0

Ha, dat ik minister was

Geplaatst door Johan op 19 januari 2020 in Andere liederen, liedboeken, liederen |

uit “Gij zijt Kanalje” (1974, Jaap Vande Merwe)

Een tekst geschreven door een zekere “Herman” circa 1890 en volgens Erik Demoen in “Liederen der Industriële Revolutie” zou dat een schuilnaam zijn van A. Bogaerts, ons verder onbekend. Het is een links geörienteerd protestlied uit het Gentse en dus kreeg het ook een plaats in het boek “Gij zijt kanalje heeft men ons verweten” (Jaap Vande Merwe).

De melodie zou dan weer afkomstig zijn van het lied “De bataille van Lourdes” (Karel Waeri, 1884) die zelf doorverwijst naar “De Franse officier”. Lustenhouwer publiceert het met de melodie zoals die in Brugge werd gezongen. Demoen heeft een andere melodie, ’t is te zeggen: hetzelfde ritme maar niet dezelfde toon. Aangezien die laatste in het Gentse werd gevonden staat ze ongetwijfeld korter bij het origineel en die hebben we dan ook weerhouden.

uit “Liederen der Industriële Revolutie” (1986, Eric Demoen)

Restte ons alleen nog er interessante muziek-akkoorden bij te verzinnen zodat accordeon, gitaar en bas er een gelijkgestemde begeleiding kunnen bij spelen.

De tekstschrijver is niet te vinden voor het koningsschap maar droomt ervan om minister te worden en hij somt alle maatregelen op die hij dan zou nemen, naar we vermoeden om het land rechtvaardiger te besturen dan op het einde van de 19e eeuw gebruikelijk was.

Ha, dat ik minister was

‘k Zou geen koning willen wezen, ‘k vind dat stieltje veel te laf.
Zo het weerloos volk doen vrezen, van de wieg tot aan het graf.
Met gendarmen en soldaten en miljoenen in de kas.
‘k Zou die post voor d’ander laten, maar dat ik minister was

‘k Zou die post voor d’ander laten,
maar dat ik minister was

‘k Zou vooreerst niet langer willen, dat die lieden van fatsoen,
nutteloos hun tijd verspillen, leven zonder iets te doen.
Iedereen zou moeten werken, zonder onderscheid van klas.
‘k Zou het mensdom wel versterken, ha, dat ik minister was

‘k Zou het mensdom wel versterken,
ha, dat ik minister was

Al de nonnen, kwezels, paters en pastoors en kardinaal,
Met hun glad geschoren snaters, vind ik veel te stout van taal.
Heel dat volksken uit de kerken, kwam mij elders goed van pas,
‘k Zou die luiaards leren werken, ha dat ik minister was.

‘k Zou die luiaards leren werken,
ha dat ik minister was.

‘k Maakte huizen voor de zieken, van de kloosters zonder tal,
Van kazernen schoon fabrieken, ‘k bouwde scholen overal,
Iedereen zou kunnen lezen hoe het gaat met land en kas,
En men zou geen oorlog vrezen, ha dat ik minister was

En men zou geen oorlog vrezen,
ha dat ik minister was

D’arme mensen moeten slaven, van de morgen tot de nacht,
op de noen nog aardig draven, voor wat eten zonder kracht,
Maar het zou niet lang meer duren, deze toestand al te kras,
Ieder werkte zijn zes uren, ha dat ik minister was.

Ieder werkte zijn zes uren,
ha dat ik minister was.

‘k Zou geen lieve kinders maken, en protectie diende niet,
Om tot plaatsen te geraken, zoals dit vandaag geschiedt,
‘k Zou het recht niet laten schenden, en die zoontjes van papa’s,
Zou ik naar d’n duivel zenden, ha dat ik minister was

Zou ik naar d’n duivel zenden,
ha dat ik minister was

Partituur * Ha, dat ik minister was *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De stekelare of de keersepanne

Geplaatst door Johan op 12 januari 2020 in Andere liederen, dubbelzinnig, liedboeken, liederen |

Tekst gevonden als “De keersepan” in “Zo d’ouden zongen” (Walther Van Riet) en variante mét muziek in “Geschiedenis van het café-chantant” (Willy Lustenhouwer). Geen van beide bloemlezers vermeldt waar het vandaan komt. Het moet, afgaande op de eerste strofe, tijdens of na WOI geschreven zijn voor een guitige revue waarin een winkelier kaarsen verkoopt en het refrein geeft dubbelzinnig maar duidelijk de toon aan.

De stekelare of de keersepanne

auteur onbekend

De oorlog is, da’s echt, voor iedereen niet slecht,
Voor mij is ’t uitgelezen, het kan niet beter wezen.
Ge weet als ge mij kent, da’k keersemarchand ben,
Ik werke overal, want er is nergens geen petrol,
Koop ’n keerse, kom vooruit, lang en dikke voor ’n kluit.

‘k Ben voorwaar een echte stekelare,
Voor mijn stijve keersen goed verstane.
Koop gerust, Marie, Sofie of Wanne,
Want mijn keerse past in elke keersepanne.

Laatst kwam een meisje fijn, al naar mijn magazijn,
Z’was iets van driemaal zeven, ze vroeg: ‘Wil mij eens geven
een keerse voor ’t begin, maar steek z’er zelf maar in.’
Ik zag haar keersepan, en ‘t was ’n schone goed verstaan,
‘k Lachte fier en sapristie, mijne keerse brak in twie.

Een oude, dat was straf, kwam met haar panne af,
het gat was rats versleten, d’r had wat ingezeten.
Ze wist het op geen tien, d’r had nog bovendien,
Een grote keers voorwaar, d’r in gezeten, dat was klaar,
‘k Wond papier al rond de tuit, en toch vloog hij er weer uit.

Onlangs had ik een grap, ik zal’t vertellen rap,
Ik ging bij dikke Nette, waar dat die soorten1 zitten.
Ik presenteerde daar, mijn keerse stekeklaar,
Toen schoot ik in ’n lach wanneer ik Nette’s panne zag,
Wijl ik dacht, en dat was kras, dat ’t ’n kandelare was.

Als gij een panne hebt waar gij wat werk aan had
Ge kunt misschien vaneigen die keers daar niet in krijgen,
Maak dan uw keers of gat zo met wat speeksel nat
Dan duwt ge stillekens aan uw keersken in de pan,
En geef dan vuur, dat kan geen kwaad
Als uwe keers maar flink recht staat.

Wilt gij niet zijn gestroopt als ge een keerske koopt,
Koop dan vooral een rechte,
Geloof mij: dat zijn d’echte.
Ge steekt ze naar uw zin toch niet te diep er in
En zorg dat gij het vet al in de panne hebt.
Het is alzo dat er verdomd
Wat vet al in de panne komt.


1 vrouwen van lichte zeden
Partituur * De stekelare of de keersepanne *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De grendel en de klink

Geplaatst door Johan op 5 januari 2020 in Andere liederen, dubbelzinnig, liedboeken, liederen |

We zetten het nieuwe jaar in met een lied van Karel Waeri dat postuum werd gepubliceerd door zijn zoon Pieter in een aanvullende liedjesbundel met de “vetjes“, liederen die Waeri met een dikke penpunt had neergeschreven om zonder woorden duidelijk te maken dat ze nogal op het randje waren. Dit lied is zelfs ver over die rand… De grendel blijkt een mannelijk substantief, de klink is eerder vrouwelijk.

Zoals in vele van zijn liedjes kan Waeri het niet laten om met de Kerk en haar personeel te spotten, in  dit geval moeten de “deugdzame” nonnekens het ontgelden.
De melodie werd door Roger Hessel – die we bij deze met een paar dagen vertraging een gelukkig Nieuwjaar toewensen – genoteerd zoals ze hem werd voorgezongen door Aldegonde Dierickx uit Brugge.
Er zijn niet minder dan 8 strofen in dit verhaal, maar we weten ondertussen dat toehoorders tot op het laatst aandachtig blijven luisteren bij dit soort liederen!

De grendel en de klink

[A] Karel Waeri

‘k Lig soms te denken bij dag en bij nachte,
Om iets te zingen voor arm of voor rijk,
Maar tegenwoordig mijn droeve gedachten,
Brengen geen aarde meer aan mijnen dijk.
Maar op ‘nen nacht lag ik toch eens te dromen,
‘k Speelde poortier ja met sleutel en klink,
en aan mijnen grendel mocht niemand niet komen,
Of ‘k was aan ‘t werken aan d’onderste klink.

Neen, aan mijnen grendel
mocht niemand niet komen,
Of ‘k was aan ‘t werken aan d’onderste klink.

Eens wierd er zo aan mijn belle getrokken,
‘k Loerde door ‘t gat, ‘t was een lieve kokot,
Z’had bijkans heel mijn machiene gebroken,
De klippel sloeg haast de belle kapot.
‘k Zei het heur ook, maar zij sprak zonder schromen:
‘Laat mij maar doen, want ik kenne dat ding,’
En als zij het poortje was binnen gekomen,
Stak ze de grendel nog zelf in de klink.

En als zij het poortje was binnen gekomen,
Stak ze de grendel nog zelf in de klink.

Een jonge meid was fijn olie gaan kopen,
Maar haren sleutel viel uit haren zak,
Spoedig kwam z’om mijnen grendel gelopen,
Waar zij haar voordeurken open mee stak.
Zij dankte mij in haar vliegende vendel,
En zij die schonk mij ‘ne goudene ring,
Wel ja, ne poortier wint zijn brood met den grendel,
Een poortieres wint haar brood met de klink.

Wel ja, ne poortier wint zijn brood met den grendel,
Een poortieres wint haar brood met de klink.

Ne sleutelmaker ge moogt het wel weten,
Wierd lest geroepen bij een keukenmeid,
Omdat het slot van heur klink was versleten,
Daarmee geraakte z’haar inkomen kwijt.
De smid die zei: ‘Laat mij eerst ne keer kijken,
Ja, ‘k heb ‘t al vast, ‘t is een beetje kapot,
Ik zal aan de grendel wat keerseroet strijken,
‘En lijk ne pijl vloog hij glad in het slot.

Ik zal aan de grendel wat keerseroet strijken,’
En lijk ne pijl vloog hij glad in het slot.

Lest een maseurken, ‘t was zuster Pauline,
Kwam voor mijn deurken en sprak er mij aan:
‘Vriend, uwen grendel zou mij kunnen dienen,
Wil er eens mee naar mijn kloosterken gaan.’
‘k Zeg: ‘Neen, maseurken, ‘k en durf ‘t niet betrouwen,
Want mijnen grendel die ware kapot,
Ze zou’n te vele de zot ermee houwen,
En ‘k heb hem nodig voor thuis in mijn slot.

Ze zou’n te vele de zot ermee houwen,
En ‘k heb hem nodig voor thuis in mijn slot.

‘t Heilig maseurken die ging zeer bewogen,
Aan moederoverste haar klachten gaan doen,
Maar deze kwam als ‘nen tijger gevlogen.
‘Deugniet,’ riep ze, ‘ha, gij oude kapoen,
Zoude voor ons uwen grendel verduiken?
‘t En zal niet waar zijn, gij lelijke prei,
Ik wil hem terstond op mijn kamer gebruiken,
En al mijn nonnekens ook achter mij.

Ik wil hem terstond op mijn kamer gebruiken,
En al mijn nonnekens ook achter mij.

Ja, daar en viel daar geen woord meer te praten,
‘k Moeste ‘k ik mee naar heur kloosterken gaan,
Maar daar he’k wat van mijn pluimen gelaten,
Iedereen trok en die sleurde eraan.
Ik viel aan ‘t roepen en ‘k lag mij te weren,
Ik riep: ‘Maseurken, ‘k en kan niet meer staan,’
Maar op conditie van weere te keren,
Lieten ze mij met mijn grendelken gaan.

Maar op conditie van weere te keren,
Lieten ze mij met mijn grendelken gaan.

Voor elken arbeid verdient men beloning,
‘k Doe nog al geren ‘ne grendel present,
Mijn passepartout gaat op iedere woning,
hoewel mijn wijf er is slecht van content,
Maar lijk eenieder he’k ook mijn gebreken,
Mijn Trien is kwaad als ik druppelkens drink,
Maar als ze nog van de grendel zal spreken,
Sla ‘k mijne slets tegen ‘t gat van de klink,

Maar als ze nog van de grendel zal spreken,
Sla ‘k mijne slets tegen ‘t gat van de klink!

Partituur * De grendel en de klink *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Julien de musicien

Geplaatst door Johan op 28 december 2019 in Andere liederen, dubbelzinnig, liedboeken, liederen |

© Philippe Guillerm

Het is opvallend hoe café-chantant liedjes over beroepen bijna altijd een erotische of op z’n minst toch een dubbelzinnige bijklank hebben.
Voorbeelden op deze site zijn “De lustige velomaker“, “Den elektriek-doctoor“, “De mecanicien”, “Het muzikantje“, “De scharesliep“, “De herderin“, “De visserin en de paling“, “De piloot en zijn aëroplaan” maar ook in de “authentieke” volksmuziek zijn jagers en herderinnen, slotenmakers, vissers  of molenarinnetjes niet van onbesproken gedrag. We bespreken zeer binnenkort nog een aantal van die ondeugende liederen

In dit zelfportret van “Julien”, opgetekend door Willy Lustenhouwer, gaat het over spelen op een “viool” en onze wellustige muziekleraar gaat op het eind van het lied zelfs op zoek naar gewillige leerlingen tussen het publiek.

De muziek die Lustenhouwer noteerde lijkt wel heel erg op die van “Een reisje naar Brussel” dat ook thuishoort in het dubbelzinnige genre.

Julien de musicien

auteur onbekend

Ik ben ’n musicien,
mijn naam die is Julien.
Vrienden versta me goed,
ik spreek er u met spoed:
ik speel violoncell’
en dat gaat wonderwel.
Is er soms geen mamzel
die mijn viool bespelen wil?

Spoedig kunt ge hier bij mij
spelen de viole.
‘k Geef er u den boog in d’hand,
mag er niet op dauwen
want de colofon zou ‘d er
spoedig af gaan springen,
‘t zou er gaan van triafon,
m’n boog zou niet meer zingen.

Laatst kwam een ouw madam,
ze was chiek aangedaan,
ze klonk aan mijne deur
en sprak dan toch zo stuur:
zijt gij meneer Julien?
Bonsoir, ça c’est très bien,
zijt gij die professeur,
dat doet er mij toch zo’n bonheur!

En ze sprak: “Meneer Julien,
wil me leren spelen!
En ik sprak: welja, madam,
‘k zal wel eens proberen.
Haar viool die was te nat,
‘k kon geen do meer geven.
D’n draad van mijn boog viel plat,
mijn troelala viel neder.

Er kwam een jonge vrouw,
ze sprak zonder berouw:
Julien, leer mij algauw
spelen op de viool.
Dat ging verdomme wel,
met dat violenspel,
ik speelde sol la si
en dan vanachter kwam de mi.

En ze was toch zo content
dat ze nu kon spelen,
en ze sprak: meneer Julien,
‘k zal u presenteren.
Wij gingen tesamen uit
om lessen te geven.
Zit er hier soms geen madam
die met mij eens wil spelen?

Partituur * Julien de musicien *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Soldaten lagen bij nachte

Geplaatst door Johan op 20 december 2019 in cahiers, liedboeken, liederen, Soldaten, WOII |

“De herderkens lagen bij nachte”, het “oude Kerstlied”  werd door de gebroeders Jozef en Albert Alberdink-Thijm bedacht in 1852 en door hen als “pas ontdekt middeleeuws kerstlied” gepubliceerd. Jozef verzamelde en bewerkte de teksten en Albert bedacht er muziek bij als de originele melodie niet kon gevonden worden.

De grap lukte want iedereen geloofde echt dat ze een onbekend oud lied hadden ontdekt. Het lukte zelfs zo goed dat niemand achteraf nog geloofde dat zij de auteurs waren, ook al kon er geen enkel boek gevonden worden, gepubliceerd voor 1850, waarin dat lied werd vermeld …

Heel oud kon het ook niet zijn, dat geven ze zelf onrechtstreeks aan in een voetnoot bij het einde van de eerste strofe

Een onbekende soldaat bewerkte tijdens de Tweede Wereldoorlog de tekst en verving de herderkens door soldaten.

Soldaten lagen bij nachte

Soldaten die lagen bij nachte,
zij lagen bij nacht in het veld.
Zij hielden als immer de wachte,
zij hadden hun kogels geteld.
Daar hoorden ze vliegtuigen ronken
een teken van naad’rend gevaar.
Weldra weer de zoeklichten blonken,
het afweergeschut stond al klaar.

Toen zij door hun “zienbuizen”1 keken
en speurden heel hoog in de lucht,
toen leek het gevaar al geweken,
want ver af was er het gerucht.
Toen voelden zij weer in hun harten
’t gevaar dat bestendig hen dreigt.
Het vliegtuig dat ’s nachts hen komt tarten
wijl Gods natuur slaapt en zwijgt.

O vrouwken, o kind’ren die heden
van uit ons klein huisje zo ver
den eenzamen landweg betreden
ter nachtmis naar krib en naar ster:
wil ’t Kerstekind voor ons toch bidden
opdat het ons immer bewaar,
zo verre van u en te midden
van dreigend oorlogsgevaar.


1 verrekijker

Partituur * Soldaten lagen bij nachte *
      1. instrumentaal

Tags:

3

De Penny Serenade

Geplaatst door Johan op 13 december 2019 in liederen, Spot & Ironie, WOII |

In 1938 schreef Hal Hallifax de liedtekst “Penny Serenade” en die werd op muziek gezet door Melle Weersma (1908-1988), een componist uit Friesland die rond 1930 in Berlijn ging werken, vanaf 1935 in Amerika en in 1938 in Argentinië. Het verklaart mee waarom dit lied een wereldhit kon worden. In 1939 vertaalde André Hornez het als “Sérénade sans Espoir” en maakte Lucienne Delyle er een populaire fonoplaat van. Vele andere Franse vedetten uit die tijd deden hetzelfde: Tino Rossi, Rina Ketty, Jean Sablon, …

Tijdens de beginjaren van WO II schreef een onbekend gebleven 1 pro-duitse nederlandse tekstschrijver op deze melodie vol leedvermaak over de gerenommeerde Britse vloot die door Duitse U-boten zo goed als volledig gekelderd werd. Dat was iets te vroeg gejuicht, zoals wij nu weten, en het is dan ook vrij zeker dat het lied na 1945 nooit meer werd gezongen.
Wij vonden de tekst in “Morgen komt een nieuwe dag“, een verzamelbundel met liedjes van en om de oorlog, verzameld door Co De Kloet die nog meer dergelijke tekstbundels heeft samengesteld (Bloesem van Seringen, Trees heeft een Canadees, Tijd voor Teenagers e.a.).

De PennySerenade

690 [A] onbekend- [C] Melle Weersma (1908-1988)

Binnenkort, nu Amerika geen scheepje meer kan missen
is’t gedaan, en moet Churchill ergens anders beed’len gaan.
Si, si, si!
Ach wie geeft er nog een penny?
Si, si, si, ik krijg klappen bij de vleet.

Sta me bij, geef mij money,
want de hele vloot van Johnny is kaduuk. of gezonken,
hoor mijn pennyserenade.
Si, si, si!
Ach wie geeft er nog een penny?
Si, si, si, voor het smoesje “Rule the waves”.

Zie mij staan in de kou, bont en blauw
en door niemand begrepen.
Ach, is dat nu het loon voor mijn trouw
aan de sterren en strepen?

Zie mijn leed,
help een arme die verlegen zit om schepen!
Sta me bij,
‘k ben de zanger van de pennyserenade.
Si, si, si!
Ach wie geeft er dan een penny?
Si, si, si, voor een nieuwe Britse vloot.

Hoort de klacht
Van een arme zonder schepen in de wereld.
Heeft u soms
Nog een afgedragen pontje of zoiets?
Si, si, si!
Ach wie geeft er dan een penny?
Si, si, si, voor een nieuwe Britse vloot.
Want die ouwe, eens zo groot
ligt gezonken in de sloot.


1 Gelukkig voor hem, hij zou er anders na afloop van de oorlog niet goed van geweest zijn!
Partituur * De Penny Sernade *
      1. instrumentaal

Tags:

Copyright © 1995-2020 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com