0

De vrouwen in ons land

Geplaatst door Johan op 2 juni 2020 in liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

In 1922 plaatste Adolphe Bérard zijn versie van “Le moulin de Suzette” op een 78-toeren fonoplaat. Het lied werd geschreven door Ch.L.Pothier (tekst) en R.Mercier (muziek) en die laatste werd ook bekend als de componist van “Elle s’était fait couper les cheveux”. De plaatopname van Any Flore 30 jaar later is technisch uiteraard beter en aangenamer om te beluisteren.

Marktzanger en lolbroek Pierre De Wilde uit Brussel vond de plaat van Berard blijkbaar inspirerend en beschreef in vier strofen hoe de Brusselse vrouwen zich volgens hem gedroegen circa 1925. We weten niet of het allemaal klopt, wij waren er toen nog niet, maar misschien zitten er wel tijdloze elementen in zijn analyse.

De vrouwen in ons land

[A] Pierre De Wilde, Brusssel [C] René Mercier
wijze: Le moulin de Suzette

‘k Zal eenvoudig hier
enkel uit plezier
voor u, vrienden, eens mijn liedje zingen.
Luistert met aandacht
hoe ik ‘t vrouwgeslacht
neem, als zij alleen zijn of in kringen.
Ziet u een meisje alleen op straat
des morgens vroeg of wel ‘s avonds laat,
zij is stil en zacht
maar neemt wel in acht
of er soms geen jongman haar toelacht.

Ja in ‘t algemeen
vind ik de jonge meisjes in ons land,
als zij zijn alleen,
zeer gemanierd, stil en deftig en oprecht galant.
Maar zijn ze in groep,
dan hoort men hen, wijd en ver, roepen, tieren,
dansen en springen,
lachen en zingen.
Jong of oud, zij vinden smaak
in vreugde en plezieren,
in ons land.

Hun bekoorlijkheid
en lieftalligheid
maakt diepen indruk op jonge mannen.
Hunne klederdracht,
die toilet en pracht,
doet het mansvolk smeden liefdeplannen.
‘t Zij rijk of arm, zij zijn even schoon.
Lief klinkt hun stem en op zachten toon.
Vlug zijn zij verleid,
als u met hen vrijt,
spoedig zijn zij tot uw dienst bereid.

Op kermis of bal
ziet men best van al
hoe de jonge meisjes zich vermaken.
Ja, ‘t is gelijk waar,
onderzoek het maar,
zij willen drank en het genot smaken.
Wijl ’t orgel lustig zijn wijsjes speelt
worden zij door ‘t minnevuur gestreeld.
Eens het bal gedaan
en zij huiswaarts gaan,
ziet men hen beminnen langs de baan.

Heerlijk is de vreugd,
aangenaam de jeugd,
zoet is het geluk der jonge meisjes.
Ja, ten allen kant,
in geheel het land,
worden zij bemind als lieve sijsjes.
Hun lachend mondje en lipjes fijn
zoenen zo minzaam uit liefde rein.
Kortom dit geslacht,
is bezield met kracht,
hand’len met de mans naar hun gedacht.

Partituur * De vrouwen in ons land *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De Keizer voor ’t gerecht

Geplaatst door Johan op 31 mei 2020 in liedbladen, liederen, Wereldoorlog |

Het Aarschotse echtpaar Henri Peeters – Van Gestel zong op het einde van Wereldoorlog I de woede weg die de Duitse Keizer en zijn soldaten hadden opgewekt. Ze deden dat nauwelijks beschaafder dan Mathieu Dekemper met zijn “Sale Cochon“. Ze gebruikten trouwens elk dezelfde melodie van Louis Bousquet, een groot Frans succes op dat moment: “Quand Madelon”.


Wij moeten de geschiedenisboeken induiken om alle allusies in de liedjestekst te begrijpen maar de toehoorders op de marktpleinen wisten in 1918 heel goed waarover het ging. Ze hadden ook niet veel aansporingen nodig om mee te zingen, tenminste, zodra ze wisten dat het Duitse gevaar definitief was geweken!

Het lied staat ook op een liedblad van Frans van Kets die onder de titel “woorden van Sus Van Kets” lied drukken. Maar … dat doet hij zo vaak bij liederen die ook door anderen werden gezongen dat we ons afvragen of dat wel altijd strookt met de waarheid. En zoals we al eerder schreven verklaarde Van Kets ooit dat hij nooit zelf een liedjestekst heeft geschreven! In dit geval heeft hij waarschijnlijk het lied gewoon overgenomen van Henri Peeters, die was namelijk gehuwd met Maria Van Gestel en Frans van Kets was getrouwd met Anna Maria Van Gestel, de zus4 van mevrouw Peeters.


Ook Filip Clarisse haalt deze tekst aan in zijn “Volksliedonderzoek in de gemeente Kruibeke” (4 volumes, Leuven KUL, 1991)

De Keizer voor ’t gerecht

[A] Peeters-Van Gestel [C] Louis Bousquet

‘t Is al twee jaar dat de Keizer zit te kniezen,
verstopt, verscholen in Hollandse keis.1
Als tijdverdrijf is hij stoelen aan het biezen
wordt er verzorgd door ’n dokter vijf of zes.
Toen het in zijn land begon te stinken
en dat hij zei: Ich bin kaput,
in plaats van zich te gaan verdrinken,
zich te berechten met wat lood,
wat deed die’n onverlaat?
Hij poetste ras de plaat
en reed met den Express naar Holland met veel praat.

Hij zal ‘t gerecht, het tribunaal passeren,
moet op zijn poten voor de juge staan.
Hij is de schuld der volkeren miserie,
moet alvast de kas2 in gaan.
Hadden ze dien dief moeten laten betijen,
de wereld lag gans onder zijnen voet.
En alleman zou door hem moeten lijen
hij’s kaput, ja kaput, ja kaput.

Hij die ons vrouw en ons kind deed fusilleren,
dat hij gaat zien hoe’t gesteld is aan de Rijn,
hoe daar zijn volk van honger ligt te creveren
en hoe zijn steden in nood gedompeld zijn.
Hij zal geen parademarch meer leren,
Duitsland “über al” is nu gedaan.
Moeilijk zal hij die pil verteren,
ziet’m lijk een zabbertrees daar staan.
Die pin van uwen hoed,
die u bespotten doet.
Den dag is daar dat gij voor schelmerijen boet.

Wie kende niet de bende van de voetenbranders
of van Cartouche, Bonnot en compagnie?3
In onzen tijd doen zo’n schoelies heelmaal anders
hij moordt en brandt lijk in den tijd der barbarie.
Ziet Schaffen, Aerschot, verder Leuven,
maar heden is de mate vol.
Zijn bloeddorst was te ver gedreven,
hij stal ons koper en ons wol.
Hij tapte af ons bloed
en leid’ ons tot bankroet,
nu is het zijnen toer, ‘t is hij die lijden moet.

3. Ik zeg vlakaf, moest ik de rechter wezen,
‘k zou hem ’n foxtrot leren in het fijn:
’n tribunaal van weduwen en wezen
die zijn rechters zouden zijn.
Zij zou’n zijn lijf in duizend stukken sleuren,
zij maakten bloedpens met des Keizers bloed
en zouden die door varkens doen verscheuren,
maak kaput, ja kaput, ja kaput.


1Hollandse kaas. De Keizer was gevlucht naar het “neutrale” Nederland.
2gevangenis, cachot
3bende van de voetenbranders: Jan Catoen en C° die tussen 1761 en 1801 boerderijen overvielen en martelpraktijken toepasten.
Bende van Cartouche: Louis-Dominique Cartouche (1693-1721) en zijn bende waren actief in Frankrijk rond 1715
Bende van Bonnot: (Frans: La Bande à Bonnot) was een Frans-Belgische criminele anarchistische bende die opereerde in Frankrijk en België. Ze waren actief van 1911 tot 1912. De bendeleden kwamen uit het illegalistische milieu. Er werd vooruitstrevende technologie gebruikt, zoals auto’s en machinegeweren, waarover de Franse politie op dat moment nog niet beschikte.
4 De familie Van Gestel heeft heel wat marktzangers en -zangeressen voortgebracht, maar de volledige en juiste familiebanden achterhalen is (nog) niet mogelijk wegens de beperkte toegankelijkheid van de burgelijke stand voor gegevens die nog geen 100 jaar oud zijn. En bovendien zijn niet alle “openbare” archieven al online beschikbaar.
Frans Van Kets (1862-1944) is op 3/12/1884 te Aarschot gehuwd met Anna Maria Van Gestel (1865-1948), dochter van Bernard Van Gestel (1824-1894) x Joke Collin
Henri Peeters (1873- ) huwde op 23/4/1894 te Aarschot met Maria Van Gestel (1875- ), eveneens dochter van Bernard Van Gestel x Joke Collin
Zij hadden nog een derde zus die Maria noemde, met bijkomende voornamen Thérèse Anne. Zij kregen allen de voornaam van hun grootmoeder Maria Dekkers, vermoedelijk dus ook hun doopmeter.
Hun broer Dolf was ook een marktzanger, evenals hun neven Alfons en Jaak. En marktzangers Hubert Geens en Jaak Morren waren gehuwd met een Van Gestel die afstamde van Josephina Van Gestel, de (ongehuwde) zus van Bernard.
Partituur * De keizer voor ’t gerecht *
      1. instrumentaal

Tags:

0

IJzingwekkende moord te Koewacht (1899)

Geplaatst door Johan op 26 mei 2020 in liedbladen, liederen, Over Moord & Rampen |

In 1975 zong Frans Noyens uit Kasterlee op vraag van Herman Van Gorp enkele oude liedjes die hij zich nog herinnerde. Het eerste lied dat hij zong was volgens hem over een “moord op de Koemarkt”.

De wreedste moorden van alle de moorden
waar een mens zijn hart van open ’n scheurt,
waar dat men vroeger niets meer van hoorde
is er onlangs op de Koemarkt gebeurd.
Een gans gezin in ’t ongeluk,
door dat afgrijselijk schelmstuk,
ja, zulk een vreselijke moord
is nooit gezien of nooit gehoord.
Daar woont ene vrouw met 8, 9 kleinen
in enen herberg langs enen kassei
Op zekeren dag kwam zij te verdwijnen
en iedereen die vroeg: waar is zij?
Dat duurde nu reeds al dagen lang
en haren man die wordt weer bang
toen hij zag zijn kinderen in de pijn …

      1. Frans Noyens, Kasterlee, 1975


Het gaat inderdaad over een ellenlang, vreselijk relaas met alle bloedige details die je tegenwoordig niet meer in de kranten zou aantreffen. Zo’n “ijzingwekkende moord”, daar moet toch iets van in de kranten van toen te vinden zijn dachten we.
Bleek dat Frans Noyens de plaats van het drama verkeerd had verstaan, het gebeurde op 13 april 1899, niet op de Koemarkt maar in Koewacht, een grensoverschrijdend dorpje, deels horend bij Terneuzen in de Nederlandse provincie Zeeland en deels bij Stekene en Moerbeke in Oost-Vlaanderen.

Prudentia Vervaet (°1845-1899), echtgenote van Serafijn Haeck (°1848), werd vermoord en haar vermoedelijke minnaar, A.C. Misseghers werd al snel verdacht en uiteindelijk ook veroordeeld tot 15 jaar dwangarbeid. Hij bleef echter zijn onschuld staande houden en 9 jaar later, in september 1908,  werd door de Nederlandse krant “De Toekomst” gewag gemaakt van een gerechtelijke dwaling want volgens hen zou echtgenoot Haeck, een slager,  op zijn sterfbed de moord hebben bekend en was het gerecht in Gent er mee bezig. Een kwakkel, zo betoogde een andere journalist die ter plekke de beweringen ging controleren.

Het lied werd naar eigen zeggen geschreven door Henri Bourgeois, een marktzanger uit Kortrijk, op de melodie “van Theophiel”, een melodie1 die vooral in de 19e eeuw populair was, en dankzij Roger Hessel hebben we het origineel liedblad in ons bezit.

In feite had het echtpaar Seraphin Haeck x Prudentia Vervaet (minstens) 11 kinderen, geboren in Gent: 4 jongens en 7 meisjes. Het oudste  werd geboren in 1873, het jongste in 1896. Drie kinderen stierven jong in 1875, 1878 en 1880. Twee dochters waren al gehuwd in respectievelijk 1876 en 1888. De zoontjes Julien, Romain en Arthur waren nog kleuters als hun moeder werd vermoord.

Het is opmerkelijk dat iemand in 1975 nog steeds dat lied van 10 strofen kende en kon zingen, weliswaar met enige vergissingen maar toch zeer herkenbaar. En ook de vrijmoedige manier waarop auteur Henri Bourgeois de gebeurtenissen tot in detail kon en mocht verwoorden, komt ons nu als eigenaardig en ongepast over. Die moet het lied geschreven hebben kort na de moord en nog voor de veroordeling want hij pleit duidelijk voor een veel zwaardere straf dan uiteindelijk werd uitgesproken.

Tegelijk is het vreemd dat Bourgeois slechts heel beschroomd en onrechtstreeks (in de slotstrofe met de moraal) over de aanleiding tot het drama spreekt: de vermeende “ongeoorloofde betrekkingen”  van de echtgenote, wat inderdaad naar de bedrogen echtgenoot als potentiële dader zou kunnen wijzen aangezien hij beroepshalve ook goed overweg kon met een slagersmes. Maar blijkbaar werden daarvoor geen bewijzen gevonden. Ook over het motief van de veroordeelde hebben wij niets teruggevonden, hij heeft nooit schuld bekend.


1 Op een oud liedblad staat het “Liedeken van Theophiel” en daar wordt als “stemme” verwezen naar “van Constant en Constantia”, over een gebeurtenis in de stad Breda waarbij Constant, “een frissche luitenant”, die daar logeerde bij een Heer, smoorverliefd werd op diens beeldschone dochter Constantia en zij op hem. In plaats van ten strijde te trekken vlucht hij met haar maar het loopt slecht af en in de elfde strofe zijn ze allebei dood. Dit lied dateert vermoedelijk van tussen 1815 en 1830.

IJzingwekkende moord te Koewacht

[A] Henri Bourgeois, Kortrijk [C] trad. 19e eeuw “Van Theophiel”

De wreedste moord van alle de moorden
waar ’t mens’lijk hart van openscheurt,
waar wij toch vroeger nimmer van hoorden
is onlangs op de Koewacht gebeurd.
Een gans gezin in ’t ongeluk,
door dat afgrijselijk schelmstuk.
Neen, zulke wrede, laffe moord
is nooit gezien, werd nooit gehoord!

Daar woond’ een vrouw met acht, negen kleinen
in een herberg aan de kassei.
Op zeek’ren nacht kwam zij te verdwijnen
en iedereen vraagt: waar is zij?
Dat duurde zo reeds dagenlang
en haren man die was heel bang.
Hij zag zijn kind’ren in de pijn,
die schreiden: waar mag moeder zijn?

Daar waren reeds vijf weken verlopen
toen een landman op zeek’ren dag
midden in ’t veld ’t geheim kwam t’ontknopen
en daar in enen waterput zag
hij bovendrijven enen zak,
hij wist nog niet wat er in stak,
maar riep toch zijn gebuurs terstond,
die dachten: ’t is nen doden hond.

En om den stank daarvan te vermijden
groeven zij daar een put in ’t land.
Om dezen hond daarin te gaan smijten
trokken zij saam de zak op de kant.
Zij doen hem open, zie, daar rolt
enen klomp vlees in bloed verstold,
een vrouwenlichaam, grote God,
geheel doorsneden en kapot.

Zie, heel haar hoofd dat is afgesneden,
en ook haar arm en borst van ‘t lijf.
En hare benen, al hare leden,
van kouden schrik staat alleman stijf.
Ach zie, haar kind’ren komen bij,
aan haren rok herkennen zij
hun eigen moeder die daar ligt,
o God, wat ijsselijk gezicht.

Hoort gij die kind’ren jammerend wenen
en roepen: moeder is vermoord.
Och God, mijn harte breekt lijk de stenen
en werd door grievend meelij doorboord.
Men ijlde spoedig naar de wet,
toen kwamen d’heren van ’t parket.
Ze zijn terstond op zoek gegaan
wie dat die moord ook heeft gedaan.

Het volk zal dra den moordenaar noemen
al heeft het God alleen gezien.
Wie zou zo’n monster niet gaaan verdoemen,
daarvoor te zacht is de guillotine.
Dra komt de moordenaar aan ’t licht
die gans de streek geheel ontwricht
en wel verdiend is zijne straf,
men sla hem kop en armen af.

Ene jongen heer van daar in het ronde
die door de mensen wordt verdacht
is in Antwerpen gekoord en gebonden
en bij het walg’lijk lichaam gebracht.
Hij loochent stellig dien misdaad
en ’t geen verteld was langs de straat,
maar blijft in d’handen van de wet
wijl ’t onderzoek wordt voortgezet.

Nu is alreeds het hoofd ook gevonden,
armen en benen al in een zak,
en vol van stenen, goed toegebonden,
die in den put in de modder stak.
Zaagt gij wel ooit zo een barbaar?
Dat monster van een moordenaar
had haar gekapt in zeventien stuks
men trekk’ hem ook in brok en pluks.

Spiegelt u vrouwen en jongelingen
waar een vuil leven u leiden kan.
’k Wil hier geen slechte dingen bezingen,
maar neemt toch al een voorbeeld daarvan.
Leeft altijd zuiver en oprecht,
en weest getrouwig in den echt,
dan hebt gij een gelukkig lot,
en dient altijd den Groten God !

Partituur * IJzingwekkende moord te Koewacht *
      2. instrumentaal

Tags:

0

Mijn Sofie

Geplaatst door Johan op 24 mei 2020 in liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

Dit is niet het onfortuinlijke piepjonge Sofieken waarover Wannes Van de Velde zong en het betreft hier ook een hele andere melodie. We vonden het op een liedblad van Aloïs Van de Velde – geen familie van Wannes denken we – en hij vermeldt “Monte la dessus” als zangwijze. Dat is voluit “Monte là-dessus (et tu verras Montmartre)“, een compositie anno 1923 van Charles Borel-Clerc op tekst van Lucien Boyer.

Het is nog maar eens een “liefdeslied” waarbij naarmate het lied vordert het geïdealiseeerde liefje toch enkele constructiefouten blijkt te vertonen terwijl de verliefde zanger de enige is die daar blind voor blijft.

Mijn Sofie

[A] Aloïs Van de Velde [C] Charles Borel-Clerc (1923)

Ik vrij daar met een moksken, haren naam is Sofie.
Het is een modepopken, die kleine hartedief.
Zij heeft een schoon rond wezen, het kan niet beter zijn,
ik voel mijn harte leven als’k denk aan die lieve klein.
Als ik uit wand’len ga
kijkt iedereen ons na.
En elk schoot in enen lach,
‘k wist niet dat zij’n snuifneus had.

Ha, Sofie, ha, Sofie,
‘k zou voor u mijn bloed ten beste geven.
Wel Sofie, toe Sofie,
zweert mij trouw of ik trek u uiteen (u uiteen).
Ha, Sofie, u alleen,
nooit geen and’re zal mijn hart bekoren,
schoonste bloem van ‘t land
met honderd vrijers aan d’hand en
toch zie ik haar gèren.

Nu zal ik u verklaren hoe ‘k er mee in kennis kwam.
‘s Avonds was ik aan’t dwalen al in een donker park.
De maan was opgerezen, ik schrikte en bleef staan,
ik voel mijn hart nog beven als ik daar haar beeld zag staan.
Zij schoot in enen lach
en zelf stekt ze me vast.
Ik trouw met u, zegt ze serieus,
wijl snuif spoot uit haar neus.

Mijn vrienden die verklaren dat ik ben stapelzot.
‘k Zal ze eens goed afslagen als er nog eentje spot.
Gaan wij eens promeneren al in het jeugdig groen
dan voelt zij haar herleven dat heeft mijn Sofie vandoen.
Kan drinken lijk een koe,
van ‘t eten nooit niet moe
want ’n rosbief ja van drie pond
propt zij in haren mond.

Partituur * Mijn Sofie *
      1. instrumentaal

Tags:

1

Maar nu … helaas

Geplaatst door Johan op 19 mei 2020 in liedbladen, liederen, Over Liefde & Verdriet |

Toen Louis Boeren dit lied schreef was hij volgens ons niet geïnspireerd of geconcentreerd genoeg om na de eerste strofe op zijn élan door te gaan. De twee volgende strofen zijn wat rommelig, een beetje in mekaar geflanst en dat zijn we van hem niet gewend. Wat hij weet te vertellen is weinig flatterend voor de vrouwen en we nemen aan dat het niet autobiografisch is maar een “kluchtlied” dat hij gebruikte om zijn befaamde gekke bekken te kunnen trekken.
De melodie komt van het franse “Si tu veux”, oorspronkelijk gezongen door Jeanne Boitel in de gelijknamige film van 1932.


Maar nu … helaas

[A] Louis Boeren [C] Raoul Moretti

Toen ik nog was een kindje
door moeder teer bemind,
dan lag ik in mijn wiegje,
lachend en wel gezind.
Toen nam er menig dienstmeid
mij in haar armen op
en gaf mij menig zoentje
en streelde op mijn kop.

Maar de vrouw, de vrouw
dat was voor mij een strop
Moest ik nog heden trouwen,
ik hing mij liever op.
Maar de vrouw, de vrouw
was spoedig in het spel.
Ik had mij laten paaien,
de rest begrijp je wel.
Nu hoor ik steeds maar klagen in den nood.
Den gansen dag zwoeg ik mij bijna dood.
Maar de vrouw, de vrouw
dat is het grootste kruis.
Ik zeg U beste vrienden:
haal die toch nooit in huis!

Ik was al achttien jaren
en kende geen gevaar.
Ik wou aan al de meisjes
mijn liefde schenken, maar
ik ging maar altijd zoeken
of er een meisje was.
Maar dansen, drinken, zwieren,
zolang er geld bij was.

Ik had een tijd te leven
geheel naar mijnen zin,
met vreugden overdreven,
wist van geen liefdemin.
Ik gaf mijn lieve moeder
mijn preeke af in schijn
maar steeds de grootste helleft
was altijd toch voor mij.

Partituur * Maar nu … helaas *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Moest er genen man bestaan

Geplaatst door Johan op 16 mei 2020 in liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

Op de melodie van “Dans les jardins de l’Alhambra” dichtte Rare Sus, alias van Frans Currinckx, zijn visie op het vrouwvolk. Het was misschien zijn zwanezang want hij stierf naar verluid in 1923 en de gekozen melodie werd in datzelfde jaar pas door F.L Benech geschreven. Die zou overigens enkele jaren later ook overlijden zodat dit lied toch echt wel “Public Domain” is geworden.


Het lied van Rare Sus werd ook overgenomen door “Jaak Van Gestel en zijne dochter” en door het echtpaar Geens uit Aarschot.

Overigens dekte Rare Sus zich in bij de vrouwelijke toehoorders door op dezelfde melodie een tegenhanger te dichten:

Maar deze versie laten we hier nu even buiten beschouwing …

Moest er genen man bestaan

[A] Rare Sus [C] F.L. Benech (1923)

Ik ga het wagen voor te dragen u een lied.
Wat dat er met de vrouwen nogal veel geschiedt.
Ja de vrouwen treit’ren hunnen man in ‘t fijn,
nochtans ze kunnen er toch zo lief mee zijn.
Gij mannen, slachtoffers van ‘t vrouwelijk geslacht,
Ja, Ja, we zijn in die serpenten hunne macht,
kundet gij geloven dat gij zijt de baas,
ze nemen de mannen voor ‘nen Jan Klaas.1

En wat zouden de vrouwen zonder mannen zijn,
bij al2 dat z’ons bedotten en minnen in schijn?
De mannen zijn er zo groot nodig als het brood,
moest er geen man bestaan, de vrouw ging dood.

Ze snoepen, babbelen, lameren ondereen
Hunnen man uitmaken is voor hun niets gemeen.
Hoe is’t met den uwe, zuipt hem nog zo veel?
Wel mijn schaapke lief, hij giet het door zijn keel.
Gij Trien, wat is’t, gaat hij nog met die andere mee?
En komt hij Zaterdags naar huis nog zonder pree?
Och zwijg van de mijne, hij ’s nooit in zijn kot,
als dat zo blijft duren maak ik hem kapot.

Zodus de vrouwen schimpen altijd op de man
maar wilt onthouden, ik weet er het mijne van:
ga maar naar Sint-Anneke3 in den achternoen
dan zult ge verschieten van wat ze daar doen
ik heb al veel vrouwen gezien met ‘n andere vent
nochtans haar man is goed en zij is niet content
zij heeft voor hem liefde maar het is in schijn,
ik zeg niet dat vrouwen allemaal zo zijn.


1 een pop uit de poppenkast, meestal het lijdend voorwerp in het verhaaltje en onder de sloef van zijn Katrien.
2 vooral, daarbij komt nog
3 een soort mini-strand aan de oever van de Schelde, volgens de officiële versie vernoemd naar het dorpje / de parochie Sint-Anna dat daar tot circa 1920 was. Maar de heilige Anna – de grootmoeder van Jezus nadat ze onverhoopt een dochter Maria had gekregen – was de patrones van de kinderwens en vele koppels zouden indertijd dit strand hebben uitgekozen om er voor te zorgen dat ze niet kinderloos bleven. Fake News? “Misschien is ’t niet waar, maar het is wel een goed verhaal” zeggen de Italianen dan.
Partituur * Moest er genen man bestaan *
      1. instrumentaal

Tags:

Copyright © 1995-2020 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com