0

Carnavalbal

Geplaatst door Johan op 13 februari 2018 in liedboeken, liederen |

De zanger vertelt zijn wedervaren op een carnavalbal. Hij danst er met een jong meisje dat hem naar haar vader meetroont want die moet zijn toestemming geven om met haar te dansen. Dat mag en het blijft niet bij dansen… In vervoering trakteert onze nietsvermoedende zanger vader en dochter op rode wijn. Na een tijdje moeten ze er plots vandoor, naar Parijs zeggen ze. Even later ontdekt de zanger waarom ze zo gehaast waren.

Het lied werd door Willy Lustenhouwer ergens genoteerd en later gepubliceerd in zijn boek “Geschiedenis van het Café-Chantant”. We hebben geen andere versie gevonden

Carnavalbal (Chère bon ami)

Al met de carnaval trok ik al naar het bal,
ik voelde mij alleen, kon ik maar zijn getweën.
Er was een zoete kind, ik sprak tot haar gezwind,
en vroeg al met fatsoen al om een dans te doen.

Ze zei me blij: ami, maar père est ici,
chère bon ami, chère bon ami
Je zou dat moeten vragen maar hij is nogal gentil,
chère bon ami.

Het meisje wees alras, wie dat h’r vader was,
‘t was ’n bejaarde man, ’n soort van charlatan.
Ik ging mee tot bij hem, en vroeg met zachte stem,
meneer ik ben Lowie, ik woon in Veldegem.

Monsieur mag ik eens dansen met uwe Sofie,
chère bon ami, chère bon ami?
Monsieur mag ik eens dansen met uwe Sofie,
chère bon ami, chère bon ami?

Hij bezag mij met spoed, van hoofdeke tot voet,
ge zijt ’n flinke gast, hewel pak ze maar vast,
‘t Muziek speelde ’n wals, ik vloog aan haren hals,
Wij sprongen op en neer, zo licht gelijk ’n veer.

Ze kuste mij al dansend, en ze sprak Lowie,
chère bon ami, chère bon ami.
Ze kuste mij al dansend, en ze sprak Lowie,
chère bon ami

‘k Trakteerde rode wijn, dat mag er toch wel zijn,
Papa, slimme kadee, die zoop er ook van mee,
We zaten bij mekaar, ’n uur of twee voorwaar,
Maar plots toen zei meneer, we moeten weg och heer!

Want ik die moet vertrekken rechte naar Paris,
chère bon ami, chère bon ami,
Ge moet ons excuseren, donn’ la main à ma Sofie,
chère bon ami.

Vertrokken met de spoed, ‘k stond daar met droef gemoed,
z’hadden mijn portmonnee en mijn horloge mee.
‘k Liep seffens op de straat, helaas het was te laat,
geen van die beide liên, waren er nog te zien.

Zij schoepten er mijn geld, ze waren schampavie,
chère bon ami, chère bon ami,
Zij schoepten er mijn centen en
‘k heb ze niet weer gezien,
saprisapristie

Partituur * Carnavalbal *
      instrumentaal

1

Het lied van de pap

Geplaatst door Johan op 7 februari 2018 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Nog zo’n zeer oude, traditionele melodie, terug te vinden in honderden liederen, waaronder politieke pamfletten, is het “Lied van Pierlala”, een legendarische figuur die zowel de genen van Tijl Uilenspiegel als die van Pallieter in zich had. In alle liederen op die melodie gebeurt er wel iets ondeugends of uitdagends. Ook zo in “Het lied van de pap” waarin een hilarische gebeurtenis tijdens een kerkdienst wordt verteld en waarbij de verstrooide koster het mikpunt van leedvermaak is geworden.
We combineerden de versies die we vonden in “Geschiedenis van het Café-chantant” en in “Van Zinge en Speule” delen 4 en 5, verzameld door Harry Franken. Die laatste noteerde de melodie zoals ze op verschillende plaatsen in de Kempen werd gezongen en daarin is met veel moeite de wijze van “Pierlala” nog te herkennen. En ook bij Lustenhouwer is de melodie niet helemaal dezelfde als de versie die we kennen uit de schoolboekjes… van lang geleden, toen er op de lagere school nog vele traditionele liederen werden aangeleerd.

Het lied van de pap

Daar is een schone klucht geschied, en dat door kosters fout.
Door sneeuw en wind, wie weet het niet, is het des winters koud
en zeek’re dag wilt goed verstaan,
wanneer de vroegmis aan moest gaan,
toen ging er niemand aan het werk, maar elkeen naar de kerk.

toen ging er niemand aan het werk, maar elkeen naar de kerk.

Mijnheer pastoor kwam aangegaan, ging naar de sacristij,
En sprak dan zijne koster aan: dat hier wijwater zij,
Mijnheer pastoor ‘t is door de vorst,
zo hard bevroren als een korst,
Mijnheer pastoor kom maar gewis, zien hoe ‘t bevroren is

Mijnheer pastoor kom maar gewis, zien hoe ‘t bevroren is

Of het bevroren is of niet, het moet ook zijn ontdooid,
Want zoveel vreemden als gij ziet, die waren hier nog nooit.
De koster nam ‘t wijwater aan,
en is er mee naar huis gegaan,
En zette neder met plezier, ‘t wijwater aan het vier

En zette neder met plezier, ‘t wijwater aan het vier

De kostersvrouw had pap gekookt, voor knecht en klein en groot,
Die pap was dik en welgebrokt, heel stijf van roggebrood,
De koster gierig met goed fatsoen,
inwijl nog gauw ’n druppel doen.
Dat smaakt naar ‘t schijnt wel nooit zo zeer, dan in het winterweer.

Dat smaakt naar ‘t schijnt wel nooit zo zeer, dan in het winterweer.

Opeens hoort hij de beeklok slaan, de mis was aanstonds uit,
Dan is hij ras naar huis gegaan, daar lag het spel verbruid,
Zijn vrouw die was juist bij geval,
de koeien melken in de stal,
haar man nergens geen licht ’n vond, en in d’n donk’ren stond

haar man nergens geen licht ’n vond, en in d’n donk’ren stond

Hij meende dat ‘t wijwater was, hij nam de pappot aan,
En is ermee al even ras naar ‘t sacristij gegaan,
Pastoor die in d’n donker stond,
stak zijn kwispel tot op de grond,
Hij meende zonder twijfel dat, hij goed wijwater had.

Hij meende zonder twijfel dat, hij goed wijwater had.

Nu, Dries kreeg zijn gezicht vol pap, Jan kreeg het in zijn haar,
Eenieder lachte met die grap, maar ik was rap vandaar.
En Klaaske die riep met geweld,
ziet eens hoedat ik ben gesteld,
‘k Kreeg gans de kwispel op m’n kap, en louter roggepap.

‘k Kreeg gans de kwispel op m’n kap, en louter roggepap.

De vrouwen aan de linkerkant die kregen ‘t in hun oog,
omdat de pap heel dik van brij, zo duivels vloog omhoog,
Zij raapten gauw de voorschoot op,
en smeten hem op hunne kop,
De een drong d’andere vooruit, welhaast de tempel uit.

De een drong d’andere vooruit, welhaast de tempel uit.

Mijnheer pastoor die ‘t on’val zag, sprak zijne koster aan,
Ach heer, sprak dees, in droef beklag, wat heb ik nu gedaan?
Mijnheer pastoor bekijf mij niet,
ik mis de pap tot mijn verdriet,
En dan mijn vrouw, ach heer pastoor, hoe trek ik mij er door?

En dan mijn vrouw, ach heer pastoor, hoe trek ik mij er door?

Alsdan is hij naar huis gegaan, maar hoort eens hoe zijn wijf,
Zodanig vloog aan ‘t kijven aan, voor zo’n stom misbedrijf.
Mijnheer pastoor lacht met die klucht,
en al de vreemden met genucht,
Papkoster wordt hij nu genaamd, gelijk het ook betaamt.

Papkoster wordt hij nu genaamd, gelijk het ook betaamt.

Partituur * Het lied van de pap *
      instrumentaal

0

Pakt er eentje

Geplaatst door Johan op 31 januari 2018 in Drank, liedboeken, liederen, Over Leut & Plezier |

Een opgewekt liedje, dat mag ook wel eens zeker? Het is het relaas van een onverbeterlijke optimist. Hij is uitgenodigd op een familiebijeenkomst waar er overlegd moet worden in verband met een erfenis. Dat wil maar niet vlotten en onze verteller demonstreert zijn carpe diem-filosofie: met drank en dans kan je alles relativeren en dan komt het vanzelf in orde. De braspartij loopt een beetje uit de hand en hij wordt wakker op het politiebureau. Maar dat kan zijn optimisme niet milderen!

Bron: “Geschiedenis van het café-chantant”, Willy Lustenhouwer, Brugge, 1987

Pakt er eentje

‘t Is maar even, pas geleden,
‘k had ’n avontuur aan d’hand,
‘k moest gaan erven, door het sterven
van een rijk’ oude matante
De familie, potvermillie,
lijk het gaat in zo’n geval,
maakte ruzie, spuwde gal,
ja, voor niemendal.
‘k Had rap ’n goed akkoord,
‘k sprong recht en ‘k vroeg het woord.

‘k Zei, pakt’r, pakt’r, liever liever, pakt’r liever eentje,
kom eens mee met mij.
Dans en sla je beentjes, ‘t leven is zo gauw voorbij.
Lach maar liever en wees blij.
pakt’r een, pakt’r twee, pakt’r liever’ drij.

Drie dozijnen, nicht, kozijnen,
bracht ik daar in een café,
En we dansten en we zwansten
daar bijna door de plancher,
Voor het sluiten vlogen we buiten,
rap daar in ons hemde fijn,
Sleurden voor hun tijdverdrijf,
de kleren van ons lijf.
Maar ik zei laat dat gaan,
trekt u daar niks van aan.

Ik de plakker, ja werd wakker,
‘s morgens vroeg op het bureau,
‘k Stond te gapen, juist lijk d’apen,
was ik dan wel in défault
‘k Hoorde stappen, ‘k hoorde klappen,
‘t was de commissair z’n taal,
Sprak van ruzie en schandaal,
en procesverbaal.
Maar ik was niet akkoord,

en sprak als laatste woord:

Partituur * Pakt er eentje *
      instrumentaal

Auteursrecht © 2000-2018 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com