0

Hovaardigheid

Geplaatst door Johan op 10 augustus 2020 in cahiers, liederen, Over Liefde & Verdriet |

Het eerste lied in een schriftje van Jeanne De Greef en Jean Meert kreeg de titel “Hoevaardigheid” en lijkt wel een tekst die in een nonnekensschool aan de zedige meisjes werd aangeleerd. De gekozen melodie “Drinkt” (Trink, trink, Brüderlein, trink) maakt dit echter onwaarschijnlijk.



In het refrein zien we een paar woorden die duidelijk misbegrepen of niet goed gekend waren:

“Denkt aan uw ouders welheer” moet natuurlijk “weleer” wezen
“Werkersverwant” is werkersverband?
“Dan blijft gij ouders uwe eer” zal “dan blijft gij houden uw eer” zijn…

De tekst werd dus op het gehoor genoteerd, niet afgeschreven van een liedblad of van … het schoolbord. Niettemin blijft het een lange zedenles die zich richt tot de meisjes, de jongens mochten toen blijkbaar ongestraft hun gangen gaan.

De gouden raad is hier niet “blijf in uw kot” maar “blijf in uw stand”. Een werkmanskind dat zich in kringen van de rijken begeeft is “hoeveerdig” en tot ondergang gedoemd. De rijke jongens beschouwen meisjes van een “lagere stand” immers als gewillig speelgoed, niet als evenwaardige partner.

Misschien loopt het voor Irene goed af als ze uiteindelijk in strofe 3 vergiffenis vraagt aan haar ouders, maar een vierde strofe die dat zou kunnen bevestigen is er niet.

Hovaardigheid

[A] onbekend [C] W. Lindeman

Irène die was arm geboren,
haar ouders van de werkersstand.
Door schoonheid was zij uitverkoren
en smeedde reeds de liefdeband
met een jongeling van de rijken.
Zij kende haar plichten niet meer.
Zij dacht: “Niemand kan mij gelijken!”
D’hovaardigheid groeide zo zeer.

Blijft maar, blijft in uw stand,
denkt aan uw ouders weleer.
Houdt u in ’t werkersverband
dan blijft gij houden uw eer.
Ze hoorde de stemmen,
al zijt ge zo lief,
wacht u voor een hartendief.
Luistert naar vader en moeder hun raad
eer gij de wereld in gaat.

Irène haar lach klonk zo helder,
wat baatte een smekende raad.
Maar binst1 zonk haar eer in den kelder:
ze kwam in een zwangere staat.
Zij vroeg aan dien heer om te trouwen,
hij wilde haar slechts als zijn lief.
Irène begon te berouwen
en dacht aan die stem in ’t verdriet.

Ook dan kwam d’ellend’ in haar leven,
zij had d’hovaardij zo bemind.
Wat kon hare schoonheid nog geven,
in schande kwam zij met haar kind.
Zo zwierf zij beschaamd naar haar woning
en weende voor haar ouders teer:
“Heb medelij, ‘k vraag u verschoning,
neemt mij in de werkersstand weer.


1 binst: terwijl, terzelfdertijd, ondertussen

Partituur * Hovaardigheid *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Vervlogen geluk

Geplaatst door Johan op 8 augustus 2020 in liedbladen, liederen, Wereldoorlog |

Op de website Historische Drukkerij Turnhout  vonden we enkele interessante liedbladen terug, ondermeer van Charles Laureys “de blinde pianist”.

Voor zijn droevig oorlogslied “Vervlogen geluk” vermeldt hij als melodie “In het lommer van den appelboom” en we ontdekten al eerder dat die is overgenomen van “In the shade of the old appletree” (Egbert van Alstyne, Harry Williams, 1905)

Dat origineel was al triestig, maar Laureys zingt met zijn publiek over een actueel onderwerp, de Grooten Oorlog, en zij konden dus moeiteloos meeleven met het lijden van een jong koppel als een nakend huwelijk moet uitgesteld worden omdat de jongeman als soldaat wordt opgeroepen en het nog maar de vraag is of hij ooit levend terugkomt. Vaak niet en in dit lied dus (spoiler alert) ook niet.

Vervlogen geluk

[A] Charles Laureys [C] Egbert van Alstyne, Harry Williams, 1905

Het is een lange tijd geleden,
ja, eertijds, nog voor oorlogsdruk,
dan hoorde men veel minnebeden,
dromen over toekomst, geluk.
Lucien die sprak tot zijn verloofde:
met nieuwjaar wordt gij mijne vrouw
want gij weet dat ik u beloofde
ja een onverbreekbaren trouw.

Maar het paar zo met liefde bezield,
hun toekomst werd door ‘t noodlot vernield.
Arm en rijken stand
werd ‘t leven verpand
voor de vrijheid van ‘t Vaderland.
Maar toch blijf ik u minnen als vrouw,
sprak Lucien vol van liefde en trouw,
met ziel en met hart
blijf’k voor u bewaard,
als ik op het slagveld blijf gespaard.

Op enen lieven lentemorgend,
de zon zond haar stralen zo zacht
op het paar toch vol minnezorgen,
schoon hun de toekomst tegenlacht.
Zij bouwden samen luchtkastelen
in schitterende zonneschijn,
elkanders levenssmarten delen,
en in den echt verbonden zijn.

Sinds het afscheid van haar geliefde
was Roosje gedompeld in rouw.
Het was droefheid die haar thans griefde
nog niet te zijn ja zijne vrouw.
Op zekere nacht in haar dromen
zag zij een visioen vol van pracht,
zag Lucien minzaam tot haar komen
die haar lieflijk naar ‘t altaar bracht.

3. En verre in het verwoeste land,
verlaten langs een eenzame kant,
hijgend van den dorst,
met doorboorde borst,
gesneuveld voor Land en voor Vorst,
daar lag Lucien, den dapperen held
stervend neer in het vervrozen veld.
Met z’n laatste kracht
zei hij stil en zacht:
Roosje lief, ‘k heb aan u steeds gedacht.

Partituur * Vervlogen geluk *
      1. instrumentaal

Tags:

1

Den beenhouwersgast (de bedrogen dochter)

Geplaatst door Johan op 4 augustus 2020 in liedboeken, liederen, Over Liefde & Verdriet |

In “Zo de Ouden Zongen” publiceerde Walther Van Riet in 1983 een liedjestekst, opgetekend in het Land van Waas, maar zonder vermelding van auteur of zangwijze.

Bij het beluisteren van opnames die Herman Van Gorp circa 1975 maakte in Kasterlee en omgeving, hoorden wij een gelijkaardige tekst zingen door Anna Van Heuckelom en dat lied werd met de titel “De bedrogen dochter” genoteerd. Waar die melodie op gebaseerd is weten we niet. De onverlaat is bij haar een brouwersgast.

Ook Harrie Franken noteerde dit lied waarbij tekst en melodie een beetje verschillen; hij hoorde het in 1982 zingen door Louisa Verschooten in Lier die een bakkersgast beschuldigde…

Zowel de melodie als de aard van het verhaal doen ons veronderstellen dat het lied al in de 19e eeuw of vroeger moet ontstaan zijn. Ook de door mondelinge overlevering gewijzigde teksten ondersteunen die veronderstelling.

Den beenhouwersgast (de bedrogen dochter)

[A][C] onbekend

Ik was voorwaar pas nog maar achttien jaren
toen ik mij begaf in stilte en gevaren
met een beenhouwersgast
die braaf en deugdzaam was.
En ik werd van hem bemind
en ik kreeg van hem een kind.

Hij had beloofd al van met mij te trouwen
Maar zijn gedacht stond op een and’re vrouwe
‘t Was één die rijke was en ik die niets bezat
En hij is er mee getrouwd en ik zit in den rouw

Nu moest ik ook mijn ouderhuis verlaten
En met mijn kind gaan dwalen langs de straten
Aan enen waterplas aan enen watervliet
En als het donker was lij ik mij neer in ’t gras

Ik heb mijn kind al aan mijn lijf gebonden
En ik ben d’er mee het water ingesprongen
Adieu gij valsen vriend, den vader van mijn kind.
Het kind gaat mee met mij recht naar de eeuwigheid

Adieu mama en al mijn welbeminden
Adieu papa, gezusters, gezelinnen
Vergeef mij al mijn kwaad en ook mijne misdaad
Als ik zal zijn van kant zijde gij de schuld daarvan.

Partituur * Den beenhouwersgast (de bedrogen dochter)
      1. instrumentaal
      2. zang Anna Van Heuckelom, Kasterlee (1975)

Tags:

1

Mijn vogel is gaan vliegen

Geplaatst door Johan op 1 augustus 2020 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

We vonden dit lied tot nu toe alleen in “Zo de ouden zongen” (ijverig samengesteld door wijlen Walther Van Riet) maar we twijfelen er niet aan dat het in een café-chantant is opgepikt en in het geheugen blijven hangen van de senioren uit Sint-Niklaas-Waas die het 40-50 jaar geleden nog konden nazingen.
Het is dus zeker ouder dan de gelijknamige en gelijkaardige klaaglitanie van “De Neuve Brusseleir” 1  die ik circa 1965 leerde kennen op de juke-box bij “tante Bertha” in café-feestzaal Concordia te Leefdaal.

Maine Vaugel es goan vleege
      1. Maine vogel - fragment

Het lied werd vaak gedraaid door leden van  de plaatselijke vogelmaatschappij “De Zanglijster” (ondertussen “koninklijk”) die destijds in de feestzaal Concordia jaarlijks haar vogeltentoonstelling organiseerde.

Wie echter onderstaande liedtekst schreef en bracht is ons onbekend.


1 Misschien een alter ego van Lou Van Dijck, schoonzoon van Pirre den Brusseleir. Ook Georges Delfosse (Joëc) werkte mee aan de plaatopname. De B-kant van deze single past bij de toen in vele (andere) cafés nog aanwezige pancarte “Interdit aux étrangers”. De pancarte is nu verdwenen, het bijhorend gedachtengoed niet.

Mijn vogel is gaan vliegen

[A C] onbekend

Zie ik kan het niet zwijgen,
ik zou d’er iets krijgen,
‘k vertel het aan u hier subiet.
Mijne vogel dat beestje is in ‘t verschiet
weg en ik vind hem niet.
Hij is gist’ren jandoken
uit z’n kotje gebroken
hoe kan dat nu toch zo geschiên?
En daarom kom ik vragen:
hebt gij beste lieden mijn vogelke niet gezien?

O wat spijt,
mijn vogelken dat is gaan vliegen.
Hoe ne mens zich toch
aan een beest kan bedriegen!
Kon ik hem maar vinden,
ik stak hem zo blij van zin
ja terug en zo zacht vol van min
weer zijn kotjen in.

Ja ik heb deze week
naar het kotje gekeken
of alles nog in orde was
en die sloeber die had toch zoveel plezier,
hij floot en zong zo fier.
Ja geen enkele vogel
dat durf ik hier zweren,
zong beter als mijne koko
en zo licht als een veder
sprong hij heen en weder
in ‘t kotje, ‘t was comme il faut.

Zie, moest het soms gebeuren,
het doet er mij treuren
dat hij nu in een ander kot zit te zingen,
kokootje, wat een verdriet,
ik overleef het niet.
Ach, ik had hem gevangen,
het is zo ’n lange,
en nu vliegt hij weg die kapoen,
en zijn kot ligt vol eten,
ik kan ‘t niet vergeten
hoe mijn koko dat kost doen.

Kom ik thuis, ‘k ben aan ‘t wenen,
‘k zie ‘t kotje allene,
dan roep ik met ‘t hart vol chagrijn:
zie, daar heeft hij gezeten, zo lief en fijn,
waar mag mijn vogel zijn?
Maar zie duurt het nog lange
dat ik ‘t kotje zie hangen
zonder mijn koko, opgepast:
‘k ga er bij dag en nachte
gaan trachten te vangen
en ‘k scheir er een and’ren vast!

Partituur * Mijn vogel is gaan vliegen *
      2. instrumentaal

Tags:

0

Een dief uit vaderplicht

Geplaatst door Johan op 28 juli 2020 in cahiers, liedbladen, liedboeken, liederen, Over Armoede & Drank, Schrift Eugenius Koopman |

liedblad verzameling Moorman

Dit liedblad werd dus door een bedelzanger in het begin van de 20e eeuw van huis tot huis aangeboden; het in potlood ingevulde aalmoesbedrag kwam hij dan later ophalen, samen met het liedblad, zodat hij dat opnieuw kon gebruiken.

Willy Lustenhouwer wist in het Brugse nog iemand vinden die de melodie kon zingen circa 1980

zangwijze volgens Lustenhouwer “Geschiedenis Café-Chantant”

 

En Eugène Koopman schreef de tekst van het liedblad over in zijn omvangrijk liedjesschrift vooraleer het liedblad terug te bezorgen.

liederenschrift Eugenius Koopman (1916)

Herman Van Gorp bewaarde de versie gezongen door Anna Van Heuckelom, Kasterlee, 1975

De dief

[A] [C] onbekend

Wat is ’t bestaan met smarten mij omgeven.
Als werkeloos dwaal ik nu reeds een jaar,
’t geen mijn gezin in d’armoe heeft gedreven.
De hongersnood is toch zo pijnlijk zwaar.
’t Kon langer niet, ’t mocht zo niet blijven duren.
Mijn plicht roept mij te stelpen hunne nood.
Het hart bezield vol moed en zonder vrezen,
ijlde ik heen en toen stal ik een brood.

Een dief dat ben ik, ja ’t is waar.
Dien naam klinkt mij zo vol afgrijzen!
’k Moest toch mijn vrouw en kind’ren spijzen
die hadden honger en verdriet!
Daarom stal ik, bedelen durf ik niet.

Als trouwe knecht met moed en vlijt omgeven,
werkte ik steeds voor gindsen rijken heer.
Omdat ik streed voor meerder loon en leven,
dankt’ hij mij af, geen werk gaf hij mij meer.
En nergens nog is werk voor mij te vinden.
Als opstandaard verjaagt men mij steeds heen
En moest daarom de honger ons verslinden.
Oh neen, meneer, dat zweer ik, neen, o neen.

Ik voelde mij door bittre wanhoop treuren
als ik mijn kroost, nog allen bitter klein,
naast moeder zag, dat deed mijn hart verscheuren.
En wenend, ja, ’t was van den hongerpijn.
Kinderkenslief, sprak zij, ik kan niets geven,
geen kruimel brood, en sloot z’in d’armen dicht
En toen heb ik den diefstal maar bedreven.
Ik werd een dief, maar ’t was mijn vaderplicht.

 

Partituur * De dief *
      1. instrumentaal
      2. zang Anna Van Heuckelom, Kasterlee (1975)

Tags:

0

De Duitsen beenhouwer (1924)

Geplaatst door Johan op 26 juli 2020 in liedbladen, liederen, Over Moord & Rampen |

Op het liedblad  “Nieuwe uitgave van DE VLAAMSCHE VOLKSZANGERS  door CESARINE DE SMET en Eduard  BAERT” vonden we dit luguber verhaal dat zich 96 jaar geleden afspeelde :
We slaan de waarschuwing van Césarine De Smet in de wind – het liedblad dateert van omstreeks 1924 en we kunnen de toelating niet meer vragen – en buigen ons nog eens over een rasecht moordlied.

Het klinkt allemaal heel gruwelijk maar naam en plaats worden niet genoemd, dus moeten we een beetje gissen naar de ware toedracht van het verhaal, althans: volgens de gazetten van toen.

We vonden in De Telegraaf van 19 juli 1924 commentaar over “Het geval Haarmann“, bijgenaamd “de vampier van Hannover”, waarbij de politie van Hannover  zou geblunderd hebben. Zij geloofden inderdaad niets van de vele klachten die plaatselijke burgers over deze man indienden want “vampiers bestaan niet.”

Haarmann

De man werd er van beticht dat hij “een onbegrensd aantal jonge lieden, die in een vreemde stad voor een nacht onderdak zochten, op afschuwelijke wijze om het leven bracht, hun kleedingstukken verkocht en hun lichamen gedeeltelijk met ander vleesch vermengd in den handel had gebracht“. Hij was echter bij de politie bekend als waardevol medewerker bij het oplossen van kleine misdrijven en die hadden niets gemerkt van zijn eigen misdadig gedrag. Dat kwam eerder toevallig aan het licht toen hij, zich uitgevende voor een politiebeambte, een 15-jarige jongen wou laten arresteren en zo op het politiebureau terechtkwam, terwijl een ongeruste moeder daar juist had aangegeven dat haar zoon spoorloos verdwenen was sinds hij een bezoekje had gebracht aan Haarmann. Een huiszoeking deed hem vervolgens de das om.

 

fragment uit De Telegraaf van 19-7-1924

Verscheidene politiefunctionarissen moesten naar aanleiding van dit misplaatst vertrouwen in Haarmann ontslag nemen. Als verontschuldiging riepen zij in dat alles “menselijk te verklaren” was gezien de omstandigheden. Daarmee bedoelden ze: de bar-slechte betaling van het personeel (wegens het failliet van de Duitse Staat na WO I) en het gebrek aan degelijk opgeleide medewerkers gezien de beste krachten de oorlog als soldaat niet hadden overleefd.

Meer over deze “vampier” op historianet.nl

Terug naar het lied…

Césarine De Smet vermeldt als melodie “12 uren”. Die kennen we niet. Maar we merkten wel dat “Why don’t my dreams come true” er wonderwel bij past. In tegenstelling tot de bekende edoch ingekorte versie “Drinkt en vergeet” – waarbij de 4/4 maat werd omgezet in een ¾ wals – is hier de originele melodie volledig intact te gebruiken. En dat deden we dan ook.

De Duitse beenhouwer

[A] Césarine De Smet & Eduart Baert [C] Georges E. Patten

Wat hoort men weer ‘t allenkant?
Nu is het weer in Duitsland
van een Duitsman van geslacht
die om het leven bracht.
Zevenentwintig moorden groot,
zijn kleed bedekt met bloed.
Ja, ‘t roept om wraak, ‘t is wreed voorwaar,
bandiet, gij moordenaar!

Wat hadden zij u misdreven?
Wat hadden zij u misdaan?
Waarom bracht gij hen van ‘t leven?
Moordenaar, wat hebt gij gedaan?
Dacht gij niet aan hunne smarten
die gij daar wenend zag staan?
Maar nu komt uw straf,
het schavot zal voortaan
u, moordenaar, ‘t hoofd afslaan

Nu komt de beul voor ‘t tribunaal
men luistert naar zijn verhaal.
Het komt op een moord niet aan
die ik heb misdaan.
En tot de rechter riep hij uit:
maak toch gauw een besluit.
Hoe eer ik sterf, hoe liever dan,
maak spoed zoveel het kan.

‘t Was ongelofelijk en wreed
wat dienen beenhouwer deed.
In stukken gesneden ‘t lijk
o het was vreselijk.
Hij smolt het dan onder elkaar
met ander vlees tegaar
en zo kocht menig mens daarvan
het vlees van vrouw of man.

Partituur * De Duitse beenhouwer *
      1. instrumentaal

Tags:

Copyright © 1995-2020 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com