0

Dan is ’t Jan

Geplaatst door Johan op 14 februari 2019 in cahiers, liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

De Brusselse cabaretier – café chantant zanger Mathieu Dekemper hebben we hier al meermaals vernoemd. Niet omdat zijn liedjes zo uitzonderlijk goed zijn naar de huidige normen, maar wel omdat zijn creaties opduiken in liedjesschriften overal rond Brussel en ver daarbuiten. Hij had er dus zeker succes mee en volgens de partituren die hij in eigen beheer uitgaf, leverde hij liedjes aan vele “bekende vedetten” uit het begin van de 20e eeuw, voor ons meestal nobele onbekenden die niet op 78-toerenplaten terug te vinden zijn: Kleine Jan, Désiré, Duo de Petter, Duo Geo-Gits, Michelo, Jean-Jean, Henriot, Venolo, Gerard Fifi, Piccolo, Jantje, Maki, J. Roland, Kleine Jef, Pen Melchior, Duo John Zei, Duo Emillios, Kindermans, Pageoll, Jean Dorex, Pèncus, Berardini, Pietje, Achille, Joannis, Giil’s  … Voor de muziek deed hij beroep op componisten als August Eenhaes, Ad. De Landtsheer, P. De Backer, Andrini, Ch. Bens, W. Alove

Het lied “Dan is ’t Jan” kwamen we voor het eerst tegen in de geschriften ons bezorgd door Marcel Carels zaliger, met mank lopende muzieknotatie, waarschijnlijk genoteerd van een minder goede voorzanger. Pas veel later kregen we van Els Taelman een boek met ingebonden oude partituren ter inzage – een familiestuk afkomstig uit Gentbrugge – met daarin verscheidene werkstukken van Dekemper. Ook “Dan is ’t Jan”.

De Jan in het lied is nog maar pas getrouwd en ondervindt tot zijn verbazing dat mevrouw hem al snel begint te commanderen als hij het een beetje te kalm aandoet. Dan was het vrijgezellen leven feitelijk toch nog zo slecht niet …

Dan is ’t jan

De dag dat ge trouwt dan hebt ge veel plezier,
maar past op voor d’ander dagen.
Zie ik ben getrouwd nog maar een maand of vier,
maar ‘k zal het mijn leven lang beklagen.
De mijn was juist een begijn,
g’hadt ze wel d’heilig olie gegeven.
Maar sinds dat wij getrouwd zijn,
nu zou ik ze wel kunnen vergeven.1
Haren snuit moet altijd gaan2
van ‘s morgens als ik opstaan.

Dan is’t “Jan!
Blijf niet liggen toe staat op wilt u generen!”
Dan is’t “Jan!
Neem de borstel” en dan doet ze mij uitkeren.3
Dan is’t “Jan,
ga om koffie en om brood blijf niet traineren.”
Dan is’t Jan, altijd Jan,
ze kan commanderen,
‘k zal ervan uitteren.
Dan is’t Jan, altijd Jan,
wel als ze zo blijft wor’k’er onnozel van!

Ja, mijn vrouw is braaf en z’is voor geen toilet,
dat er geen beter kan wezen.
Ge kunt ze niet vinden als thuis in haar bed
mee gazetten en boekskes te lezen.
‘k Heb een vrouw in porcelein
z’heeft schrik van heur handen vuil te maken,
en z’is zo lui als een zwijn
wanneer zal ik daar van af geraken.
Als madam heeft iets vandoen
moet’k dat doen tussen de noen.

Dan is’t “Jan!”
Nadat ze mij al van alles heeft verweten.
Dan is’t “Jan,
maakt een tasje chocolad’ dat ik kan eten”
Dan is’t “Jan,
ik word ziek” zie dien dag zal ik nooit vergeten
Dan was’t Jan, ach God Jan,
z’had heur overeten
en z’had heur bescheten
dan was’t “Jan, och God Jan,
draagt de pot eens weg,” z’had er den afgang van.

Zie het Zondags is ‘t altijd hetzelfde spel
neen, dat kan ik niet verdragen
als ‘k denk blijven te slapen dan ben ik wel,
dan begint ze mij maar eerst te plagen.
Zie als dat venijn begint
zij is goed voor mij iets doen te krijgen4
dan nijpt z’in ‘t gat van dat kind
op den duur wil dat kind niet meer zwijgen
‘k Moet opstaan op één twee drij
ziet ze gaat ne gang met mij.

Dan is’t “Jan,
gaat melk halen voor de klein, gaat hier maar neven.”
Dan is’t “Jan,
de klein heeft gekakt g’hebt zo lang weggebleven.”
Dan is’t “jan,
hebt gij al ’t kind zijn gatje afgewreven?”
Dan is’t “Jan, wilt ge Jan,
proper doeken geven”, ik blijf zo niet leven,
dan is’t Jan, altijd Jan,
jongmans trouw toch niet en blijft liever jonkman!


1 Vergiftigen, niet “schulden kwijtschelden” …
2 ze zwijgt gene minuut
3 de vloer schoonvegen met een borstel (en het vuil de deur uitkeren)
4 ’t is om ziek van te worden

Partituur * dan is ’t Jan *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Julia, de onbekende vluchtelinge

Geplaatst door Johan op 5 februari 2019 in cahiers, liedboeken, liederen, WOII |

Jan Huyghe plaats in zijn “Volksliedonderzoek in Groot-Veurne.” een lied dat hij bekwam van Elise Cooren. Wij vonden “Julia, de onbekende vluchtelinge” ook terug bij Tamboer, zodat we veronderstellen dat hij de tekst bedacht. Het werd gezongen op een door Tamboer meermaals gebruikte melodie: “Souviens-toi”, een franse interpretatie van “Call Me Back, Pal O’Mine” van Harold Dixon (©1921 Dixon-Lane Music, Chicago.) Geen gemakkelijke melodie maar wel meeslepend.

Het gaat over een oorlogsweeskind dat alleen haar voornaam kent “Julia”, maar dat was niet genoeg om de resterende familie terug te vinden. Ze is nu zestien jaar, weet niet of ze van rijke komaf was of niet en voelt zich eenzaam en verlaten. Het trauma dat ze vader en moeder voor haar ogen zag vermoorden en in brand steken heeft allicht haar leven verwoest.

Wij leerden de melodie kennen na opzoekingen voor een ander lied van Tamboer: “Over het in stukken gesneden lijk te Brussel“. Brrr…

Julia, de onbekende vluchtelinge

Toen ik was nog een kind,
door mijn ouders bemind,
kwam de oorlog met al zijn gevaar
Aan het westelijk front,
moest eenieder terstond
vluchten gelijk een hond.

Nu ben ik gans alleen,
in mijn smart en geween,
‘k heb noch vader of moeder, o neen.
In de vlucht ongehoord
werden beiden vermoord,
door den vijand het harte doorboord.
Onbekend en verplicht
moest ik naar een gesticht
niemand kende mij op het gezicht.
En de naam die ik droeg,
gaf ik toen men het vroeg:
Julia, maar dat was niet genoeg.

Vuur en vlam in de lucht,
op de nacht onzer vlucht,
‘k weet het goed al was ik nog zo klein.
Schoten van een geweer,
vader, moeder viel neer
en ik weende zo zeer.

Bij het vroeg morgenlicht
kreeg men mij in het zicht,
en ik werd naar een klooster gedaan.
Wijl mijn ouders tot schand’
door de laffe vijand
werden in ‘t vuur verbrand.

In dat leven gewend
blijf ik toch onbekend,
alhoewel dat ik ben zestien jaar.
Was ik rijk van geslacht,
of van ander gedacht
toch doe ik mijn beklag.

Partituur * Julia, de onbekende vluchtelinge *
      1. instrumentaal (met intro)

Tags:

0

Wezenklacht (op ’t sombere kerkhof)

Geplaatst door Johan op 3 februari 2019 in cahiers, liedbladen, liedboeken, liederen, Over Armoede & Drank, Over Liefde & Verdriet |


Dit lied is te vinden op liedbladen vanaf minstens 1850 tot en met 1950, vooral in Nederland. Gedurende meer dan 100 jaar was het een succes bij markt- en straatzangers en het is ook meermaals terug te vinden in liedjesschriften. Bij de heer Putman kreeg het in zijn liedjesboek de titel “Weezenklacht”
Harrie Franken kwam het meermaals tegen. Hij schrijft (circa 1980):

Dit sentimentele lied was erg populair tot in het midden van deze eeuw. Op veel plaatsen kon ik het optekenen: in Uden, Gilze, Gemert, Ulicoten, Herenthals, Leende, Reusel, Someren, Antwerpen, Boekel, Best, Wintelre en Duizel. Het was een van de bekendste liederen in onze streek, ja in heel Nederland. Bovendien vond ik het op verschillende liedblaadjes. Eigenaardig genoeg kon ik de melodie slechts zelden noteren; de informanten, die het lied in hun liedschrift hadden opgenomen, vertelden me dat het een oud lied was, maar dat ze de melodie niet kenden. De hier gegeven melodie werd me voorgezongen door Cees Jansen uit Wintelre.

In de Nederlandse Liederenbank komt het lied(blad) dus ook meermaals voor en zij publiceerden eveneens een achttal veldopnamen waarbij het lied uit het geheugen werd nagezongen.

Het gaat nog maar eens over een onfortuinlijk meisje wiens vader en moeder zich doodgewerkt hebben. Zij is hulpeloos, radeloos en uitgehongerd en zoekt naar haar moeder voor troost en bijstand. Op het kerkhof waar de moeder begraven is probeert de doodgraver het meisje te redden. Maar uiteindelijk sterft het kind in zijn armen en zo was het dan toch bij hare moeder geraakt …

Wij hebben de verschillende teksten en melodie-varianten gecombineerd tot onze versie.

Weezenklacht

Op ‘t somb’re kerkhof zekere nacht
zag men een meisje knielen
Wijl vlokjes sneeuw zo stil, zo zacht
op ‘t aardrijk nedervielen.
De graver ging het kerkhof rond
en toen hij ‘t meisje biddend vond,
O geef mij, albehoeder.
Wat doet gij meisje hier zo laat?
Er is geen mens meer op de straat.
Ik vraag aan God mijn moeder.

‘k Dwaal hopeloos straat op, straat neer
Moest het mijn moeder weten
Zij keerde wis wel spoedig weer
‘k Heb nog vandaag niet g’eten
Ik vroeg aan gindse deur wat brood,
men lachte, spotte met mijn nood
Men joeg mij van hun trappen
Dat was de hulp die men mij gaf
O man ontsluit dit dierbaar graf
‘k Wil bij mijn moeder slapen

‘k Mocht in een vriendelijk vaderwoord
helaas mij nooit verblijden.
Door zwoegen werd hij vroeg vermoord,
ben ik van haar gescheiden
Die eind’loos werkte voor haar kind
Ze heeft mij toch zozeer bemind
‘k Moet haar voor altoos derven
Zij blikt nu zeker op mij neer
O God, schenk mij mijn moeder weer
Of laat mij liever sterven

De graver hief ze van de grond
naar zijne woning henen
Een zucht ontvliegt uit ‘t meisjes mond
Hij hoort het niet meer wenen
Maar ‘t is alsof hij ‘t laatste woord
Van ‘t biddend stemken immer hoort,
O geef mij, albehoeder.
De vrouw ontving het in haar schoot
Te laat helaas! Het was reeds dood.
Het was bij hare moeder

Partituur * Wezenklacht (op ’t sombere kerkhof)*
      1. instrumentaal

Tags:

0

Sjarel heeft dat gedaan

Geplaatst door Johan op 21 januari 2019 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Kluchtlied van een onbekende auteur. Willy Lustenhouwer nam het op in zijn “Geschiedenis van het café-chantant” maar rept zoals gewoonlijk met geen woord over de vindplaats.
Sjarel is de pineut, de onschuldige dommekloot die van alles de schuld krijgt. In strofe 3 blijkt dat dit niet altijd geheel onterecht was, maar meestal wel.

Sjarel heeft dat gedaan

649 [AC] onbekend

Ik ben te beklagen,
ja, dat is toch iet.
Ik zal het u zeggen,
uitleggen subiet.
Toen ik nog een kleine jongen was,
blijf mij verstaan,
dan mocht er niks gebeuren of ikke had dat gedaan.

Oh ja, ‘t was Sjarel, Sjarel heeft dat gedaan.
Zo riepen alle mensen,
is dat niet kolossaal?
‘k Ben in ‘t ongeluk,
o ja, geloof me vrij,
d’r mag hier niks gebeuren
of ze steken het op mij.

Toen ik nog naar school ging, kreeg ik straf op straf,
Meester sloeg me altijd op m’n blote gat,
En als er ’n jongen in z’n broekske had gedaan,
dan riepen al de kinderen dat ik dat had gedaan.

Bij mijn moeder thuis was er iets uit de kast,
Zeven telloren rijstpap dat was toch kras,
zes had ik er binnen, en ‘k had ene laten staan,
en toch zei mijne moeder dat ‘k er zeven had opgedaan.

Mijn zuster ging vrijen met ’n ferm kadee,
om op haar te passen moest ik ‘s avonds mee,
maar de mensen zagen alsdat het spel was verbruid,
voor d’ere van mijn zuster riepen ze dan allen uit.

Partituur * Sjarel heeft dat gedaan *
      1. instrumentaal

Tags:

Auteursrecht © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com