaamse land,
Nederland, met heel zijn band.
Zelfs Kinshasa en Amerika,
tot in Zuid-Afrika! Ha!

“Belle Rosselle”, “Bange blankeman”,
“’t Schone land”, “Patatt’n geplant”,
“Eigen God eerst” en “Piere ’t beest”,
en “Blanch’en z’n pèèrd” nog ‘t meest..!

Hij schrieft muziek en is oerpoëet,
in ‘t lang en ‘t breed, van lief en leed.
Schilder en beeldhouwer energiek,
en snijder van zielsgrafiek..! Ho!

Levenslang wint ie met kunst de kost,
voor Kris en kroost, ’t is dat ’t zo most.
Veel nog te doen geeft hij van katoen:
“Zwijg mij van dat pensioen!” Waw!

Zo werd hij stilaan ook filosoof,
zijn geloof: dicht de kloof,
dat alle mensen broeders zijn,
en grenzen gaan verdwien’n! Ooh!

Denker, sjamaan, goeroe, visionair,
duust ampèèr, lijk Voltaire.
Verlichte meester die zalft en sloat,
en zegt woa’ dat ’t om goat…! Kloar!

Maar bovenal zeker kluchtigaard,
lekkebaard, fijnbesnaard,
vertellementen wijs en komiek,
voor sjiek en Jan Publiek! Joa’w!

Dank beste Willem voor beeld en klank,
vonk en vrank, toverdrank.
We zijn zo blijde da’j’nuus gèèrn ziet,
daaruit groeide dit lied…! Joa’t!

Refrein
We zing’n al tegare, voor Willem met de baard,
j’is tachtig jaren, j’hèt ’t leven goed bewaard.
Dus zing met nuus van zijn roem en faam,
ja Willem, Willem is zijn naam!

Jan Huyghe
Odk, 17 mei 2019

4

Een ongeval

Geplaatst door Johan op 2 februari 2020 in Andere liederen, cahiers, liederen, Spot & Ironie |

Leonard Vandevelde (1869-1951) uit Aartselaar schreef als derde lied in zijn schriftje het relaas van een “ongeval”. De titel verbloemt de teneur van het verhaal – dat verder niets verhult – en zonder schroom had hij het beter “Grote kak” genoemd…

Het is waarschijnlijk bedacht en geschreven door Andreas De Weerdt uit Antwerpen want het staat in zijn boekje “Vierde Reeks Nieuwe Liedjes”, gedrukt bij J. Jorssen, Hochstetterstraat 21, Antwerpen anno 1866. De Weerdt gebruikt als titel (ook)  “Een ongeval” en geeft aan dat het gezongen wordt op de melodie van “Der Mestkaai”, maar die kennen we niet.

Willy Lustenhouwer kon het lied ergens rond Brugge noteren, met melodie, dus kunt u er samen met ons hier van genieten!

Een ongeval

auteur onbekend

‘k Heb laatst ontmoet ene gebuur,
een dikken baas, die liep zo vlug
Hij maakte toch zo’n vieze kuur,
En hield zijn hand op zijnen rug.
Ik vroeg: maar Jan, wat is er gaande?
Och, riep hij uit, hou mij niet staande
want ik ben niet op mijn gemak,
‘k heb grote, grote, grote, grote;

neen ik ben niet op mijn gemak,
‘k heb grote, grote, grote kak.

En ’s anderdaags al kwam zijn vrouw,
vertelde dit aan mijn Katrien:
Daar heb ik gisteren algauw
van mijne vent zwaar afgezien!
Hij komt me thuis, en kloppen, kloppen,
doet open Trees, ik kan niet stoppen.
Doet open, gauw, of het is krak,
‘k heb grote, grote, grote, grote;

doet open, gauw, of het is krak,
‘k heb grote, grote, grote kak.

Hij was er nog zo gauw niet in,
of ‘k rook het al, het was te laat.
Ik zei: Jan waar is uwen zin?
’t Is niet vandoen dat g’achter gaat1.
Begin uw broek maar af te stropen,
Wat een gedacht zo ver te lopen,
zo ver met zo ’n lastig pak
met grote, grote, grote, grote

Zo ver met zo ’n lastig pak
met grote, grote, grote kak

Ja Trees, sprak hij, ik had geen cent
en ‘k dorst het op de straat niet doen
want overtijd is Peer Corent
zo nog gepakt op dat fatsoen.
Daar was ’n heer die hem kwam zeggen:
Gij zijt er aan en gij moet leggen,
betaalt den boet of in den bak,
met grote, grote, grote, grote;

betaalt den boet of in den bak,
met grote, grote, grote kak

Ik zei dan: Jan, ik was verbaasd
dat gij hebt in uw broek gedaan,
maar ‘k ben er dan met grote haast
en met een schrobber op gegaan.
Ik heb die broek katoen gegeven,
’n emmer water zes of zeven
Maar ‘k zal de rest vertellen straks,
Want ‘k heb ineens ’n grote grote,

Ik zal de rest vertellen straks,
‘k heb last van grote, grote kak!


1 “achter gaan” = naar het W.C. gaan, naar het “huiske” dat zich “achter” de woning naast of boven de beerput bevond …
Partituur * Een ongeval *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De borstelmarchand

Geplaatst door Johan op 26 januari 2020 in dubbelzinnig, liedboeken, liederen |

Marktzangers verkochten niet alleen  liedbladen op de markt, zij waren “goed van de tongriem gesneden”, ervaren publiekstrekkers en showmannen, dus stalden ze ook koopwaar uit die ze met een kwinkslag en alle trukken van de foor probeerden te verkopen. Of zoals Willem “Tamboer” Bauwens hierover placht te zeggen: “De mensen moeten kunnen naar huis gaan met het gedacht: zijn w’eraan bedrogen, w’hebben er toch plezier aan gehad

Dat is vandaag grotendeels vervangen door de TV-winkels met hun irritante en schreeuwerige demonstraties van wonderbaarlijke producten. Niet echt een verbetering vind ik…

borstelsDe marktzangers verkochten dus kammen, scharen en … borstels. In dit lied is de borstelverkoper een gewiekste kerel die zijn publiek weet te boeien met duidelijk dubbelzinnige eigenschappen van borstels en stelen. Verdere uitleg overbodig.

We vonden het in de verzamelbundels  “Zo de ouden zongen” (Walther Van Riet), “Het Aalsters Volksleven 1 – Markt- en Straatlied 1860-1950” (Jos Geysels), “En rijen is plezant” (Marita De Sterck en Gerda Dendooven). Auteurs van het lied niet gekend.
De genoteerde melodieën doen ons denken aan “Les fraises et les framboises” en die melodie past er dus ook bij.

Erik Wille zette zijn versie op zijn CD ” ’t Is gene zuiveren” (niet meer verkrijgbaar vrezen we, ook niet in de iTunes Store)

De borstelmarchand

[AC] onbekend

Bonsoir, beste gezellen, ‘k kom vragen met fatsoen,
of dat je soms geen vellen of borstels hebt vandoen.
Ik ben op mijne ronde, elk doet de grote kuis,
een borstel, sakkernonde, heeft elk vandoen in huis.

Groot en kleine, grof en fijne,
‘k heb er met en zonder steel.
Om te schuren, zelfs de muren,
om te witten ook al veel.
‘k Heb er grove, voor de stove,
’k heb er ook voor vest en hoed,
Kobbejagers, stratevagers,
dat verkoop ik ook heel goed.

Gaat men soms aan het witten met borstels zonder haar,
mijn wijf begint te vitten, ze zegt dan: frutselaar.
Dat duurt soms vele jaren, dat gij uw eer niet haalt,
Maar wilt ’t affront besparen, voor ‘t geen gij maar betaalt.

Voor een kerel lijk ’n perel,
met ’n steel ik weet niet hoe,
Goed gebonden, sakkernonde,
daar stemt iedereen in toe.
‘k Heb van soorten, lang’ en korte,
‘k heb er van d’n ouden tijd,
om goed van katoen te geven,
als ge maar ’n witter zijt.

G’hebt vrouwen met ‘n borstel, heel goed voorzien en straf,
want zie je, vrouwenborstels, zien somtijds zoveel af.
Zij binden rond de stelen wat vodden of papier,
dat gat verslijt zovele, ge ziet dat wel van hier.

Hoort eens vrouwen, goed onthouden,
doet wat speeksel aan de steel,
En dan zachtjes moet gij trachten,
niet te weinig of te veel,
Hem doen spannen dat is plannen,
als hij goed van voren sluit,
houdt in d’oge, niet te droge
of de steel valt er weer uit.

De vrouwen hunne borstel, die snijdt soms als een mes,
‘k Beklagen diene jongen, die daar de man van es,
Koopt dus op tijd ’n ander, zo ene lijk in vlas,
En om ermee te vagen, is dat ook eerste klas.

Borstels met de haren rechte,
goed tegen het regenweer,
Niet te breken of te steken,
en ze doen geen mensen zeer,
Nat of droge, ‘t blijft omhoge,
daarmee vagen is plezier,
Zeg eens mannen en mevrouwen,
zulke borstels heb ik hier.

Zijn er nu soms geen vrouwen, die hier nu voor mij staan,
die ‘t haar van hunne borstel, verre begint te gaan?
Stelt het niet uit tot morgen, eer gij het nog vergeet,
maar tracht vooreerst te zorgen, dat ’t uwe baas niet weet.

Want och here, hoeveel keren,
komt er daar geen kwestie van,
Voor die kweste is ‘t het beste,
dat gij goed staat met uw man,
Zoek er ene van mijn soorten,
ja ik heb er voor ’n sou,
Gij kunt vagen, hele dagen,
zelfs tot in uw bedde toe.

Partituur * De borstelmarchand *
      1. instrumentaal
      2. versie van Erik Wille (fragment)

Tags:

0

Ha, dat ik minister was

Geplaatst door Johan op 19 januari 2020 in Andere liederen, liedboeken, liederen |

uit “Gij zijt Kanalje” (1974, Jaap Vande Merwe)

Een tekst geschreven door een zekere “Herman” circa 1890 en volgens Erik Demoen in “Liederen der Industriële Revolutie” zou dat een schuilnaam zijn van A. Bogaerts, ons verder onbekend. Het is een links geörienteerd protestlied uit het Gentse en dus kreeg het ook een plaats in het boek “Gij zijt kanalje heeft men ons verweten” (Jaap Vande Merwe).

De melodie zou dan weer afkomstig zijn van het lied “De bataille van Lourdes” (Karel Waeri, 1884) die zelf doorverwijst naar “De Franse officier”. Lustenhouwer publiceert het met de melodie zoals die in Brugge werd gezongen. Demoen heeft een andere melodie, ’t is te zeggen: hetzelfde ritme maar niet dezelfde toon. Aangezien die laatste in het Gentse werd gevonden staat ze ongetwijfeld korter bij het origineel en die hebben we dan ook weerhouden.

uit “Liederen der Industriële Revolutie” (1986, Eric Demoen)

Restte ons alleen nog er interessante muziek-akkoorden bij te verzinnen zodat accordeon, gitaar en bas er een gelijkgestemde begeleiding kunnen bij spelen.

De tekstschrijver is niet te vinden voor het koningsschap maar droomt ervan om minister te worden en hij somt alle maatregelen op die hij dan zou nemen, naar we vermoeden om het land rechtvaardiger te besturen dan op het einde van de 19e eeuw gebruikelijk was.

Ha, dat ik minister was

‘k Zou geen koning willen wezen, ‘k vind dat stieltje veel te laf.
Zo het weerloos volk doen vrezen, van de wieg tot aan het graf.
Met gendarmen en soldaten en miljoenen in de kas.
‘k Zou die post voor d’ander laten, maar dat ik minister was

‘k Zou die post voor d’ander laten,
maar dat ik minister was

‘k Zou vooreerst niet langer willen, dat die lieden van fatsoen,
nutteloos hun tijd verspillen, leven zonder iets te doen.
Iedereen zou moeten werken, zonder onderscheid van klas.
‘k Zou het mensdom wel versterken, ha, dat ik minister was

‘k Zou het mensdom wel versterken,
ha, dat ik minister was

Al de nonnen, kwezels, paters en pastoors en kardinaal,
Met hun glad geschoren snaters, vind ik veel te stout van taal.
Heel dat volksken uit de kerken, kwam mij elders goed van pas,
‘k Zou die luiaards leren werken, ha dat ik minister was.

‘k Zou die luiaards leren werken,
ha dat ik minister was.

‘k Maakte huizen voor de zieken, van de kloosters zonder tal,
Van kazernen schoon fabrieken, ‘k bouwde scholen overal,
Iedereen zou kunnen lezen hoe het gaat met land en kas,
En men zou geen oorlog vrezen, ha dat ik minister was

En men zou geen oorlog vrezen,
ha dat ik minister was

D’arme mensen moeten slaven, van de morgen tot de nacht,
op de noen nog aardig draven, voor wat eten zonder kracht,
Maar het zou niet lang meer duren, deze toestand al te kras,
Ieder werkte zijn zes uren, ha dat ik minister was.

Ieder werkte zijn zes uren,
ha dat ik minister was.

‘k Zou geen lieve kinders maken, en protectie diende niet,
Om tot plaatsen te geraken, zoals dit vandaag geschiedt,
‘k Zou het recht niet laten schenden, en die zoontjes van papa’s,
Zou ik naar d’n duivel zenden, ha dat ik minister was

Zou ik naar d’n duivel zenden,
ha dat ik minister was

Partituur * Ha, dat ik minister was *
      1. instrumentaal

Tags:

Copyright © 1995-2020 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com