0

De twee kaalkoppen (komisch duet)

Geplaatst door Johan op 19 september 2018 in cahiers, liederen |

Het was rond de eeuwwisseling 19e-20e eeuw niet ongewoon om in cabaret of revue een “komisch duet” voorgeschoteld te krijgen: 2 personen, al of niet van hetzelfde geslacht, vermomden zich in stereotiepe figuren en brachten een gedicht of een zangstuk waarbij ze beurtelings het verhaal vertelden en zongen.

We hebben een handvol partituren van dergelijke stukken gevonden, gedrukt in Nederland, maar we weten dat in Brussel, Antwerpen en Gent ook dergelijke kluchtige tweespraken werden opgevoerd. En die werden bijna een eeuw later nog steeds nagespeeld in kleine dorpszaaltjes op teerfeesten van verenigingen of tijdens familiefeesten, vooral bij trouwpartijen waar het de gewoonte was dat iedereen uiteindelijk uit de bol én over de schreef ging.

Enkele titels: “Wiesten en Tiesten in ’t hotel”, “Kamiel en Kamielken”, “Naar de Stratosfeer”, “De twee chauffeurkens”, “Op ’t bal masqué”, “De twee dandy’s”, “Zwikzwak en Dikzak”, “De drie oude besjes”, “Verliefd maar niet verloofd”, “Twee leuke voetballers”, “De twee artiesten”, “De twee geliefden” …

Rugzijde van een partituur van uitgever Ch. Bens, Brussel

Meestal bestonden die komische stukken uit een mengeling van zang en “spraak”, het waren mini-musicals als het ware, met veel gegesticuleer en onverwachte wendingen.

Een sketch die in ons land zeer populair moet geweest zijn is die van “De twee kaalkoppen”, uitgevoerd door twee mannen (of in man verklede vrouwen). We vonden een versie van de tekst terug in het liedschrift ons opgestuurd door Rosa Putman en in het boek “Anderlecht zingt zoals vroeger”. Van Marc Berghman kregen we nog een versie, opgetekend in Opwijk, met de melodie zoals hij die had horen zingen. En 12 jaar geleden (!) kregen we via mail een versie toegestuurd door Piet De Mulder uit Heverlee die het lied nazong zoals hij dat van zijn grootvader Albert (1896-1982), afkomstig uit de streek rond Geraardsbergen, had gehoord en waarvan de muziek vrijwel overeenkwam met de Opwijkse versie.

uit het liedschrift van Albert De Mulder

Geen van de vier had de originele partituur (die we zelf ook niet terugvonden) zoals die in Brussel werd uitgegeven. Elke versie was het resultaat  van mondelinge overlevering, uiteindelijk wel neergepend in een schriftje, wat enkele (kleine) tekstverschillen verklaart.

We hebben uit de vier versies de volgens ons meest plausibele tekstwendingen overgehouden en, zoals steeds, de partituur uitgeschreven en voorzien van begeleidingsakkoorden.
Niet dat ik verwacht dat deze welhaast verdwenen traditie van Bonte Avonden en Revues door deze bijdrage zal heropleven, maar je weet maar nooit …

Inhoudelijk vertoont dit duet overigens nogal wat overeenkomsten met “Het lied van de kletskop” van Brusselaar Jan De Baets, ook geschreven en uitgevoerd rond dezelfde eeuwwisseling.

De Twee Kaalkoppen

1. Sa vrienden lief, ge ziet hier nu
twee zeer voorname heren
2. die u hier salueren.
1. Ja mensen lief, ge ziet hier nu
een paar gezellen staan met ene volle maan.
2. Wanneer ge nu met ons niet spot
of met ons kruin niet houdt de zot
1. verneemt g’ons lot,
2. verneemt g’ons lot
1. Wilt g’ons niet storen, ge zult gaan horen
hoe ons dat kletshoofd werd beschoren,
2. Ja hoe we samen, Meneers en Damen,
zo aan een blinkend voorhoofd kwamen.

1. ’t Was in mijn jeugd, versta me wel,
‘k Studeerde voor notaris
2. geloof mij dat het waar is
1. Maar ‘k was ook vriend van drank en spel
2. zodat zijn studie ras hing aan den boord van ’t glas.
1. bij elk exaam kreeg ik een buis
2. en geld kreeg hij niet meer van thuis
1. dat was niet pluis
2. dat was niet pluis
1. door die malheuren ging ik aan ’t treuren
2. mijnheer notaris zat er deuren
1. en eer twee jaren verlopen waren
2. had hij ne knikker zonder haren.

2. Wat mij betreft, mijn hoofd werd kaal
doch niet van te studeren,
1. maar wel van te verkeren!
2. ja, van een erge liefdeskwaal
1. die hem zeer veel verdriet en wanhoop overliet.
2. Ik mind’ een meisje lief en fijn
1. en hij dacht ook bemind te zijn
2. maar ’t was maar schijn
1. ja, ’t was maar schijn
2. Mijn lief liep henen met Jan Verstenen
1. en zo liep hij met blauwe schenen
2. Mijn uitverkoren
1. had hem geschoren
2. daarvan heb ik mijn haar verloren.

1. Nu dat ge kent de historiek
en hoe dat we te samen
2. die kletskoppen bekwamen
1. Nu zeggen w’aan ’t geacht publiek
2. dat het ons niet spijt
1. dat wij ons haar zijn kwijt.
Ons hoofd is al wat proper is
2. en ’t blinkt precies gelijk vernis
1. Steeds glad en fris
2. steeds glad en fris
1. ‘t Zijn blote knieën, hewel ze dienen
2. om in den donker goed te ziene.
1. en zonder haren
2. ook geen gevaren
1. een vracht met beestjes te vergaren

2. Een kaalkop is gedistingeerd
en pretentieuze heren
zouden er een begeren
1. een kletshoofd wordt gerespekteerd
En wordt aanzien in ’t land
als man van groot verstand.
2. want ziet, in kamer of senaat,
geen hoofd die deelmaakt van de raad
waar haar op staat
1. Waar haar op staat
2. zo’n hoofd moet rekken een kale plekke
van aan de neus tot in de nekke.
1. Met zo een bolle, ’t is waar ten volle
speelt menigeen een grote rolle!

1. Een kletshoofd schenkt ook veel gemak
aan elk die bij ’t vermaken
een glazeke wil kraken
2. Want drinkt g’u vol met bier of kwak
g’hebt nooit geen pijn in ’t haar
of ’t hoofd is nooit te zwaar
1. of is er ruzie soms aan d’hand
een kaalkop sleurt men nooit met schand
bij ’t haar door ’t zand
2. bij ‘t haar door ’t zand
1. Dus Heren, Damen, ge ziet te samen
2. dat we ons niet hoeven te schamen.
1. En daarom moeten
2. wij ook niet boeten
1+2. Dus w’hebben d’eer van u te groeten

Partituur * De twee kaalkoppen *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De bende van Haezebrouck (1909)

Geplaatst door Johan op 5 september 2018 in cahiers, liedbladen, liedboeken, liederen, Over Moord & Rampen |

Op 26 juni 1908 werden de 4 Franse kopstukken van de “bende van Haezebroek”, alias “de bende Pollet” door het Hof van Assissen te Sint-Omaars ( Saint-Omer in Frans-Vlaanderen, nabij Cassel) veroordeeld tot de doodstraf en aangezien die in Frankrijk toen nog effectief werd uitgevoerd kwamen ze op 11 januari 1909 onder de guillotine terecht. Daar werden foto’s van gemaakt en die kwamen ook op vele liedbladen te staan waarop de wandaden van de bende uit de doeken werden gedaan.

De bende Pollet

In de “VLAAMSE VOLKSVERHALENBANK” kunnen we lezen wat men zich in de streek anno 1964 nog herinnerde van deze gruwelijke gebeurtenissen.

"De bende van Pollet vertoefde in spelonken in 't Vrijbos, net zoals de rovers van Bakelandt. Dat bos was 1100 hectaren groot.
Drie jaar lang was de bende van Pollet actief in Rozebeke, Langemark, Staden, Ieper, Houthulst, Klerken, Passendale, Voormezele, Vlamertinge, Poperinge en Dikkebus.
't Vrijbos strekte zich uit van Hazebroek tot Brugge. Aanvankelijk telde de bende van leider Abel Pollet maar acht rovers, maar later is ze uitgegroeid tot een bende van wel zestig man. Overdag gingen de vrouwen van de rovers leuren met borstels, veters, schoensmeer, enzovoort, om de huizen grondig te kunnen bestuderen ter voorbereiding van een inbraak.
Er waren ook jongens van een jaar of twaalf die overdag op verkenning gingen.
's Nachts trokken de rovers er op uit om te moorden."
"Abel en Gust Pollet waren allebei getrouwd en hadden bovendien een minnares. De bende van Pollet pleegde veel inbraken, onder meer in Ieper. In Violaines (Frankrijk) hebben de rovers drie mensen vermoord. Na dat bloedbad wasten ze hun handen en genoten ze van een uitgebreide maaltijd. Er bestond een liedje met als titel: 'Abel Pollet, Lapaire en consoorten'. De rovers van Pollet woonden in Hazebroek. na die drievoudige moord in Violaines werden de rovers snel opgepakt en veroordeeld in Frankrijk. De bende van Pollet was minder groot dan die van Baekeland."

Uiteraard stonden de kranten er vol van, één voorbeeld uit “Het land van Aelst”



Er werden 994 vragen aan de jury gesteld, er waren immers 27 betichten en nog meer bezwarende feiten: zowat 700 diefstallen, een 4-tal toegegeven moorden.

Deze artikels werden veel gelezen, geen wonder dat er op het eind nog een duurbetaalde reclamespot werd bij geplaatst!

 
Eén van de broers Pollet schrok zich een hoedje toen duidelijk werd dat de doodstraf – die ook in Frankrijk ter discussie stond – in hun geval ook effectief zou uitgevoerd worden! Foto’s van de netjes afgesneden hoofden stonden in de kranten én op de liedbladen van enkele marktzangers: ook de gezongen pers was niet vies van wat sensatie…

Er werden uiteraard meerdere liedjes over de lotgevallen van de bende gezongen, ten behoeve van de mensen die zich geen krant konden veroorloven of gewoonweg niet konden lezen.

Eén ervan werd gedicht door “Boerke” Waardichters, alias van drukker-uitgever Pieter De Windt (°1860 +1934) uit Stekene die meer dan één marktzanger van teksten voorzag. In dit geval reikte hij ook de melodie aan want die leende hij van het (toen) bekende  stichtelijke verhaal “Van Theophiel”, een man die in Pruisen op zoek was naar werk, daar door een valse herbergier en zijn vrouw een moord in de schoenen werd geschoven en de doodstraf kreeg, maar door zijn godvruchtig geloof in de Heilige Maagd Maria na 12 strofen van de galg wordt gered.
Ook het gedicht over “De roversbende van Hazebrouck” is 9 strofen lang, we hebben het voor eigen gebruik ingekort tot 4 strofen. Waardichters doet zijn artiestennaam geen eer aan want af en toe neemt hij een loopje met de waarheid. Zijn slotrefrein “De fransen met een stuk of tien, slaat men de kop af per guillotien” fantaseert er omwille van het rijm nog 6 onthoofdingen bij. Maar dat zijn details…

De bende van Haezebrouck

Een roversbend’ heeft gans deze streke
sedert een tijd in roer gezet
Moorden en roven, stelen, inbreken
zij zijn zo lang ontsnapt aan de wet
Hoe slim men dieft en moord bedrijft
Daar is toch niets dat duren blijft
Hoor eens hoe gans de roversbend
Door volk en wet eerst werd gekend

Hoor eens hoe gans de roversbend
Door volk en wet eerst werd gekend

Ja juist gelijk de Baekelandsbende
had zij haar leurders en spioens
die alles aan den hoofdman bekenden
om ene diefte of aanslag te doen
Zo leurden zij ten allen kant
in straat en huizen langs het land
En waar ze wisten waar zat geld
Stolen ze ‘s nachts dat met geweld

En waar ze wisten waar zat geld
Stolen ze ‘s nachts dat met geweld

Men vraagt zich af hoe toch kan gebeuren
dat zo’n bend tien jaar kan bestaan
eer zij daar iets of wat van bespeuren
daar zou ne mens toch stom van staan
Zeventien moorden ‘t is een schand
daar op de grenzen van het land
En d’echte daders zijn gekend
van dees afschuwelijke bend

En d’echte daders zijn gekend
van dees afschuwelijke bend

Allen zijn frans’ en vlaamse bandieten,
landlopers en luiaards van straat
die in ‘t verderf elkanderen stieten
denkt wat een straf hen te wachten staat
De belgen voor hun leven lang
Aan zware ketens in ‘t gevang
De fransen met een stuk of tien
slaat men de kop af per guillotien

De fransen met een stuk of tien
slaat men de kop af per guillotien

Partituur * De bende van Hazebrouck *
      1. instrumentaal

Een ander lied met als titel “De Onthoofding der Moordenaarsbende van Haezebroek” wordt door Julien De Vuyst in zijn boek “Het Moordlied in de XXe eeuw” aangehaald. Hij schrijft in een voetnoot dat hij het overnam van het boek “De roversbenden in Vlaanderen” (1968) door (Gerard) Simons en (Jack) Verstappen. Roger Hessel vond de tekst dan weer in een liedjesschrift en zegt dat hij de melodie kende via zijn moeder die het lied herhaaldelijk zong. Het werd ook in verkorte versie gezongen door de groep “Sinksenbruid” op hun LP “Sa vrienden hier bijeen” (1984). Niemand schijnt te weten wie het oorspronkelijk schreef en zong.

De Onthoofding der Moordenaarsbende van Haezebroek

Daar kwamen de berichten
Uit Frankrijk reeds aan
Dat men de vier booswichten
Het hoofd nu ging afslaan
Het was waar de moordenaarsbende
Van Hazebroek moest op ’t schavot
En zoo heeft toch alles een einde
Den oppersten rechter is God

De bende Pollet
is onverlet
’t Hoofd afgeslagen
En in dorp en stee
is ’t volk tevree
Niemand zal klagen
Die laffe barbaars,
die moordenaars
Zijn nu gestorven
Verdiend was hun straf
We zijn er voor goed van af

Het nieuws werd gauw vernomen
Als dat de guillotien
Van Parijs was gekomen
Elk liep er henen zien
Er waren veel duizende lieden
Van ’s morgens alreeds in de stad
Die kwamen om dat af te spieden
Niemand was er voor afgemat

De klok had ’t uur geslagen
De uur van hunne dood
De Rechter kwam opdagen
De stilte was nu groot
De Roo werd den eerste genomen
En gebracht tot bij het schavot
Zo onder het mes gekomen
’t Was gauw beslist met zijn lot

Den tweeden die moest volgen
Dat was Canut Vromant
Hij zag vergramd, verbolgen
’t Was Pollets luitenant
Hij werd op de wipplank gebonden
Zijn hoofd viel dan onder het mes
En zo was hun leven verzwonden
Mocht het voor het volk zijn een les !

August Pollet, den derde
Het was nu zijnen toer
Hij kwam nu ook ten berde
Elkeen die stond op loer
Hij had ook vele moorden ten laste
Hij stond daar met hart vol verdriet
De beulsknechten namen hem vaste
En spoedig was hem recht geschied !

De kapitein der bende
Werd het laatste onthoofd
Hij die geen medelij kende
Werd ook het leven beroofd
Voor die moorden en hun wreedheden
Hebben zij hun straf ondergaan
De menschen zijn nu allen tevreden
’t Is nu met die bende vergaan

      2. uitvoering door *Sinksenbruid* (fragment)

Tags:

0

De gelukkige echtgenoot

Geplaatst door Johan op 22 augustus 2018 in cahiers, liedboeken, liederen, Over Liefde & Verdriet |

In een liedverzameling uit de regio Kortrijk, ons recent bezorgd door Roos Putman en afkomstig van haar vader (1900-1971), vonden we ondermeer het verhaal van een gelukkig getrouwde man, onder de titel “Mijn vrouwke is het beste”

De melodie en een variante van de tekst vonden we ook terug in het “Iepersch Oud-Liedboek”, samengesteld op basis van eigen opzoekingen door Albert Blyau (1872-1946) met muzieknotatie van Marcellus Tasseel.

Dit lied is een unicum: een jongeman is voor de verandering eens tevreden over zijn echtgenote!

In tientallen oude liederen  worden echtgenotes opgevoerd als trouweloze, bedriegerige feeksen, met verborgen gehouden lichamelijke afwijkingen en met gedragsstoornissen. Kijk maar naar bv. “Het portret van mijn Charlotte” , “Dikke Jeannet van Bachten de Kuppe” , “Als een meisje spreekt van trouwen“, “Sapristie” , “Pas op voor de vrouwtjes“, enzovoort.

Houten klompen mét voering: ze bestaan nog in … Australië

Hier niet: de jongeman bezingt zijn paradijselijk leven met een jonge vrouw die werkelijk alles voor hem doet. Zij trekt zelfs helemaal naar Brussel om voor hem een paar warme, gevoerde klompen te kopen! Of hij zelf ook enige bijdrage levert in het huishouden komen we in het lied niet te weten.
We vragen ons dan verwonderd af of het misschien allemaal ironisch bedoeld is, maar aangezien het lied volgens Dr. Blyau van rond 1830 dateert en het door hem werd opgetekend bij zingende vrouwen en jonge meisjes, denken we dat het inderdaad een romantisch beeld moet brengen en tegelijk een overzicht van wat van een perfecte echtgenote werd verwacht …
Ha, die “goede oude tijd”!

Liedverzamelaar Albert Blyau was geboren in Gent maar verhuisde ambtshalve in 1908 op 36-jarige leeftijd van Ieper naar Tienen waar hij huwde en bleef voor de rest van zijn leven. Een eerste, onvoltooide versie van het boek met een handvol liedjes kwam uit in 1900 toen hij nog student was. Hij werkte er aan voort, ook na zijn pensioen in 1937 en het “volledige” werk met 234 liederen kwam er pas in 1962, vele jaren na zijn dood in 1946.

In de bespreking van de eerste beperkte uitgave van het “Iepersch Liedboek” schrijft Medard Verkest in 1898 in het “Tijdschrift van het Willemsfonds”:

"De liederen tekende hij op niet alleen te Ieper. maar ook te Poperinghe, te Passchendale, Moorslede, Zonnebeke en omstreken." ...
 "Het zijn dus kinderen. jonge meisjes, kantwerksters en vooral ouwe wijfjes, die de bouwstoffen voor de verzameling des Heeren Blyau geleverd hebben en opmerkenswaardig is het dat men in die weinig ontwikkelde, doch weldenkende wereld, nog zoveel liederen aantreft, die bepaald met de welvoegelijkheid of dé zedelijkheid overhoop liggen."

Dat valt in het relaas van “De gelukkige echtgenoot” geweldig mee.
Wij combineerden de teruggevonden teksten en pasten ze waar nodig aan om beter de melodie te respecteren.

De gelukkige echtgenoot

Komt vrienden, luistert, ik zal ‘t hier verklaren,
ik ben nog maar een drie maanden getrouwd
al met een vrouwke van zeventien jaren,
is zij wat jong, het is een brave vrouw.
Van ‘s morgensvroeg kent zij mijne manieren
zij brengt een dobbele maat naar mijn bed
en als dien uit is zal zij niet mankeren,
de koffietafel heeft zij reeds gezet.

En als dien uit is zal zij niet mankeren,
de koffietafel heeft zij reeds gezet.

En als ik thuiskom rond de twaalef uren,
mijn stoel is al bij de stoof geplaceerd,
zij staat mij af te wachten bij de deure
dat is een vrouwtje dat mij estimeert!
Droge patatten die moet ik nooit eten,
er is altijd nog wat vlees of wat vis.
Een liter Faro zal zij nooit vergeten:
op mijne tafel is’t altijd kermis.

Een liter Faro zal zij nooit vergeten:
op mijne tafel is’t altijd kermis.

Des avonds nadat wij zijn gaan souperen
maakt ze een kruik met warm water gereed.
Zij komt dat aan mijne voetjes placeren,
vrienden dat maakt mijn matrasse zo heet.
Kom ik te slapen al bij mijne vrouwe
en is het koud dan kruipt zij dichterbij
al vroos’t zo hard, ik gevoelde geen koude
dat vrouwke doet er zovele voor mij.

Al vroos’t zo hard, ik gevoelde geen koude
dat vrouwke doet er zovele voor mij.

Op carnaval ging ik er naar de kerke,
ik kwam zat thuis en ze zij niet één zier.
Wijl zij meteen aan mijn botjes ging werken
viel’k op mijn gat wel ne keer of drie vier.
Maar toen begon ze op mij niet te kijven,
neen, ‘t was contrarie, ze lachte daarmee!
Bij zo een vrouwke wil ik altijd blijven,
er zijn geen betere in onze stee.

Bij zo een vrouwke wil ik altijd blijven,
er zijn geen betere in onze stee.

Zij kwam mij ‘t laatst een paar klompen te halen
omdat ik kou aan mijn voeten had gehad
waarvoor ze zestien en half moest betalen
in de Scheepstraat, in de Brusselse stad
Dat waren blokken met vellen van binnen,
ik was kontent als ze die aan mij gaf.
Dat vrouwke zal ik voor eeuwig beminnen,
sterft zij dan ga ik met haar in het graf!

Dat vrouwke zal ik voor eeuwig beminnen,
sterft zij dan ga ik met haar in het graf!

 

Partituur * De gelukkige echtgenoot *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De doodgewaande man

Geplaatst door Johan op 8 augustus 2018 in liedbladen, liedboeken, liederen, Wereldoorlog |

Op de 19e eeuwse melodie “Au plaisir des bois” schreef Frans Jacobs (1888-1973) een tekst over een typisch na-oorlogs probleem: de terugkeer van een soldaat die eigenlijk als gesneuveld was geregistreerd. Tamboer1 maakte na WO II een gelijkaardig lied als “Hij kwam terug“, bij Jacobs gaat het over een gebeurtenis na WOI. Beiden hadden geen specifiek geval voor ogen – naam noch plaats worden genoemd – maar het is duidelijk dat er inderdaad meerdere dergelijke drama’s plaatsvonden.

De melodie is ook bekend als “Waldenlust” of “Waldeslust” (in Duitsland) en “Woudenlust” (in Vlaanderen en Nederland) maar waar ze precies vandaan komt heb ik niet kunnen ontdekken. Wel dat ze gekaapt werd door een aantal auteurs uit de entourage van accordeonist André Verchuren, waardoor er bij plaatopnames uit de Sixties ineens componisten worden vermeld als Roger Vermeer alias Francis Baxter en Jacques Vatty alias Jean Grelbin.

In een oud verzamelboek voor accordeonisten “Alles in Einem” (1937) wordt bij dit lied vermeld dat het als “volkslied” gekend was in het Kinzigdal (1882) en in het Rijnland (1891). Toen waren de hierboven vermelde “componisten” nog niet geboren. Wij beschouwen de melodie dus als “public domain” en vrij van auteursrechten.

Aanvulling 10-8-2018
Roger Hessel reageerde per e-mail en merkt op: ” In de jaren dertig bracht Willy Derby een 78 toeren plaat uit, waarop hij het lied “Kleine Vogelijn” zingt. Dat is dus identiek aan “Aux plaisirs des bois”, met dat verschil dat Willy Derby daarbij ook een couplet zingt. Wat wij dus kennen als “Waldenlust” neemt hij in dat lied als refrein, en breit hij daar dus een couplet aan.”

Dat klopt. Op een (ongedateerde) 78-T plaat zingt Derby aan de ene kant de overbekende “Koekoekswals” en op de keerzijde het lied “Vogelijn”, waarbij de allicht door hem bedachte melodie voor de strofen het walsend karakter van het lied sterker moet benadrukken. Derby eist het auteursschap voor de melodie niet op maar vermeldt wel dat de tekst werd geschreven door Ferry (van Delden)

 

De doodgewaande man

Na vier jaren rouw
kreeg de weduwe vrouw
enen man den tweede maal
en leefde ‘t is waar
als gelukkig paar
ongestoord al negen jaar

Op ene zeek’ren dag
Trof haar een wrede slag
Zij werd bijna krankzinnig in ‘t verschiet
Haar eerste man voorwaar
Wiens graf zij nog beweende daar
Was er in leven want hij stond voor haar!

Jaren had zij toen
getrokken pensioen
van haar doden echtgenoot
En haar tweeden man
schonk er nu welaan
drij kinders in ‘t leven dan

Bedekt dienen stond
dat zij ondervond
als dat nieuws kwam aan het licht
Ja haar echtgenoot
die men waande dood
zag zij levend in ‘t gezicht

Als hij nu de man
hoorde, aangedaan
dat zijn vrouw niet meer was vrij
sprak hij vol geween
‘k heb geen vrouw niet meer
nooit ziet men mij hier nog weer!

Partituur * De doodgewaande man *
      1. instrumentaal (met intro)

1 Tamboer, alias van Lionel Bauwens, werkte nauw samen met Frans Jacobs en kende ook de melodie van “Waldelust”: hij schreef er minstens 9 liedjes op.”De arme werkman”, “Vergeet de werkloze niet”, “Het kind van den werkloze”, “Ik min u niet meer”, “De gevangen sterveling”, “Vierde vervolg van De verborgenheden van Beernem”, “De gruwelijke misdaad te Brugge”, “De gruwelijke roofmoord te Gent” en “Het bloedig moordtoneel te Kortemark”

Tags:

Auteursrecht © 2000-2018 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com