0

De misdaad van een soldaat (Van Ferdinand en Virginie)

Geplaatst door Johan op 10 november 2018 in cahiers, liedboeken, liederen, Over Moord & Rampen, schrift Victor Clerinx, Soldaten |

In het cahier dat Victor Clerinx (1912-1984) bijhield tijdens zijn soldatentijd vonden we dit:

We zagen een vrijwel identieke tekst in het boekje “Liedjeszangers uit Steenokkerzeel en Ommeland” van J. Lauwers en in het boekje “Marktliedjeszanger en kroegzanger van bij ons” legt A. Paessens deze tekst in de mond van Jaak Morren, alias “Jaak van Meneer” uit Aarschot. In Nederland noteerde Harrie Franken tekst en melodie in zijn woonplaats Weebosch. Op basis van die notatie denken wij dat het lied werd gezongen op de melodie van “Ach God, ik leef in nood“, een lied uit de eerste helft van de 19e eeuw dat ook model heeft gestaan voor “Hij moest soldaat gaan zijn” en dat net zoals hier over een ongelukkige soldaat gaat die tijdens zijn legerdienst ontdekt dat zijn lief hem niet trouw is waarna hij haar neersabelt en zelf ook de doodstraf riskeert.

Hier is het dus Ferdinand die naar Namur trekt, naar de kazerne aldaar om zich verdienstelijk te maken bij de kanonniers. Zijn lief Virginie belooft hem bij het afscheid trouw te zullen blijven en na zijn legerdienst zijn vrouw te worden. Na amper drie maanden echter verneemt hij dat zij een ander lief heeft, en hij deserteert meteen maar neemt wel zijn sabel mee om haar te doden. Details over de moord vernemen we nauwelijks, wel over de gevolgen: hij krijgt de dood met de kogel of zal sterven op het schavot. Het deert hem naar eigen zeggen niet, als hij daardoor maar eeuwig mag rusten bij zijn geliefde Virginie. Romantisch, vreselijk en krankzinnig tegelijk.

Gezien het verhaal verbaast het niet dat dit lied tijdens de legerdienst werd genoteerd en allicht ook gezongen. Het verhaal is net zoals de muziek ten laatste in de 19e eeuw ontstaan, toen kanonniers blijkbaar een sabel droegen, en het was dus minstens 100 jaar oud toen Victor Clerinx het noteerde. Ik heb hem en zijn echtgenote Julia “van Toinge” De Keyzer indertijd vele malen bezocht, maar zingen heb ik hem nooit horen doen. Victor, oudstrijder 1940-1945, overleed op 10 november 1984, dat is ook al 34 jaar geleden.

Op de CD “Markt- en Straatliederen uit Vlaanderen” (1992) van “Groep Tamboer” – niet meer verkrijgbaar in de handel –  staat het tragische verhaal van Rosalie (met den bloedende vinger) die nog nooit had gevrijd (een maagd dus) en vreselijk werd vermoord. Zij kwam al spokend ’s nachts bij de snode dader met haar bloed de “M” van moordenaar op zijn voorhoofd schrijven en zo werd hij ontdekt en veroordeeld. Straf verhaal! De melodie van het refrein is helemaal “Ach God, ik leef in nood”, we linken naar een kort fragment onderaan deze pagina.

ocharme die schone meid, 
en die had er nog nooit gevrijd
die werkend voor haar brood, 
zo vreselijk werd vermoord

Groep Tamboer is niet meer actief maar “Rosalie” wordt nog steeds gezongen door DEMI GEUS, zijnde Tjerrie Verhellen en C°. Zij hebben er een mooi spandoek, een “smartlap” in feite, van geschilderd.

Zo beroemd zijn Ferdinand en Virginie echter nooit geworden…

De misdaad van een soldaat

(Ferdinand en Virginie)

Schoon lief ik ga naar Namur
en maakt daarom geen bezuur
den droeven dag komt aan
dat ik moet vertrekken gaan.
Wij moeten elkaar verlaten
want ik gaan naar de soldaten
maakt daarom toch geen droefheid
want ‘t is maar voor een korten tijd.

Maakt daarom toch geen droefheid
want ‘t is maar voor een korten tijd.

Schoon lief ik moet binnen gaan
en maakt daarom geen betraan
want bij de kanonniers
daar maken wij veel plezier.
Ik zal dan in congé komen
schoon lief, gij moet u niet schromen
dan zijn wij weer bij elkaar
ach Virginie, maak geen bezwaar.

Dan zijn wij weer bij elkaar
ach Virginie, maak geen bezwaar.

Wij gaven elkaar de hand
terwijl zij sprak: “Ferdinand,
ik zweer op u den trouw
dat ik word uwe vrouw.”
Wij hebben elkaar verlaten
in droefheid en in veel tranen
maar op belofte van trouw
kwam ik in druk en rouw,

maar op belofte van trouw
kwam ik in druk en rouw.

Als ik was drie maand soldaat
hoord’ ik van die valse maagd
zij schreef mij enen brief
dat zij had een ander lief.
Ik deserteerde van mijn posten,
schoon lief, ‘t zal uw leven kosten,
en met den sabel in d’hand
heb ik mijn lief aangerand,

en met den sabel in d’hand
heb ik mijn lief aangerand.

Ik dacht aan geen druk en nood
en bracht Virginie ter dood
met zulk een wreed gemoed
als dat zij zwom in haar bloed
zo bracht ik haar dan om ‘t leven
en heb mij gevangen gegeven.
Ik wil ook den dood doorstaan
en neven haar ‘t graf in gaan.

Ik wil ook den dood doorstaan
en neven haar ‘t graf in gaan.

Zij hebben mij wreed gebonden
en naar ‘t gevang gezonden
daar leesden zij mij af
als dat ik had voor voor mijn straf
door den kogel te moeten sterven
op ‘t schavot mijn jong leven derven.
Maar sterven doen ik met plezier
als’k mag rusten bij Virginie.

Maar sterven doen ik met plezier
als’k mag rusten bij Virginie.

Partituur * De misdaad van een soldaat *
      1. instrumentaal
      2. Rosalie - Groep Tamboer (fragment)

Tags:

0

Mijn vogelschrik

Geplaatst door Johan op 26 oktober 2018 in cahiers, liederen, Spot & Ironie |

Dit lied vonden we in het liedjesschrift van Theophil Govaerts en het is er één in de lange rij van “gelaten protest” tegen het grillige vrouwvolk.
De man zingt over zichzelf en zijn geliefde, die over een aantal minder flatterende eigenschappen blijkt te beschikken, zodat de toehoorder zich moet afvragen wat de zanger bezielt om ermee te willen trouwen. In elke strofe blijven de gebreken van zijn “minnekepoes” zich opstapelen, maar het kan hem er niet van weerhouden haar te aanbidden. Liefde moet waarlijk blind zijn.

De tekst komt uit een Antwerps Café-Chantant volgens Jack Verstappen in “Volksleven rond Antwerpse cafés”. Hij kent niet de auteur noch de melodie, maar publiceert wel de originele (?) tekst zodat we de onvolledige versie genoteerd door Theophil Govaerts konden bijwerken.
De melodie wordt nergens genoemd maar kan volgens ons niets anders zijn dan het bekende werkstuk van Vincent Scotto uit 1906: “La Petite Tonkinoise”, op onze site al terug te vinden bij de oorlogsliederen “Tussen 800 matrozen” en “Dolf dat is een rare jongen

Mijn vogelschrik

‘k Zie zo gère mijn cherieken
minnekepoes, mijn troetelkind, mijn honigbieken
met haar scheel en vriendelijk oog
en dat neusje wat omhoog.
En ze ziet bleek, z’is half gebakken
z’is lang en smal, al goed om ne schrik van te pakken.
Haren bebbel staat nooit stil
ze maakt lawijt lijk nen automobiel

‘k Ben aan ‘t stouwen
ik ga trouwen
met een ding van achttien jaar
‘t heeft een koppel vuur’ge ogen
die mijn hart hebben bewogen.
Haar gebreken
dat zijn streken
Z’heeft iets aardigs over haar
zijn wij samen bij elkaar
ach dan doet ze toch zo raar.

Moest ze niezen
en ‘t moest vriezen
hingen d’ ijspillen aan haar neus.
Haar neusgaten dat zijn brokken
ruim zoo groot als droge dokken.
Haar lief mondje
van een hondje
dat moet geeuwen van de vaak.
Tanden heeft ze van nen draak,
kunt g’er tussen, ge zijt kaak.

Zij heeft klauwen
om iets t’hauwen,
bruin zoo groot als van nen beer.
Voeten ach zo danig grote,
‘t zijn lijk echte oorlogsboten.
Been en armen
van Gendarmen,
lang en ov’ ral even dik.
In ‘t geheel vergelijk ik
haar aan enen vogelenschrik.

Partituur * Mijn vogelschrik *
      1. instrumentaal (met intro)

Tags:

2

Een aardig typeke

Geplaatst door Johan op 17 oktober 2018 in liedbladen, liedboeken, liederen, Over Leut & Plezier |

In 1912 gaf Cinema Prins Albert in Antwerpen meteen een contract van twee jaar aan het "duo De Winter". Het echtpaar Gustaaf De Winter-Meeus had immers met glans een wedstrijd gewonnen voor het beste liedje. Prijs: 20 frank, in die tijd ongeveer een maandloon. Het liedje waarmee ze die prijs wonnen was "Ziet eens wat aardig typeke".

Dat vertellen Jack Verstappen en Bert Peeters in hun boek “Volkszangers in Antwerpse Café-Chantants”. Het liedje zelf publiceren ze niet maar het moet indertijd zeer veel indruk hebben gemaakt want we vonden het in vijf verschillende liedjesverzamelingen terug. Een paar keer ook met overgeleverde melodie, wij vinden de versie genoteerd door Willy Lustenhouwer in “Geschiedenis van het Café-Chantant” de meest plausibele.

We kunnen ons voorstellen dat het lied in de Café-Chantants met zwier werd uitgebeeld in aangepaste kostumering en dat het daarna zijn weg vond bij imitators op familie- en teerfeesten.

Een aardig typeke

Hoe vindt ge mij geacht publiek?
Zeker wel heel magnifiek?
Eenieder kijkt mij zo verwonderd aan
als ‘k over de straat gaan.
En velen zijn daarom jaloers,
ja vooral die lieve poes
omda’k een jonkman ben,
en ik de mode ken,
en daarom houd van hen.
Daarom doen velen mij verstaan
terwijl ze zo voorbij mij gaan:

Ziet eens wat aardig typeke,
zijn frak al met een slippeke.
Een hoed met brede rand
en een stokje in de hand.
Ik schud al met mijn gatteke,
ik ben zo’n aardig ratteke,
altijd bloemen op mijn frak,
wandel ik op mijn gemak.

Des morgens ga ik heel tevree
eerst al naar mijn stamcafé
Ik drink dan gerust op mijn gemak
een Schiedam of een Cognac
Vandaar ga ik naar mijn coiffeur,
die zet mij dan een couleur,
eerst goed glad geschoren en dan geparfumeerd,
en dan met schmink besmeerd.
Dat ieder mij van verre ziet
en mij dan nog een oogske flikt.

Des avonds ga ik naar ‘t concert,
dan gebruik ik zo ’n air,
want zodra dat ik me daar vertoon,
ieder zegt: wat is hij schoon.
Op het bal is het weer ‘t geval,
meisjes in een groot getal
die wagen nog de kans te doen met mij een dans
en bezien mij vol glans.
Dan doen velen mij weer verstaan
terwijl ze zo voorbij mij gaan:

Ik krijg van alle kanten bod,
‘t is niet dat ik ermee spot,
want het is mij toch allemaal gelijk,
geen vrouw die ik bekijk.
Voor trouwen heb ik nog geen lust,
‘k blijf liever nog wat gerust.
Binnen een jaar of tien
zal ik het eens bezien
mijn liefde aan te biën.
Want daarvoor heb ik nog geen tijd,
neen, ik bemin de liberteit.

 

Partituur * Een aardig typeke *
      1. instrumentaal
      2. versie van *De Totale Waanzin* - fragment

Tags:

0

Mijn Visioen (Oorlogslied 1914-1918)

Geplaatst door Johan op 29 september 2018 in cahiers, liedbladen, liederen, Soldaten, Wereldoorlog |

Onze verzameling oude liederen (en vele verzamelingen elders) bevatten duizenden (! echt waar) liederen waarvan alleen de tekst werd bewaard, hetzij op een gedrukt liedblad, hetzij handgeschreven. Meestal is er geen enkele aanduiding van de melodie die erbij hoort en kunnen we het dus niet meer zingen, al is het af en toe duidelijk op basis van het metrum van de tekst of enkele herkenbare woorden in het refrein welk ander lied model heeft gestaan. Ook hebben we soms het geluk dat iemand de melodie nog min of meer uit het hoofd kent en kan voorzingen. Soms herkennen we daardoor de “bekende” melodie van indertijd en kunnen we die restaureren. We zijn dus altijd heel blij als iemand ons zo’n vergeten melodie kan bezorgen.

Dat deed Lia Goossens na het sturen van enkele oude teksten met de opmerking dat haar vader enkele van die liederen nog kon zingen. En zo hebben we dus een melodie kunnen reconstrueren voor “Mijn Visioen”, waarvan we de “originele” tekst ook teruggevonden op een oud liedblad via de Nederlandse Liederenbank

Het liedblad vermeldt geen melodie, een onderzoeker van het Meertensinstituut denkt nochtans te weten dat het gezongen werd op de wijze “Zusje, kun je mij soms ook vertellen“. Dat is een vrij moeilijke melodie, iets voor in de deftige salons van oude herenhuizen met goed opgeleide pianistes en zangeressen. Niet iets dat een marktzanger of een gewone soldaat zou zingen. En de klemtonen/lettergrepen kloppen ook niet helemaal. Maar oordeelt u zelf:

      1. *Zusje, kun je mij soms ook vertellen?* Geheugen van Nederland

De melodie die Lia opschreef en toestuurde (waarvoor nogmaals onze dank) lijkt ons veel plausibeler!


Op melodie van “Een visioen is mij verschenen” schreef Frans Rombouts uit Roosendaal een lied over “Een moordaanslag bij Valkenswaard”. Harrie Franken reconstrueerde de melodie op basis van “verschillende, gebrekkige bronnen” in de buurt van Weebosch. Die is een beetje verwant aan de melodie hierboven maar toch duidelijk verschillend. Franken publiceerde zijn versie in “Van Zingen en Speule nr 6” pagina 165

Mijn visioen (Oorlogslied 1914-1918)

Een visioen is mij plots verschenen,
ik zie een zestal kribben staan
waarin een Rus, een Belg, een Fransman,
een Brit, een Duits, een Italiaan
Hun laatste woorden voor zij sterven
tot Hollands zuster van ‘t Rood Kruis
waren zo vreeslijk diep ontroerend
van vrouw, van kind, van moeder thuis.

Waren zo vreeslijk diep ontroerend
van vrouw, van kind, van moeder thuis.

De Rus die zei: ach liefdezuster.
het land waarvoor ‘k mijn leven laat,
ben ik veel dankbaarheid verschuldigd.
Land dat ik liefheb, dat ik acht.
Hoe lig ik hier nu toch zoo somber,
in zo’n groot stil en triestig huis
Waarom mag ik dan niet gaan sterven,
bij vrouw, bij kind, bij moeder thuis

Waarom mag ik dan niet gaan sterven,
bij vrouw, bij kind, bij moeder thuis

De Engelsman zei tot de zuster:
Mijn laatste uur is zo nabij.
Mijn land, mijn koning zijn niet schuldig,
Daarom roep ik, God save the King.
Toen is hij kallem ingeslapen,
God zegent d’ouders, allen thuis,
Want vadertje keert nooit meer weder.
Bij vrouw, bij kind, bij moeder thuis

Want vadertje keert nooit meer weder.
Bij vrouw, bij kind, bij moeder thuis

De Fransman snikte tot de zuster:
Mijn laatste uur is nu nabij.
Ach zuster, ‘k leefde zo gelukkig,
met al wat’k liefhad aan mijn zij.
Een dienst wil ik U echter vragen.
Dit pak met mijn soldatenkruis,
te zenden aan die’k nooit meer zien zal:
mijn vrouw, mijn kind, mijn moeder thuis

Te zenden aan die’k nooit meer zien zal:
mijn vrouw, mijn kind, mijn moeder thuis

Een Italiaan dat is de vijfde,
met zijn vurige natuur.
Tot ‘t laatste toe heeft hij gestreden,
tot nu toe in zijn stervensuur.
Ook hij leefde eens zo gelukkig,
muziek z’n ideaal in huis.
En nu zo ver to moeten sterven,
van vrouw, van kind, van moeder thuis.

En nu zo ver to moeten sterven,
van vrouw, van kind, van moeder thuis.

Toen kwam de zoon uit ‘t land der Belgen
die gillend op zijn sterfbed zong,
krankzinnig riep hij tot de zuster:
ik zing mijn lied, mijn Brabançonne.
En toen, zacht huilend, als een kind nog,
maakte hij voor het laatst een kruis
en zegend’ onder diepe stilte,
zijn vrouw, zijn kind, zijn moeder thuis.

En zegend’ onder diepe stilte,
zijn vrouw, zijn kind, zijn moeder thuis.

De laatste man dat was een Duitser
ook hem naderde ‘t stervensuur.
Zijn land bekend in heel de wereld,
land van beschaving en cultuur.
En toen de brave liefdezuster,
eerbiedig toonde zijn ijzeren kruis
zei hij al lachend, ‘t was z’n doodslach:
dat is geen vrouw, geen kind, geen thuis

Zei hij al lachend, ‘t was z’n doodslach:
dat is geen vrouw, geen kind, geen thuis

Mijn visioen is nu verdwenen,
Goddank in dezen reuzenstrijd
heeft Holland tot den dag van heden
zijn schat bewaard, z’n Neutraliteit.
En dat het grote oorlogsmonster
nooit dringe in ons vredig huis.
En wij behouden ‘t schoonst op aarde:
Onze vrouwen, kinderen, moeders thuis!

En wij behouden ‘t schoonst op aarde:
Onze vrouwen, kinderen, moeders thuis!

Partituur * Mijn visioen *
      2. instrumentaal

Tags:

Auteursrecht © 1195-2018 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com