0

Koop, koop mijn bloemen

Geplaatst door Johan op 24 mei 2017 in cahiers, liederen, Over Armoede & Drank, Over Liefde & Verdriet |

Annet Hogenhout reageerde op ons relaas over “Het bloemenmeisje” dat we in oktober 2012 publiceerden en schreef ons :

“Hierbij de tekst van het bloemenmeisje, zoals mijn oma Willemsen het, als winkelmeisje, in haar liedjesschrift begin 20e eeuw heeft opgetekend te Breda. Dit liedje heeft een positief einde. Dat is ook wel eens een keer leuk en bijzonder tussen alle smartlappen die slecht aflopen…”.

fragment uit het liedjesschrift

En Annet was zo vriendelijk ons ook nog een bandopname te bezorgen, gemaakt in 1981, waarbij haar hoogbejaarde oma het liedje voorzong zoals zij zich dat herinnerde.

Wij laten u meeluisteren naar de eerste strofe:

      Het bloemenmeisje - opname 1981

In de 2e en volgende strofen wordt het deugdzame meisje lastig gevallen door een rijke heer die denkt dat haar bloemenverkoop slechts een dekmantel is voor prostitutie, maar hij vergist zich deerlijk. Hoe hij ook aandringt, het meisje maakt hem duidelijk dat zij alleen échte bloemen verkoopt, en dit om haar arme moeder en noodlijdende broertjes en zusjes bij te staan. Uiteindelijk is de man zo ontroerd (en verliefd) dat hij aanbiedt om het gezin uit de nood te helpen, in de hoop dat ook zij uiteindelijk verliefd zal worden op hem…

De melodie doet ons qua stijl denken aan die van “De verleider (alias “De blanke slavin“)”, en ook een beetje aan “Mijn kleine piot“, beiden uit de 2e helft van de 19e eeuw. Wij vermoeden dat ook dit lied stamt uit die periode. Het moet redelijk bekend zijn geweest want we vonden 2 andere, recentere liederen, die duidelijk geïnspireerd zijn op de lotgevallen van dit bloemenmeisje.


bij Willy Lustenhouwer in de “Geschiedenis van het café-chantant”,

op de melodie van “Het werkmansloon” en waarvan de tekst wordt toegeschreven aan Jef Van Zoom

Koop mijn bloemen brave lieden,
zie hoe schoon en fris dat ze zijn,
Mag ik u die roos aanbieden?
Ofwel deze bloemenruiker fijn?
Men vindt ze zelden in de lente,
want in die tijden dan zijn ze raar,
Zij kosten enkel maar vijf centen,
O wees zo goed en koop ze maar.

Refr.
Dat bloemenmeisje is een lief sijsje,
zij bevalt mij, ‘k laat haar niet gaan.
Wil mij eens even een roosje geven,
dat ’t beste op mijn jas zal staan.
Mijn liefste ratje, ge zijt een schatje,
ziehier het geld voor een boekee,
Mag’ ik u vragen, zonder te plagen,
of u met mij gaat mee?

O mijnheer wil mij vergeven,
ik versta uwe woorden niet,
G’hebt mij twintig frank gegèven,
en u teruggeven kan ik niet.
En ik moet nog de stad doorlopen,
O geef me spoedig alleen vijf cens,
Want ‘k moet nog elders gaan verkopen,
veel geld verdienen is mijn wens.

Refr.
Wel lief kapoentje, geef mij een zoentje,
en ik geef u nog wel wat bij,
Een liefdekusje van u mijn zusje,
dat maakt mijn harte weder blij,
Waarom mij schouwen, mijn lieve vrouwe,
daar ik u mijn harte aanbied,
Laat mij u kozen als deze rozen,
O verstoot mij nu niet.

Nu mijnheer wilt mij aanhoren,
kom en neemt uw geld maar rap weer,
Mijn hart kunt ge niet bekoren,
ik min maar alleen in liefd’ en eer,
‘k Verkocht u enkel mijne bloemen,
maar nimmer verkocht ik eens mijn hart,
Ik wil hier niets voor u verbloemen,
maar thuis wacht mij verdriet en smart.

Refr.
Ik wil niet tarten al uwe smarten,
neem dat geschenk nog van mij aan,
Want uwe bloemen die mag men roemen,
blijf hier, O wil niet henen gaan.
Ja vol vertrouwen, moogt ge dit houwen,
al schenkt ge mij uw hartje niet.
Maar zeg eens sijsje, lief bloemenmeisje,
waarom hebt ge verdriet?

Wij zijn thuis wel met ons achten,
en de armoede is dus groot,
Niemand luistert naar onz’ klachten,
wanneer we daar zitten zonder brood,
o mijnheer wil het mij vergeven,
gij redt ’t gezin van de hongersdood,
Ik ga hun spoedig dit geld geven,
nu hebben de kinderen brood.

Refr.
‘k Wil het gedogen, z’heeft niet gelogen,
want in haar oog blonk er een traan.
‘k Aanzag dit meisje voor een licht sijsje,
maar ‘k had de bal gans mis geslaan.
Ik ben tevreden dat die vrouw heden,
op mijne weg mij werd geleid,
Ik was een vleier en een verleier,
maar deed liefdadigheid.

Bij Tamboer als “Roosje, de liefdesbloem”,

melodie niet vermeld, en zonder “happy end”, dat vond Tamboer in de crisisjaren rond 1930 allicht niet gepast…

Een jonge meisje ziet men leuren op de baan
Lief en schoon is zij maar toch zonder bestaan
Zij verkoopt haar bloemen fijn aan iedereen
Maar eenen rijken heer,
die sprak tot haar zoo teer

Refrein:
Roosje ik deel uw smart
Verkoop liever uw hart
Gij zijt te schoon om te leuren op de straat
Hoort mij aan, wilt verstaan
Ik geef u geld en goed
Als gij mijn wil voldoet
Laat mij u minnen en wilt de mijne zijn
Roosje lief, harte dief.

Gij lieve meisje wat zult gij gelukkig zijn
Want voor u gevoel ik vele liefdepijn
Nog zoo jong en als een ongelukkig kind
Wordt gij hier misschien
door niemand niet bemind

Roosje die liet zich niet meer plagen door dien heer
En zij sprak ik schenk u mijne liefde weer
Zij dacht niet meer aan haar bloemen en haar hart
Maar zij hoorde nog
de stemme van bedrog

Weinige tijd die was vervlogen sedert dien
En haar verleider was er nu niet meer te zien
Weenend nog zuchtte ’t meisje stille vol verdriet
Met zijne valsche schijn
bracht hij mij in de pijn

In het origineel (?) gaat het er dus wel wat romantischer aan toe, want zoals in stationsromannetjes of in boeken voor pubermeisjes uit de vorige eeuw, duikt er een rijke, oudere heer op die het arme, doch zeer deugdzame jonge meisje redt uit de nood.

We hebben de melodie naar best vermogen geïnterpreteerd en georchestreerd en de tekst waar nodig bijgewerkt om 1 en dezelfde melodie te behouden voor alle strofen. Oorspronkelijk werden dergelijke liederen zonder muzikale begeleiding gebracht en schrikten de zangers er niet voor terug in elke strofe naar eigen goeddunken woorden toe te voegen en de muziek aan te passen. Wij proberen er terug een strakker schema van te maken, zodat het begeleidingsorkest de tel niet kwijt geraakt …

Het bloemenmeisje

circa 19e eeuw, auteur onbekend.

“Koop, koop mijn bloemen lief en schoon
ziet eens hoe geurig fris ze zijn”,
zo roept een schone jonge maagd
en biedt haar bloemen groot en klein.
Ja, schoon is zij, zoals zij daar thans staat,
met marmer bleek gelaat en fijne zachte lokken.
Haar handjes klein, haar oogjes lief en zacht
waaruit droefheid en smart u tegenstralen.
Maar telkens klinkt op droeve toon:
“Koop, koop mijn bloemen lief en schoon
zie eens hoe geurig fris ze zijn,
koop slechts één enkele bloem van mij”

Maar opeens daar nadert een heer,
zij biedt bedeesd een bloem hem aan.
Hij blikt haar in ‘t gelaat zo teer
en blijft eensklaps getroffen staan.
Hij zegt tot haar: “Uw bloemen zijn zo schoon
maar gij o bloemenkind zijt nog oneindig schoner,
ach als ik slechts maar even u bezat,
‘k kocht heel uw bloemenschat, ‘k zou u belonen.”
Maar ‘t bloemenmeisje zegt: “Mijnheer,
‘k verkoop mijn bloemen, niet mijn eer
want thuis daar wacht nog smart en pijn
koop slechts één enkele bloem van mij.”

“Ach neen, lief kind, ik wens geen bloem,
maar biedt u geld en liefde aan.”
Het bloemenmeisje zegt: “Mijnheer,
hoort mij dan eerst eens even aan.
Thuis wacht mijn moeder, zij is zo zwak, zo ziek,
onder een zolderdak, met kleine broers en zussen.
Het is voor haar dat ik mijn bloemen biedt.
Zoals gij mij thans ziet op straat en pleinen,
de nood, ach wil mij goed verstaan,
dwingt mij met bloemen uit te gaan
voor moeder lief en kroost zo klein,
koop slechts één enkele bloem van mij.”

Daarop sprak tot haar die mijnheer:
“Vergeef de woorden die ik zei,
ik krenkte u daar in uw eer,
thans bid ik u, vergeef het mij.
Uw oudermin zij is zo edel schoon,
gij zult daarvoor, dat zweer ik u, het loon ontvangen.
Kom laat ons naar uw lieve moeder gaan,
onder’t schamel dak, dat is thans mijn verlangen.
En tot loon voor uw oudermin
zorg ik voortaan voor heel ‘t gezin
en dan blijft nog de hoop voor mij
eenmaal uw liefde waard te zijn.”

Partituur * Koop, koop mijn bloemen *
      instrumentaal

Tags:

0

En ’s avonds als ik thuiskom

Geplaatst door Johan op 17 mei 2017 in liedboeken, liederen, Over Leut & Plezier |

In 1971 verscheen er een opmerkelijk plaatje van de groep Bruno, Marc, Luc en Clem (op de platenhoes staat “Klem”): op de A-kant “Van Kop Tot Teen (en ’s avonds als ik thuiskom)”, een gedreven “Brabants volkslied opgetekend door Hubert Boone“, gezongen in het Herents-Leuvens dialect, en op de B-kant “Een Liedje Over Regen”, een draak van een kleinkunstlied, in de stijl van … euh … “Groep Zon”1.
Maar die A-kant werd een bescheiden succes en was regelmatig op de radio te horen.

De tekst van het lied hebben we nergens in onze verzameling liedjesschriften teruggevonden. Die schriften werden meestal door jonge vrouwen volgepend met in hoofdzaak melodramatische of romantische liederen. Misschien viel dit lied eerder in de smaak bij een mannelijk publiek.
In 1972 zetten ook De Kadullen hun versie op plaat. Vrij recente versies werden gezongen door wijlen Bart Vanden Bossche en onze betreurde dorpsgenoot “meneer André” Vandeputte.

Of het inderdaad een “Brabants volkslied” is? Ook Harry Franken noteerde meerdere versies in de Kempen (Dessel) en in Nederland (Valkenswaard, Westerhoven, Bergen-op-Zoom) en publiceerde ze tussen 1978 en 1985 in zijn boek “Liederen en Dansen uit De Kempen” (ISBN 9789070197032), in “Zingen en Speule”, gebundeld in de “Kroniek van de Kempen” (21 delen) en op zijn website. Telkens met afwijkende teksten en melodieën. Een fel gelijkende versie nam hij op met zijn groep Ut-muziek in 1976 en die is samen met nog andere versies te beluisteren in de Nederlandse Liederenbank.

Ook Ben Hartman, die sinds 2015 een site met voornamelijk volksliedjes heeft opgebouwd, publiceert een versie die in 1978 werd genoteerd in Malden.

Al deze veldopnamen werden weliswaar pas na het verschijnen van de plaatjes van B,M,L & C en van De Kadullen bekend gemaakt, maar ze werden genoteerd bij oudere mensen die zich de liederen herinnerden vanuit hun jeugdjaren. En in de Nederlandse Liederenbank maakt men gewag van een “kinderlied” dat in 1923 door Pater Frans Donders (°1879) werd genoteerd als “Mijne voet die toet ’s avonds als ik naar huis toe moet” . Zij weten ook dat de tekst “Als ik ’s avonds naar huis kwam, mijne voet …” geciteerd werd door Herman Teirlinck en Karel van de Woestijne in het boek “De Lemen Torens” (1965).

Een kinderlied is het lied zoals wij het kennen inhoudelijk alleszins niet. Wel in de vorm: een stapellied, waarbij het refrein bestaat uit herhalingen van een stukje strofe die het lied steeds langer maken en het geheugen van de zangers op de proef stellen.

En ’s avonds als ik thuiskom

En ‘s avonds als ik thuiskom
dan doet mijne voet zo zeer.
‘t Es mijne voet die’t altijd doet
‘s avonds als ik thuiskomen moet.

En ‘s avonds als ik thuiskom dan doet mijn been zo zeer.
‘t Es mijn been, ‘t zit vol geween,
‘t es mijne voet die’t altijd doet
‘s avonds als ik thuiskomen moet.

Mijne voet … die ’t altijd doet
Mijn been … zit vol geween
Mijne knie … ge weet wel wie
Mijn billen … die altijd trillen.
Mijn gat … ge weet wel wat
Mijnen buik … mijn wielemanskruik
Mijnen nek … mijnen solferstek
Mijne kop … hij zit vol sop
Mijn darmen … die verwarmen
Zijn haar … ’t es in gevaar.


“Groep Zon” is/was een verwant muziekgroepje uit Herent dat gelukkig in de vergetelheid belandde.
Partituur * Des avonds als ik thuiskom *
      instrumentaal
      versie van * menier André * (fragment)
      versie van * De Kadullen * (fragment)

Tags:

0

Lied van de discipline

Geplaatst door Johan op 10 mei 2017 in cahiers, liedboeken, liederen, Soldaten |

Leonie Enis uit Herent schreef vanaf circa 1915 een 40-tal liedjesteksten op, waaronder dit:

De titel hebben we veranderd in “Lied van de discipline” omdat we vrij zeker zijn dat dit de bedoeling was. Uit de verdere inhoud is wel duidelijk dat het om een loteling gaat die helemaal niet gediend was van de strenge tucht en discipline in het leger, temeer daar hij zich anarchist en socialist noemt, die lak heeft aan “vorst en vaderland”. Die staan immers uitsluitend ten dienste van de “kapitalisten”, het “gewone volk” moet steeds het gelag betalen.

Over de lotelingen schreven we al iets bij het lied “Mijn kleine piot” en we weten dat het een fenomeen uit de 19e eeuw was. Ook de opkomst van het socialisme en het anarchisme dateren van die periode. In dit lied worden beide termen door elkaar gebruikt, wat niet echt verwonderlijk is: het anarchisme was om zo te zeggen een extreme vleugel van het socialisme. Zo extreem dat het hoofdpersonnage er niet voor terugschrikt naar de grote middelen te grijpen, ook al kost het hem uiteindelijk zijn leven.

Dankzij Jaap Van de Merwe en zijn boek “Gij zijt Kanalje, heeft men ons verweten” (1974, Bruna, ISBN 90-229-71910) hebben we ook een melodie. Hij geeft als titel “De tegensporrilige loteling”. Wie de oorspronkelijke auteur is wordt nergens vermeld.
De tekst die Van de Merwe gebruikte is serieus herschreven en gefatsoeneerd lijkt het, of Leonie Enis heeft een zwaar gehavende versie horen zingen en neergeschreven. In ieder geval is haar versie volkser en Vlaamser, dus die hebben we zoveel mogelijk gerespecteerd.

Lied van de Discipline

Ik was een jongen van negentien jaar
en ik kwam er mij in te loten.
Vrienden, hetgeen ik u zeg dat is waar,
ik moest gaan dienen onder de soldaten.1
Ze gaven mij een zak en een geweer
en riepen luid om discipline
maar ik zei tot de Kapitein: “Meneer,
ik wil geen koning dienen,
ik wil geen koning dienen.”

“Ik heb er in mijn leven één gedacht,
en ik doe alles naar mijn zinnen.
Alwaar ik in mijn hart altijd naar tracht
dat zal ik elke dag blijven beminnen
Met hart en ziel heb ik mij geplaceerd
bij mijne broeders, socialisten.
Het is altijd de werkman die marcheert
voor de kapitalisten,
voor de kapitalisten.”

En toen ik aankwam bij mijn regiment
kwamen ze mij te commanderen.
Ik lachte er met mijn kommandement,
subiet kwam ik alles te refuseren.
Ik zei dat tegen mijnen officier,
om hem meteen te laten merken
dat ik er niet gekomen was om hier
voor ‘t goevernement te werken,
voor ‘t goevernement te werken.

Ik werd gestraft en moest naar het cachot,
tussen gendarmen weg marcheren,
twee jaren moest ik blijven in dat kot,
omdat ik wapens bleef te refuseren.
Ze wilden mij zoveel verdriet aandoen,
met theorie moest ik mijn tijd verkwisten.
“Neen, officier, dat doe ik niet,
spreekt mij van anarchisten,
spreekt mij van anarchisten.”

Maar toen mijn lijdensweg dan was gedaan
gaf ik geen cent meer voor mijn leven
Ik ben nog ééns naar ‘t regiment gegaan
om aan de officier zijn loon te geven.
Met een geweer schoot ik hem daar neer,
hij had geleerd hoe ik moest vuren.
Ik werd gevat en toen moest ik weer
gaan zitten tussen muren,
gaan zitten tussen muren.

“Vaarwel, mijn kameraden, groot en klein,
ze hebben mij ter dood veroordeeld.
Vergeet mij niet als ik straks dood zal zijn,
stel mij dan aan uw kinderen als voorbeeld.
Weg met het leger, weg met die kliek,
en weg met de kapitalisten,
Weg met de koning, naar een republiek,
leve de anarchisten,
leve de anarchisten.”


1 in sommige dialecten, ondermeer in het Leuvense, rijmt “loten” nagenoeg met “soldaten”

Partituur * Lied van de discipline *
      instrumentaal

Tags:

Auteursrecht © 2000-2017 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com