0

Sjarel heeft dat gedaan

Geplaatst door Johan op 21 januari 2019 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Kluchtlied van een onbekende auteur. Willy Lustenhouwer nam het op in zijn “Geschiedenis van het café-chantant” maar rept zoals gewoonlijk met geen woord over de vindplaats.
Sjarel is de pineut, de onschuldige dommekloot die van alles de schuld krijgt. In strofe 3 blijkt dat dit niet altijd geheel onterecht was, maar meestal wel.

Sjarel heeft dat gedaan

649 [AC] onbekend

Ik ben te beklagen,
ja, dat is toch iet.
Ik zal het u zeggen,
uitleggen subiet.
Toen ik nog een kleine jongen was,
blijf mij verstaan,
dan mocht er niks gebeuren of ikke had dat gedaan.

Oh ja, ‘t was Sjarel, Sjarel heeft dat gedaan.
Zo riepen alle mensen,
is dat niet kolossaal?
‘k Ben in ‘t ongeluk,
o ja, geloof me vrij,
d’r mag hier niks gebeuren
of ze steken het op mij.

Toen ik nog naar school ging, kreeg ik straf op straf,
Meester sloeg me altijd op m’n blote gat,
En als er ’n jongen in z’n broekske had gedaan,
dan riepen al de kinderen dat ik dat had gedaan.

Bij mijn moeder thuis was er iets uit de kast,
Zeven telloren rijstpap dat was toch kras,
zes had ik er binnen, en ‘k had ene laten staan,
en toch zei mijne moeder dat ‘k er zeven had opgedaan.

Mijn zuster ging vrijen met ’n ferm kadee,
om op haar te passen moest ik ‘s avonds mee,
maar de mensen zagen alsdat het spel was verbruid,
voor d’ere van mijn zuster riepen ze dan allen uit.

Partituur * Sjarel heeft dat gedaan *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Rozalia (de klappende papegaai)

Geplaatst door Johan op 17 januari 2019 in cahiers, liedbladen, liederen |

In het liedschrift van Theophil Govaerts uit Ourodenberg, neergepend circa 1910 staat dit:

Een beetje moeilijk te lezen, maar wij menen te herkennen (letterlijk):

De klapende papegaa of rozalia bemind u moeder

De wereld is een treurtooneel
vervult met allerlei gevallen
de eenen krijgt veel goed ten deel
den anderen krijgt niets medallen
zelf kinderen van een huwelijk
ja uit een echt bed gesproogen
(enzovoort)

Theophiel was geen geoefend schrijver maar we herkenden wel genoeg woorden om te beginnen zoeken naar de versies die anderen noteerden. Hij kende 18 strofen (!), de andere bronnen vaak veel minder. We vonden het bijvoorbeeld bij de liederen uitgegeven door Jan Van Wulpen in Oostende, einde 19e eeuw, maar hij is niet de auteur, het lied is duidelijk ouder. En de heer Putman nam het op zijn liedjesrepertoire met 16 strofen.

Julien De Vuyst plaatste een goed leesbare versie in “Marktliederen uit Erpe-Mere”.
In “Kroniek van de Kempen -nr 19” vonden we een zwaar verminkte versie van “Rozalia het verworpen kind” zoals het werd voorgezongen aan Harrie Franken door Antonia Marijnissen-de Bruin in Zundert rond 1980. Zij begon als volgt:

De wereld is een treurtoneel
vervuld met allerlei gevallen
Den een heeft een erfdeel
den andere niet met allen
Zelfs kinderen van één huwelijk
ja uit het echtebed ontsproten
(enzovoort)

Gelukkig werd het al veel vroeger “uit de volksmond” opgetekend in Alsemberg door Priester Jan Bols terwijl hij daar pastoor was (1887-1907), en daar is de tekst veel aannemelijker, misschien was hij door Jan Bols wat gefatsoeneerd. Bols noteerde ook de melodie. Gelukkig, de melodie zoals ze bijna honderd jaar later werd voorgezongen had al heel wat van haar pluimen verloren. We namen dus de versie genoteerd door Bols als leidraad.

Is dit het origineel? Niet echt, Harrie Franken is te weten gekomen dat het verhaal wel heel erg lijkt op een lied uit de verzameling van Wouters-Moormann, gevonden op een liedblad van Joseph Sadones (1755-1816) uit Geraardsbergen. De eentonige, litanie-achtige melodie en de ellenlange tekst passen inderdaad perfect bij de stijl van marktzangers uit de 18e eeuw. Geen spek voor onze bek, u zal dit lied waarschijnlijk nooit door Wreed & Plezant horen zingen.


Sadones besluit, zoals gewoonlijk, zijn liedblad (19 strofen!) met een wijze spreuk

Sadones vermeldt eerst “zang-wys opgesteld door den Digter en Zanger Joseph Sadones” en onmiddellijk daarna   “Stemme : Femmes voulez-vous éprouver of Den Sinjoor die van Roomen kwam”. Verwarrend! Waren er dus 3 zangwijzen mogelijk?
Die franse melodie is een lied uit de opera-comique “Le Secret”, geschreven in 1796 door Solié. Volgens  Jan Bols heeft de zangwijze die hij optekende in Alsemberg daar “niets mee gemeen”

In het verhaal van Sadones gaat het over twee broers, waarvan er eentje – Georgius – werd verstoten door zijn vader. De andere erfde alle goederen van de overleden moeder en Georgius kwam als zestienjarige  in West-Indië als slaaf terecht. Maar hij werd rijk, kocht een papegaai en leerde die zeggen: “Georgius, bid voor uwen vader”. Uiteindelijk vindt hij zijn vader terug in stervensnood, en een rijke dame trouwt met hem nadat ze de papegaai zijn slagzin heeft horen herhalen.

Zoo wierd de vadermin gekroond
Van deze dame rijk en machtig.
Georgius die wordt beloond;
Hij blijft zijn vader steeds gedachtig.
Ik raad u, vrienden, minst tot meest,
Zingt dit liedje met vreugd te gader.
Zingt kinders mee een goede geest
En bid voor moeder ende vader.

Het verhaal van Rozalia kent een beetje hetzelfde verloop, de ene tekst is zeker geïnspireerd door de andere. Waarschijnlijk is die van Sadones – de tamboer van zijn tijd – het origineel. Misschien vond een marktzanger het na de dood van Sadones commercieel interessanter om de hoofdrol aan een jong, lief, godvruchtig en gehoorzaam meisje toe te bedelen. Hoe dan ook bewijst het terugvinden van dit aloude verhaal in liedschriften van de 20e eeuw dat het wijd werd verspreid en veel indruk is blijven maken.

Rozalia

1. De wereld is een treurtoneel
vervuld met allerlei gevallen.
de ene heeft een rijk erfdeel
de andere heeft niemendalle.
Zelfs kind’ren uit één huwelijk,
ja, uit één echt’lijk bed gesproten.
Het één wordt rijk, het ander arm,
‘t één sterk bemind, ‘t ander verstoten. (bis)

2. Dat blijkt hier uit Rosalia,
Waarvan dat ik een liedje zinge.
Haar leven zonder wederga
baart iedereen verwonderinge.
‘t Geval dat is heel zonderling:
Dit kind met haren eengen broeder
Die waren samen een tweeling
Van eender dracht en eender moeder. (bis)

3. De vader was reeds één maand dood,
Als twee kinders ter wereld kwamen.
De moeder vond den last te groot
Om alle twee te kweken samen.
Rosalia wierd uitgedaan,
Zij moest haar moeders borsten derven;
Haar broer mocht die alleen ontvaàn,
‘t welk d’oorzaak was van zijn bederven (bis)

4. Hij wierd te zeer en zot bemind,
Hij was altijd in moeders ogen
Rosalia, ‘t verworpen kind,
had aan haar moeder nooit gezogen
als zij thuis bij haar moeder kwam
en bij haar bleef met haren broeder
Zij was, alzoo elk klaar vernam,
‘t Verworpeling van hare moeder. (bis)

5. De zoon kreeg alles naar zijn lust,
Rosalia, met stoten en slagen,
Moest werken, slaven zonder rust,
Geperst, verdrukt bij nachten en dagen.
Als zij was zeventien jaar oud
En ziende geenen troost te hopen,
Ze is van haar moeders huis benauwd
Wel twintig uren wijd geloopen . (bis. )

6, Een rijke heer, een weduwnaar,
Die nam haar om bij hem te wonen
Zij leefden deugdzaam met malkaar.
De heer die en had maar twee zonen:
De eene die was priester gewijd,
Door deugd zijns vaders faam vermeêrde
De jongste die was voor wat tijd
In Holland, daar hij kommercie leerde. (bis .)

7. Rosalia haar meester en heer
Nam zijn vermaken en plezieren:
Want hij beminde wonder teer
De rare schone pluimgedieren,
Kanarievogels, papegaai,
Die Rosalie op iedren morgen
Met veel opmerking net en fraai
Voor haren meester moest bezorgen. (bis.)

8. Rosalia had ruim één jaar
Gewoond aldaar met lof en ere,
Als zij kwam zoet en wonderbaar
Een papegaai dees woorden leeren:
Om zonder nijd te zijn of haat
Voor hare moeder ende broeder,
Leert zij hem roepen vroeg en laat :
” Rosalia, bemin uw moeder! ” (bis.)

9 . Hoe menigmaal beklaagde zij
Dat hare moeder haar zo haatte,
Nochtans met hertzeer ende lij’
Omdat z’haar moeder had verlaten.
Wanneer zij sprak misnoegd van geest
” Mijn moeder en was nooit mijn voeder! »
Zij hoorde roepen van dees beest :
” Rosalia, bemin uw moeder! ” (bis.)

10. Nadat zij vier jaar was uit ’t land
En haar verdrukkingen ontloopen,
Haar broeder, grote débauchant 1,
Deed al zijn moeders goed verkoopen :
Door drinken, schinken dag en nacht
Had hij gemaakt schuld boven maten;
Stak hem, als ’t al was opgebrast,
Al bij de Pruisische soldaten. (bis.)

11. De moeder, arm en zonder goed,
Die kon noch wist geen troost te vinden :
Een mens, die is in tegenspoed,
Is niet geacht en heeft geen vrienden.
Zij ging nog zoeken haren zoon,
Schoon hij was onder de soldaten,
Die voor haar liefde tot een loon
Haar had in de arremoê gelaten. (bis.)

12. Zij kwam tot Maastricht in de stad,
Waar Rosalie haar dochter diende,
Aan ’t zelfde huis om een aalmoes bad;
Rosalia, haar niet aanziende,
Riep : ” God die helpe u onbekend!
De hemel wil zijn uw behoeder! ”
De papegaai riep fraai en jent :
« Rosalia, bemin uw moeder! ” (bis.)

13. Die arme moeder vol van rouw
Sprak: « Wil mij toch uw jonste tonen!
‘k Ben een verdwaalde droeve vrouw!
Help mij! De hemel zal ’t u lonen !
Geef iets, ik kan niet verder gaan :
’t Is bij gebrek aan lichaamsvoeder … ”
De papegaai riep altijd aan :
” RosaIia, bemin uw moeder! ” (bis.)

14. Rosalia, op dat getreur,
Zich onbekend naar de moeder wendde :
Zij was maar nauwlijks aan de deur,
Als zij haar arme moeder kende.
Zij vloog haar aan den hals gezwind,
Riep uit: ” Ik zal uw tranen stelpen!
‘k Ben Rosalie, ’t verworpen kind!
Getroost u, moeder, ‘k zal u helpen! ” (bis.)

15. De moeder riep: ” Zijt gij dat kind,
Dat ik zoo onrecht heb misdreven,
Dat ik te weinig heb bemind! ”
Rosalia riep :” ’t Is vergeven
En vergeten dat ‘k heb onderstaan
Van u, o moeder, als van broeder! ”
De papegaai riep altijd aan:
” Rosalia, bemin uw moeder! ” (bis.)

16. De zoon van ’t huis die uit Holland
Was g’arriveerd sinds enige dagen
Stond op de liefde en groot verstand
Van deze dochter heel verslagen;
Hij sprak: ” 0 deugdzame juffrouw,
Zo edelmoedig groot van zinnen,
Gij mint uw moeder: schenk me uw trouw,
Want gij zult uwen man beminnen! ” (bis.)

17. Zij sprak met een bedaard gemoed :
” Zou het uw vader wel behagen?
Gij weet dat ik ben arm van goed
Om u mijn liefde op te dragen. ”
De vader sprak: ” G’ hebt mij gediend
Getrouwelijk vier volle jaren.
‘k Schenk u mijn zoon! Word gij mijn kind!
God geve u zegen en welvaren ! ” (bis.)

18. Zij kwam met hem in ’t houwelijk;
Haar heer en meester wierd haar vader;
Zij is een vrouw gans machtig rijk;
Haar moeder woont met hen te gader.
Rosalia wierd om haar deugd
Bemind van God den Albehoeder.
Leer gij dit liedje, jonge jeugd!
Bemin uw vader ende moeder! (bis.)


1 van débauché, klaploper, verkwister, slemper

Partituur * Rozalia *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Ik stoef daar niet mee

Geplaatst door Johan op 7 januari 2019 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

René Vermandere – een bakkerszoon geboren in 1857 in Kortrijk maar vanaf 1889 zingend in Antwerpen 1 waar hij journalist werd bij Gazet van Antwerpen en overleed in 1944 – zou dit kluchtlied volgens Willy Lustenhouwer hebben vervaardigd. Jack Verstappen schrijft een gelijknamig lied toe aan Hendrik Satens, een andere kluchtzanger die de stamgasten van Antwerpse herbergen ging opvrolijken met zijn liedjes. Hij deed dat naar verluid gratis maar sloeg nooit een aangeboden pintje af …
Het lied past in het rijtje van “leugenliederen” dat in café-chantants monkelend werd aanhoord.

In het refrein herhaalt hij bescheiden “Ik stoef daar niet mee” maar in feite doet hij in het hele lied niks anders dan dat. Van een Antwerpenaar verwacht je ook niet anders …

Inzake tekst- en muziekstijl doet het lied ons denken aan de talloze composities van het Antwerpse schrijversduo Andreas De Weerdt (1825-1895) (tekst) en Alphonse Janssens (1836-1915) (muziek & uitgever), oudere tijdgenoten van Vermandere.


1 Zo schrijft Jack Verstappen in “Volksleven rond Antwerpse Café-Chantants” (1983)

Ik stoef daar niet mee

650 [AC] René Vermander

Zie, ‘t gaat mij wel niet aan, maar toch, ik vind het weinig schoon
van altijd maar te stoeffen met uw eigene persoon.
Ik ben zo goed als wie ‘t ook zij, en sta niet achteruit,
bij wie ook die zijn eigen lof bezingt met bas en fluit.
Ik heb een rijke vrouw getrouwd die handel drijft in vis,
en onlangs van haar tweede man voor ‘t recht gescheiden is.

Maar ‘k stoef ik daar niet mee,
ik stoeffe daar niet mee,
ik laat dat gaan, ik laat dat gaan.
Hoe rijk ik ben gaat niemand aan,
hoe rijk ik ben gaat niemand aan,
ik stoeffe daar niet mee, ik laat dat gaan.

Hoor hoe ‘k die vrouw haar liefde won, zij was een zeek’re dag,
dat ik haar woning ging voorbij, met hare man aan slag.
Ik kreeg kompassie met madam, en trok de zaak mij aan,
en sloeg die vent op zijne kop, met ene abberdaan,
en, daar hij zich verweerde, met een stokvis, gaf ik nog,
zomaar een paf, een tweede slag met ene grote rog.

Haar man werd ziek, hij moest te bed, met heev’ge pijn op zij.
Hij stierf, natuurlijk was hij dood, en ik werd nummer drij.
Daar zij gezien had hoe gezwind ik handel deed in vis,
deed zij me van haar minnend hart, dra de bekentenis.
Pas waren wij een maand getrouwd, men dreigde met failliet,
‘k bood twee procent, dat werd aanvaard, en ‘k gaf nooit iemand iet.

Al die mijn naam draagt staat bekend, als slim, rijk en habiel,
mijn broer, een reus, die is herkuul en worstelaar van stiel,
mijn oom die is lang beul geweest, hij deed zijn zaak zo fijn,
dat ‘t een plezier was door zijn hand, onthoofd te mogen zijn.
Mijn neef die speelt in politiek, dat is een anarchist,
en nimmer, als hij bommen wierp, heeft hij zijn slag gemist.

Ik heb een maag die zonder last, vier ellen wort verdraagt,
en ‘k drink alleen vier stopen bier, als mij de dorst wat plaagt.
Des zondags was ik burgerwacht, ‘k stond fier dàn als een paal,
en kort na~dien, geloof me vrij, was ik al korporaal.
Zelfs mocht ik ‘t peerd des generaals vasthouden bij de toom,
terwijl dat hij voor een moment, ging staan bij ene boom.

Ik heb een stem gelijk een klok, en ‘k zing tot d’hoge Re,
maar ‘k vraag geen honderd frank per lied, lijk mijne vriend Noté.
Eén glaasje bier is ruim genoeg, ofwel ’n flesje wijn,
maar als gij dat malgré toch wilt, mag het champagne zijn.
Laatst zong ik in het Volkspaleis, mijn bijval was zo groot,
dat men naar mij met appels wierp, zelfs met een tafelpoot.

Partituur * Ik stoef daar niet mee *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Treurlied op de gruwelijken moord te Merxem (1908)

Geplaatst door Johan op 3 januari 2019 in liedbladen, liedboeken, liederen, Over Moord & Rampen |

In “Van Zingen en Speule nr. 19” publiceerde Harrie Franken een moordlied, afkomstig van een liedblad van Frans Van Kets (1862-1944), geboren in Aarschot maar verhuisd naar Antwerpen, die meestal optrad samen met zijn echtgenote Maria Van Gestel (°1865 te Diest ). Franken merkt op dat Van Kets naar eigen zeggen nooit een liedjestekst heeft geschreven, die liet hij kundig vervaardigen door Pierre Bauwens (°1873 te Brugge  +1936 te Antwerpen). En als muziek nam hij een compositie over van “Mevr.  Ellegiers”, geboren te Londerzeel als Maria Christina Jacobs op 27-10-1873.

De treurige moord vond plaats op 2 december 1908 in Merksem en we vonden een uitvoerige beschrijving in een krant uit Roosendaal

Tekstschrijver Bauwens heeft allicht meerdere van die krantenartikels gelezen en verwerkt in een pathetisch lied dat door het echtpaar Van Kets-Van Gestel en hun dochters smartelijk werd gezongen. De muziek kwam van het minstens even treurige lied “De stervende jongeling” dat we onlangs publiceerden op deze site.

Treurlied op de gruwelijke moord te Merxem

Een moord zonder weerga, vol gruwel en wreed
werd heden te Merxem bedreven.
‘t Was geldzucht weeral die zo handelen deed,
de moordenaarsstal deed herleven.
Een schamele vrouw werd verrast en vermoord,
ja vrees’lijk verwurgd met een koord.
Men had haar de handen gebonden,
haar gans overladen met wonden!

Dood mij niet! Mijn geld zal ik geven!
Riep zij uit, ach, laat mij het leven.
Gij doet mij schrikkelijk lijden,
laat mij los, wilt mij bevrijden!

De man was voor zaken naar Holland toe heen,
dit moesten de schurken wel weten,
het slachtoffer was er moederziel alleen,
zij hebben zich op haar gesmeten!
De vrouw was aan ‘t werk, en werd heim’lijk verrast,
zij bonden heur handen dan vast,
en wurgden haar zonder meedogen
zij smeekte, de tranen in d’ogen:

Hartroerend was’t, toen d’arme man plots vernam
de gruw’lijke moord op zijn vrouwe,
wanneer hij, vol wanhoop, naar Merxem toe kwam
en ‘t alles hij zag in den rouwe.
De huisraad, de kleren, het al lag dooreen,
zijn vrouw, die hij minde, was heen!
Zij werd hem zoo plotsling ontnomen,
was wreed aan haar einde gekomen.

Het slachtoffer was er een nog jonge vrouw
door al, die haar kende geprezen,
daarom is eenieder vol spijt en in rouw
de stemme der wraak is verrezen!
De arm der gerechtigheid zoekt in het rond
hij snakt naar den duivelssen hond,
die vreeslijk die vrouwe deed lijden
en schrik onder ‘t volk kwam verspreiden.

Het volk verontweerdigd, het schuilde bijeen,
gebuur en familie, zij treurden,
en al hun gekrijs, hun gekerm en geween
verergert het vreeslijk gebeurde!
Eenieder die buigt, wen de lijkstoet gaat heen
‘t is niets dan gezucht en geween.
O! Kon men de moordenaars vinden!
Het volk zou ze weldra verslinden!

Mocht ‘t gerecht de moordenaars treffen!
Dan zou zich een wraakkreet verheffen,
Mochten zij niet blijven lopen
Dat is ‘t geen allen verhopen.

Partituur * Treurlied op de gruwelijke moord te Merxem *
      1. instrumentaal


De moordenaars werden uiteindelijk geklist en een paar jaar later veroordeeld

“De Volksstem” 14 juni 1910

Over deze moord werden nog andere liederen geschreven. Twee voorbeelden:

SCHRIKKELIJK DRAMA TE MERXEM

(geen vermelding van zangwijze)
Wat ziet men hier toch op aard’ niet gebeuren?
’t Is ijsselijk wat men hier ziet ontstaan!
’t Is niets dan ramp, niets dan moord en malleuren
Luistert wat wreedheid hier weer is begaan.
Hoe wreed komt men eene vrouw hier te dooden,
Zij viel daar neer op de straat gansch bebloed
’t Is ijsselijk wat men komt te aanhooren,
Zoo iets is wreed, zoo ’n daad is ongehoord.

leder had medelij
Met de arme Vrouwe,
Die in smarten en lij
Met de handen gevouwen.
Acht smeektte zij nog teer
Wie kan mij nu nog helpen?
Ik die niemand misdeed,
Ach, wilt mijn smarte stelpen.

Zij bracht er d’arme vrouw van het leven,
Door de geldzucht die zij in ’t harte droeg, ‘
Zoo ’n daad deed hier verschrikken en beven
En den hebzucht die haar ziele bedroog.
Het slachtoffer viel onder haar neder
Bebloed lag zij uitgestrekt op de straat
En zuchtte met eene stem nog teeder:
Dat is voor ’t goed dat ik hier deed op aard.

Uw straf die zal hier op aard’ niet onvlieden
Gij die een arme vrouw van ’t leven brengt,
Is dat het loon dat gij hen komt te bieden,
Aan hen die u door mildheid ’t hunne schenkt.
Gerechtigheid zal zich laten toonen,
Op tij en stond het zal u niet ontgaan,
Een spreekwoord zegt: «Werken naar loonen»
Schrikt op den dag dat gij voor God zult staan!

Audiffrei, Martin, Paliugbrug, 6
Drukkerij F. Van Doeselaer, 21, Molenaarsstraat

Lied van ’t Proces der Wreede Moord te Merxem

(op de wijze van “De kleine bedelaar”)

Wie kan er zoo een gruwe daad vergeven
Zoo sprak het volk op die laffe moord
Voor hem die zoo een arme vrouw dood
Hij die haar bracht zoo wreed van ’t leven

Wat droeve tijden komt men te aanhoren
Wat wreede stonden komt men te doorstaan
Hoe laf kwam men een vrouw te vermoorden
Wat ziet men hier op aarde niet begaan
Door diefstal ontnam men haar laf het leven
Het monster was door ieder goed gekend
Wie kan zoo’n gruwel zoo’n daad vergeven
Ieder mens sprak met ’t harte gans beklemd.

Wat ziet men niet door diefstal soms gebeuren
Niet dan door ’t geld is weer deze gruwe daad
Wat smart en wêe, wat lijden en malheuren
Gebeurt hier niet door monsters op dees aard
Waarom moest men nog dooden en vermoorden
Is het uit bloedzucht, of is het uit wraak.
Waarom onschuldig bloed vergoten
Is het uit lafheid, dans is’t uit verraad

Een kreet klonk in het hart uit ieders monden
Als men den dader van die daad vernam
Den blik schier van elk mens die verstomden
Als men wist van wie die wreede moord kwam
leder splak in zich zelf ingetogen
ZOu hij het zijn, hij is alom gekend
Zou hij het wezen, wie kon het gelooven
Men wachtte steeds met het harte beklemd.

’t Gerecht schonk hem een kerker tot genade
Het was hij toch, het monster van die moord
Waar ieder zich dan zelfs eens afvraagde
Zou hij het zijn die ene vrouw heeft gedood
Geen medelijden is voor hem op aarde
Die zo een schelmstuk dierf te begaan
Wat schatte hij zijn evenmens van waarde
Wat zag men door hem hier op raad begaan

Heist op den Berg, verzameling R. Lambrechts

Tags:

Auteursrecht © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com