0

Mijn vrouw dierenbeschermster

Geplaatst door Johan op 10 december 2018 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Het verhaal van dit lied kennen we beter in de versie die door Erik Wille werd opgetekend in Ieper bij mevrouw Erna Frimout (zo staat het aangegeven op het boekje bij de CD ” ’t Is gene zuiveren…”) en nog steeds door hem gezongen en uitgebeeld wordt als “Onzen Hond”, maar dan wel op een heel andere melodie dan hieronder. Daar bestaat ondertussen ook een draaiorgel versie van.

We vonden een verwante tekst en (andere) melodie  in “Geschiedenis van het café-chantant“, samengesteld door Willy Lustenhouwer. Zelf geeft hij geen enkele inlichting over vindplaats of auteurs.

Eerder toevallig ontdekten we nog een derde, fel gelijkende tekst:

Deze tekstversie wordt toegeschreven aan L. Boel en zou uit 1924 dateren. Dat schrijft Jos Ghijsels in “Aalsters Volksleven – Markt- en Straatlied 1860-1950“, uitgegeven in 1978 door het “Genootschap voor Aalsterse geschiedenis”. Als zangwijze wordt daarbij verwezen naar “J’ai une femme qui adore les animaux” wat meteen duidelijk maakt dat beide versies een poging tot  vertaling moeten zijn van hetzelfde Franse lied.

Dat blijkt na veelvuldig zoeken inderdaad het lied “Elle m’aime pas” te zijn, op tekst van filmster en gelegenheidszanger Pauley, artiestennaam van Paul Eugène Louis Marien (1868-1938), op muziek gezet door Ch. Jardin (+1950) en (ook) gezongen door de franse vedette Dranem, artiestennaam van Armand Ménard (1869-1935). De originele tekst van eerste strofe en refrein luidt als volgt:

ELLE M’AIME PAS

J’ai une femme qu’adore les animaux,
C’est sa passion c’est sa vie.
Mais pour moi ce n’est pas rigolo,
Elle me délaisse un peu trop.
Elle a un vieux perroquet,
elle est constamment après,
Il est toujours sur son dos,
elle l’appelle son petit coco.
Elle craint qu’il s’fasse mal aux dents,
elle lui mâche ses aliments,

Elle ne m’fait jamais des trucs comme ça,
elle m’aime pas, elle m’aime pas,
Il est évident qu’si elle m’aimait,
qu’elle me le ferait.

Van de partituur konden we alleen een foto van de cover bemachtigen en ook van de plaatopnames van Pauley of Dranem vonden we nog geen copie. Wel een veldopname van een zekere Francis Michot die het in 1970 voorzong aan een verzamelaar.

      1. Francis Michot *Elle m'aime pas*

Die melodie – hier en daar wat onbeholpen gezongen – komt vrij goed overeen met wat Lustenhouwer kon optekenen.

Ik heb de indruk dat de versie die Erik Wille ontdekte als “Onze Hond” gemaakt is door een marktzanger, die onder de indruk was van het Franse lied, maar in plaats van de originele versie te vertalen het hele gebeuren heeft herverteld op zijn manier en op een gekende (?) melodie heeft geplaatst die hem beter paste.

Hieronder de versie die Lustenhouwer optekende, een andere, vrije vertaling van het Franse lied.

Mijn vrouw dierenbeschermster

‘k Heb een vrouw die veel van beesten houdt
ja, dat is haar lekker leven.
Hare vent, die laat haar immers koud,
ja dat gaat boven zijn hout.
Z’heeft daar nu ’n papegaai,
deze komt recht van Chicago,
en hij maakt zo’n groot lawaai,
ze noemt hem “mon p’tit Coco”.
Omdat z’n tanden geen zeer zou’n doen,
knabbelt ze z’n eten elke noen.

Z’heeft zij dat nog nooit met mij gedaan,
en pertang, ‘k hou ekik daarvan.
Als ik zegge da’k het geiren heb,1
ze lacht daar altijd mee.

Z’heeft daar ook ’n kater lijk ’n beer,
zit vol luizen en vol vlooien,
wrijft hem in met lotion piccaleer,
en ze vet hem in met smeer.
‘s Morgens als ze komt uit bed,
is die beeste daar al gezet,
en ze pakt hem op h’r kniên,
en ik mag daarop staan zien,
en om hem t’ontdoen van stank en geur,
doet z’hem elke week naar de coiffeur.

Z’heeft daar nu ’n leegvel van ’n hond,
die niet anders doet dan fretten,
en zijn buik die sleept tot op de grond,
daar is dan ’n strikske rond.
Z’heeft hem nu cadeau gedaan,
van ’n soorte cachecorseetje,
Als z’er mee op wandel gaat,
iedereen die lacht er mee.
Als die vetzak niet meer voort ’n kan,
draagt zij hem totdat ze zweet d’r van.

Z’is daar laatst eens naar de markt gegaan,
om ’n hele bende kiekens.
Sedertdien mag heel die karavaan,
vrij en vrank m’n huis in gaan.
Op de trap en in ‘t salon,
overal tot in de keuken,
op m’n bed en canapé,
leggen zij hun port’monnee.
En wanneer ze zoeken achter nest,
in m’n vrouw h’r schort leggen ze best.

W’hebben ook ’n aap, ’n wiestietie,2
en hij komt van bij de zwartjes.
Wij noemen hem schele Sjarlewie,
is er t’eten hij’s t’r bie.
Maar hij laat steeds restjes na,
hij zou dat toch niet mogen doen.
Mijn vrouw loopt hem achterna,
zonder handschoen’ aan te doen,
Ze pakt steeds ’n spons en water mee,
en wast er zijne wiestietie mee.


1 waarschijnlijk uitgesproken “hee” in ’t dialect
2 de Ouistiti aapjes zijn berucht omdat ze door inbrekers werden afgericht om via kleine raampjes naar binnen te sluipen, de deursleutels los te peuteren en naar hun baasje te brengen.

Partituur * Mijn vrouw dierenbeschermster *
      2. instrumentaal

Tags:

0

Moeder, geef mij nog een kus

Geplaatst door Johan op 6 december 2018 in cahiers, liedboeken, liederen, Over Liefde & Verdriet |

In het boekje “Krotte met steerten en ajuin, gedichten en liederen uit de 19e eeuw” nam Guido Vandermarliere ook een stukje op dat hij vond in het liedjesschrift van kapelaan Martijn Coune uit Borgloon dat bewaard wordt in het Rijksarchief te Hasselt en in 1895 zou geschreven zijn.

De tekst deed ons denken aan andere liederen uit die periode, meestal vertalingen uit het engels van internationale piano-hits geschreven door C.A. White, J.R. Thomas en anderen. In ons eigen archief vonden we alleen een vermelding van de titel en een klein stukje melodie als “teaser” op de achterkant van een partituur uitgegeven bij F.B. Den Boer uit Middelburg.

De volledige partituur vonden we niet, tot we gingen speuren op de website van John Hopkins & The Sheridan Libraries waar meer dan 28.000 public domain partituren uit  de Levy collectie worden ter beschikking gesteld. Zo kwamen we uit bij “Kiss me, mother, ere I die“, in 1863 gepubliceerd bij Henry Tolman in Boston en geschreven door W. Dexter Smith (tekst) en Frederick Buckley (1833-1864) (muziek). Het was snel duidelijk dat we te maken hadden met een (vrije) vertaling van dit lied. En zo vonden we dus de melodie terug die in het liedjesschrift niet werd vermeld.

Het gaat – zoals dikwijls in liederen uit die periode – over een kind dat op sterven ligt. Kindersterfte was tot aan pakweg WOI een levensgroot probleem, ook bij ons, in een tijd dat het belang van hygiëne nog niet was doorgedrongen en er ook nog geen zuiver water uit een waterleiding kwam. We bespraken al enkele andere dramatische liederen uit dezelfde periode over hetzelfde thema: zie Sonny Boy,  Vader, kom huiswaarts en andere

We pasten de tekst gevonden bij kapelaan Coune hier en daar wat aan in functie van het origineel, en dit is het smartelijke resultaat.
Het is een lied met een dubbel refrein: een ‘gewoon” refrein en daar bovenop nog een “koor”-versie in 3 of 4 stemmen, zoals dat indertijd werd uitgevoerd door de “Buckley’s Serenaders“, een zangkwartet samengesteld uit familieleden van de componist. Het is mogelijk dat de “chorus” alleen werd gezongen als slotrefrein, wat het lied compacter en verteerbaarder maakt.

Moeder, geef mij nog een kus

Moeder, geef mij nog een kus,
wil m’uw laatste zegen geven
eer het kille graf m’ontvangt
en ik afscheid neem van ‘t leven.
Moeder, kus en zegen mij
net zoals in vroeger jaren
toen ik speelde vro en blij,
al die vreugd’ is heen gevaren.

Oh kus me moeder voor ik sterf
laat me uwe streling voelen
eer ik lig voor altijd neer,
moeder, kus me nog één keer.

Moeder, geef me nog een kus
eer het kille graf m’ontvangt.
Troost m’oh troost m’in ‘t stervensuur, moederlief!
Kus mij, moeder! Nog één kus.

Moeder, kus mij eer ik slaap
om op aard niet meer ‘t ontwaken.
Ach, ik bid en ween toch niet
nu mijn ziel haar zucht gaat slaken.
Ween niet over mij die thans
van een aard’ vol zorg moet scheiden.
Weldra komt de laatste rust
en een morgen vol verblijden.

Moeder, geef me nog een kus,
éénmaal zult gij mij ontmoeten
boven wolk en boven ster
waar Gods engelen ons begroeten.
Moeder, geef m’uw laatste kus,
druk mijn hand aan ‘t minnend harte.
Oh, mij doet de dood geen pijn
want uw kus verbant de smarte.

Partituur * Moeder, geef me nog een kus *
      1. instrumentaal (met intro)

Tags:

0

Oorlogslied 1914 “Den IJzer in”

Geplaatst door Johan op 25 november 2018 in cahiers, liedboeken, liederen, Wereldoorlog |

Een oorlogslied 14-18, gezongen op een melodie die zo uit een klaroen zou kunnen komen. Die melodie en het grootste deel van de tekst vonden we in “Zo d’ouden zongen”, zonder bronvermelding. Roger Hessel neemt een licht afwijkende tekst op in zijn boek “De onvergetelijke Tamboer” omdat “Volgens mijn zegsman, Noël Piepers, werd dat lied door Lionel Bauwens geschreven tijdens zijn verplichtte tewerkstelling in het Noord-Franse Halewijn.” Daaruit leiden wij af dat het niet werd teruggevonden op een gedrukt liedblad maar in een (anoniem) liedschrift.
De 4e strofe vinden we inderdaad enkel in die versie  en een verschil in strofe 3 bewijst volgens ons dat het op zijn minst werd opgeschreven “van horen zingen” en niet overgeschreven van een authentiek liedblad.

Er staat in de vermeende Tamboer-versie:

Een Kerstenboom dat was ons droom
Zij gingen dansen rond en om
Het feestpaleis in vollen pracht
Een klokgeluid tot middernacht
Maar Rusland die de sterkste was
Die klonk tot schand over 't loederen ras
Danst nu met uw Keizerlijke pin
Den Yzer in

Het rijm “droom” – “om” schijnt er op te wijzen dat het lied oorspronkelijk in het Gents werd gezongen. In de andere versie is het overduidelijk dat het lied uit het Gentse stamt en heeft men het over (klokke) Roeland in plaats van Rusland. Dat is plausibeler, temeer daar Rusland “die de sterkste was” in feite door het Duitse leger onder de voet was gelopen en pas in 1917 met de hulp van de geallieerden een wapenstilstand kon afdwingen. Hoewel de echte bronzen “klokke Roeland” al in 1659 werd omgesmolten tot 40 beiaardklokken, bleef men in de volksmond de naam gebruiken, nu toegekend aan “de Grote Triomphante”, de grootste basklok van die beiaard. De passage in het lied zou dan willen zeggen dat de keizer in zijn paleis dan wel feestelijk klokgelui liet horen maar dat die overstemd werden door “klokke Roeland”, versta het morrende volk in Gent en omstreken.

Ook de rest van de vermeende Tamboer-tekst staat vol krom Nederlands, atypisch voor Tamboer. Die was afkomstig van Maldegem en woonde in Eeklo, toch niet in de onmiddellijke buurt van Gent gelegen.

We hebben de 4e strofe dan ook lichtjes herwerkt en plausibeler gemaakt. Er stond oorspronkelijk:

Den fieren zang, den Vlaamsche leeuw
Werd ook geroemd op 't land van eer
Hoezee ! gij dapp'ren die met spoed
Ten strijde ging met leeuwenmoed
Van oost naar west, van zuid naar noord
Die wilt het volk de duitsche klop
Werp maar die Keizerlijke pin
Den Yzer in

In het de heemkundige publicatie “De Liedjeszangers te Berlaar en omgeving” schrijft Toine De Schutter in 1987 dat hij dit lied (weliswaar ook weer met verminkte tekst en zonder de 4e strofe) vond op een “vliegend blad” uitgegeven door de gebroeders Van Mechelen uit Heist kort na WOI. Zonder aanduiding van wie de auteur was of welke melodie er bij hoorde.

Het lied komt dus bijna zeker niet van Tamboer maar wellicht van een anonieme, dichtende Gentse soldaat en werd overgenomen door professionele marktzangers.

In de tekst staat de vermaledijde Keizer Wilhelm model voor alle Duitsers en omgekeerd. De nog niet verslagen Belgische soldaten betuigen hun onverzettelijkheid en beweren niet bang te zijn voor de agressor.

Wanneer dit lied precies geschreven en gezongen werd is niet helemaal zeker. Enerzijds wordt in de tweede strofe de lof gezongen van generaal Leman die de Duitsers “in het zand” zou hebben doen bijten. Dat zou dan voor 16 augustus 1914 moeten geschreven zijn want  de Duitse soldaten werden tot dan inderdaad een tijdje opgehouden door de forten rond Luik tot het kanon “Dikke Bertha” in stelling werd gebracht en Leman krijgsgevangene werd tot 1917. Anderzijds heeft de volgende strofe het al over Kerstmis. Misschien was de liedschrijver aan het front verstoken van communicatie en waren zijn gegevens niet erg up-to-date.

Oorlogslied

Door een heil’gen broederband
beschermen wij ons vaderland.
Berlijn, Berlijn, gij Duits venijn
vreeslijk zal uw straffe zijn.
Gij Duits gebroed, gij steelt ons goed,
gij rooft ons’ vaders, broeders bloed

Zakt met uw keizerlijke pin1
den IJzer in (bis)

Als groot man zijt gij gekend
maar niet gevreesd door ‘t volk van Gent.
Tiran, tiran, uw helse plan
mislukt door generaal Leman.2
Hij was het die met kloeke hand
u bijten deed in ‘t Belgisch zand

Weg met uw keizerlijke pin
den IJzer in (bis)

Een kerstboom was uwen droom,
gij danste en sprong er rondom.
Het feestpaleis in volle pracht,
klokgeluid tot middernacht.
Maar Roeland die de sterkste was
sprak schande over gans uw ras.

Saks met uw keizerlijke pin
den IJzer in

Fieren zang, de Vlaamse leeuw
werd ook geroemd op ‘t veld van eer.
Hoezee! Gij dapp’ren die met spoed
strijden ging met leeuwenmoed.
Van Oost naar West, van Zuid tot Noord
daar wil het volk den Duits van boord

Werp maar die Keizerlijke pin
den IJzer in (bis)


1 De Keizer en zijn Pruisische soldaten droegen helmen met bovenaan een pin.
2 Graaf Gérard Mathieu Joseph Georges Leman (1851 – 1920) was een Belgische generaal. Tijdens de Eerste Wereldoorlog voerde hij het bevel over de Forten rond Luik, zijn geboortestad. Hij werd op 16 augustus 1914 gevangen genomen nadat hij het bewustzijn verloor toen het Fort van Loncin onder de kanonskogels viel. Hij was toen al 62 jaar.
Partituur * Oorlogslied – den IJzer in *
      1. instrumentaal

Tags: ,

1

De misdaad van een soldaat (Van Ferdinand en Virginie)

Geplaatst door Johan op 10 november 2018 in cahiers, liedboeken, liederen, Over Moord & Rampen, schrift Victor Clerinx, Soldaten |

In het cahier dat Victor Clerinx (1912-1984) bijhield tijdens zijn soldatentijd vonden we dit:

We zagen een vrijwel identieke tekst in het boekje “Liedjeszangers uit Steenokkerzeel en Ommeland” van J. Lauwers en in het boekje “Marktliedjeszanger en kroegzanger van bij ons” legt A. Paessens deze tekst in de mond van Jaak Morren, alias “Jaak van Meneer” uit Aarschot. In Nederland noteerde Harrie Franken tekst en melodie in zijn woonplaats Weebosch. Op basis van die notatie denken wij dat het lied werd gezongen op de melodie van “Ach God, ik leef in nood“, een lied uit de eerste helft van de 19e eeuw dat ook model heeft gestaan voor “Hij moest soldaat gaan zijn” en dat net zoals hier over een ongelukkige soldaat gaat die tijdens zijn legerdienst ontdekt dat zijn lief hem niet trouw is waarna hij haar neersabelt en zelf ook de doodstraf riskeert.

Hier is het dus Ferdinand die naar Namur trekt, naar de kazerne aldaar om zich verdienstelijk te maken bij de kanonniers. Zijn lief Virginie belooft hem bij het afscheid trouw te zullen blijven en na zijn legerdienst zijn vrouw te worden. Na amper drie maanden echter verneemt hij dat zij een ander lief heeft, en hij deserteert meteen maar neemt wel zijn sabel mee om haar te doden. Details over de moord vernemen we nauwelijks, wel over de gevolgen: hij krijgt de dood met de kogel of zal sterven op het schavot. Het deert hem naar eigen zeggen niet, als hij daardoor maar eeuwig mag rusten bij zijn geliefde Virginie. Romantisch, vreselijk en krankzinnig tegelijk.

Gezien het verhaal verbaast het niet dat dit lied tijdens de legerdienst werd genoteerd en allicht ook gezongen. Het verhaal is net zoals de muziek ten laatste in de 19e eeuw ontstaan, toen kanonniers blijkbaar een sabel droegen, en het was dus minstens 100 jaar oud toen Victor Clerinx het noteerde. Ik heb hem en zijn echtgenote Julia “van Toinge” De Keyzer indertijd vele malen bezocht, maar zingen heb ik hem nooit horen doen. Victor, oudstrijder 1940-1945, overleed op 10 november 1984, dat is ook al 34 jaar geleden.

Op de CD “Markt- en Straatliederen uit Vlaanderen” (1992) van “Groep Tamboer” – niet meer verkrijgbaar in de handel –  staat het tragische verhaal van Rosalie (met den bloedende vinger) die nog nooit had gevrijd (een maagd dus) en vreselijk werd vermoord. Zij kwam al spokend ’s nachts bij de snode dader met haar bloed de “M” van moordenaar op zijn voorhoofd schrijven en zo werd hij ontdekt en veroordeeld. Straf verhaal! De melodie van het refrein is helemaal “Ach God, ik leef in nood”, we linken naar een kort fragment onderaan deze pagina.

ocharme die schone meid, 
en die had er nog nooit gevrijd
die werkend voor haar brood, 
zo vreselijk werd vermoord

Groep Tamboer is niet meer actief maar “Rosalie” wordt nog steeds gezongen door DEMI GEUS, zijnde Tjerrie Verhellen en C°. Zij hebben er een mooi spandoek, een “smartlap” in feite, van geschilderd.

Zo beroemd zijn Ferdinand en Virginie echter nooit geworden…

De misdaad van een soldaat

(Ferdinand en Virginie)

Schoon lief ik ga naar Namur
en maakt daarom geen bezuur
den droeven dag komt aan
dat ik moet vertrekken gaan.
Wij moeten elkaar verlaten
want ik gaan naar de soldaten
maakt daarom toch geen droefheid
want ‘t is maar voor een korten tijd.

Maakt daarom toch geen droefheid
want ‘t is maar voor een korten tijd.

Schoon lief ik moet binnen gaan
en maakt daarom geen betraan
want bij de kanonniers
daar maken wij veel plezier.
Ik zal dan in congé komen
schoon lief, gij moet u niet schromen
dan zijn wij weer bij elkaar
ach Virginie, maak geen bezwaar.

Dan zijn wij weer bij elkaar
ach Virginie, maak geen bezwaar.

Wij gaven elkaar de hand
terwijl zij sprak: “Ferdinand,
ik zweer op u den trouw
dat ik word uwe vrouw.”
Wij hebben elkaar verlaten
in droefheid en in veel tranen
maar op belofte van trouw
kwam ik in druk en rouw,

maar op belofte van trouw
kwam ik in druk en rouw.

Als ik was drie maand soldaat
hoord’ ik van die valse maagd
zij schreef mij enen brief
dat zij had een ander lief.
Ik deserteerde van mijn posten,
schoon lief, ‘t zal uw leven kosten,
en met den sabel in d’hand
heb ik mijn lief aangerand,

en met den sabel in d’hand
heb ik mijn lief aangerand.

Ik dacht aan geen druk en nood
en bracht Virginie ter dood
met zulk een wreed gemoed
als dat zij zwom in haar bloed
zo bracht ik haar dan om ‘t leven
en heb mij gevangen gegeven.
Ik wil ook den dood doorstaan
en neven haar ‘t graf in gaan.

Ik wil ook den dood doorstaan
en neven haar ‘t graf in gaan.

Zij hebben mij wreed gebonden
en naar ‘t gevang gezonden
daar leesden zij mij af
als dat ik had voor voor mijn straf
door den kogel te moeten sterven
op ‘t schavot mijn jong leven derven.
Maar sterven doen ik met plezier
als’k mag rusten bij Virginie.

Maar sterven doen ik met plezier
als’k mag rusten bij Virginie.

Partituur * De misdaad van een soldaat *
      1. instrumentaal
      2. Rosalie - Groep Tamboer (fragment)

Tags:

Auteursrecht © 1195-2018 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com