0

Moest er genen man bestaan

Geplaatst door Johan op 16 mei 2020 in liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

Op de melodie van “Dans les jardins de l’Alhambra” dichtte Rare Sus, alias van Frans Currinckx, zijn visie op het vrouwvolk. Het was misschien zijn zwanezang want hij stierf naar verluid in 1923 en de gekozen melodie werd in datzelfde jaar pas door F.L Benech geschreven. Die zou overigens enkele jaren later ook overlijden zodat dit lied toch echt wel “Public Domain” is geworden.


Het lied van Rare Sus werd ook overgenomen door “Jaak Van Gestel en zijne dochter” en door het echtpaar Geens uit Aarschot.

Overigens dekte Rare Sus zich in bij de vrouwelijke toehoorders door op dezelfde melodie een tegenhanger te dichten:

Maar deze versie laten we hier nu even buiten beschouwing …

Moest er genen man bestaan

[A] Rare Sus [C] F.L. Benech (1923)

Ik ga het wagen voor te dragen u een lied.
Wat dat er met de vrouwen nogal veel geschiedt.
Ja de vrouwen treit’ren hunnen man in ‘t fijn,
nochtans ze kunnen er toch zo lief mee zijn.
Gij mannen, slachtoffers van ‘t vrouwelijk geslacht,
Ja, Ja, we zijn in die serpenten hunne macht,
kundet gij geloven dat gij zijt de baas,
ze nemen de mannen voor ‘nen Jan Klaas.1

En wat zouden de vrouwen zonder mannen zijn,
bij al2 dat z’ons bedotten en minnen in schijn?
De mannen zijn er zo groot nodig als het brood,
moest er geen man bestaan, de vrouw ging dood.

Ze snoepen, babbelen, lameren ondereen
Hunnen man uitmaken is voor hun niets gemeen.
Hoe is’t met den uwe, zuipt hem nog zo veel?
Wel mijn schaapke lief, hij giet het door zijn keel.
Gij Trien, wat is’t, gaat hij nog met die andere mee?
En komt hij Zaterdags naar huis nog zonder pree?
Och zwijg van de mijne, hij ’s nooit in zijn kot,
als dat zo blijft duren maak ik hem kapot.

Zodus de vrouwen schimpen altijd op de man
maar wilt onthouden, ik weet er het mijne van:
ga maar naar Sint-Anneke3 in den achternoen
dan zult ge verschieten van wat ze daar doen
ik heb al veel vrouwen gezien met ‘n andere vent
nochtans haar man is goed en zij is niet content
zij heeft voor hem liefde maar het is in schijn,
ik zeg niet dat vrouwen allemaal zo zijn.


1 een pop uit de poppenkast, meestal het lijdend voorwerp in het verhaaltje en onder de sloef van zijn Katrien.
2 vooral, daarbij komt nog
3 een soort mini-strand aan de oever van de Schelde, volgens de officiële versie vernoemd naar het dorpje / de parochie Sint-Anna dat daar tot circa 1920 was. Maar de heilige Anna – de grootmoeder van Jezus nadat ze onverhoopt een dochter Maria had gekregen – was de patrones van de kinderwens en vele koppels zouden indertijd dit strand hebben uitgekozen om er voor te zorgen dat ze niet kinderloos bleven. Fake News? “Misschien is ’t niet waar, maar het is wel een goed verhaal” zeggen de Italianen dan.
Partituur * Moest er genen man bestaan *
      1. instrumentaal

Tags:

2

Jan Kapoen

Geplaatst door Johan op 12 mei 2020 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Op een bandopname gemaakt in 1975 door Herman Van Gorp hoorden we Lien of Emma Kennis uit Kasterlee zingen over “Jantje, een kind van weelde”. Het lied begint zo:

Ons Jantje was een enigst kind,
een zoontje zogenaamd van weelde.
Hij werd daar altijd heel bemind
en hij den groten Heer wat speelde.
Papaatje die zeer gierig was
en ’t zoontje speelt viool en bas.
Met d’een of d’ander loechte poep
deed hij papa zijn geldeken oep;

met d’een of d’ander loechte poep
deed hij papa zijn geldeken oep

Er mankeert duidelijk iets aan de tekst, en de melodie gaat ook op en af, dus gingen we op zoek naar andere versies. Met het zoekargument “Jantje was een enigst (of enig) kind” vonden we niets in onze digitale bibliotheek, na nog wat andere vergeefse pogingen vonden we met “van weelde” een heleboel teksten waaronder zich ook het lied bevond dat we zochten, allemaal in de nalatenschap van Harrie Franken zaliger.
Op zijn website, die postuum werd overgezet naar www.volksliedarchief.nl, vonden we een lied over “Jan Kapoen” dat Harrie in een afwijkende versie ook in “Kroniek van de Kempen deel 10” had gezet op pag. 148, en in zijn boek “Liederen en dansen uit de Kempen” op pag. 244, telkens met uitgeschreven melodie. Hij hoorde het lied zingen in Postel, in Someren-Heide en in andere niet nader genoemde Kempense dorpen. Door combinatie van vier verschillende versies “opgetekend uit de volksmond” hebben we voor onze versie de volgens ons meest plausibele van dit kluchtlied-met-een-moraal gemonteerd.

Jan Kapoen

[A] onbekend [C] onbekend

Een rijke heer die had een zoon
een zoontje vol van weelde
die hij al te veel had bemind
en soms den boer eens speelde.
Terwijl papa zo gierig was
speelde de zoon viool en bas,
met d’een of d’ander modepop
deed hij papa zijn centjes op.

Met d’een of d’ander modepop
deed hij papa zijn centjes op.

Papa die deed zijn oogjes toe:
daar moet een eind aan komen
en op den duur werd hij het moe,
heeft een besluit genomen:
het zoontje kreeg geen centen meer,
maar ziet eens, op een zek’ren keer
als zoonlief was in dronken staat,
verkocht hij zichzelf als soldaat

Als zoonlief was in dronken staat,
verkocht hij zichzelf als soldaat

Papa die dacht: het zal niet zijn
mij hier te blijven foppen
en na zowat een week of drij
kwam Jan aan zijn deur kloppen.
“Papa, den dienst valt mij zo straf
’k zou willen dat g’me kocht eraf.”
Papa die sprak: “Ik wil kapoen
dat gij uw tijd vol uit zult doen!”

Papa die sprak: “Ik wil kapoen
dat gij uw tijd vol uit zult doen!”

En tegen wil en tegen dank
moest Jan soldaatje spelen.
Al viel den tijd hem soms te lang
het kon papa niks schelen.
Jan diende snel zijn jaren uit
en kwam toen spoedig aan de buit:
papa die stierf en Jan Kapoen
werd meester van een klein miljoen.

Papa die stierf en Jan Kapoen
werd meester van een klein miljoen

Eenieder stond er van te zien
hoe papa werd begraven
Jan liet niet doen een mis of tien
om vader’s ziel te laven
’t Is schande om zo rijk te zijn
en te begraven zo gemein
“Maar ik weet goed,” sprak Jan Kapoen
“waarom dat ik geen mis laat doen.”

“Maar ik weet goed,” sprak Jan Kapoen
“waarom dat ik geen mis laat doen.”

“Als papa in den hemel is
kan ik die missen laten.
En is hij in de hel gewis,
wat kan het hem dan baten?
En is’t dat hij voor langen duur
moet lijden in het vagevuur
dan moet hij,” zo sprak Jan Kapoen
“zowel als ik zijn tijd uitdoen.”

Dan moet hij,” zo sprak Jan Kapoen
“zowel als ik zijn tijd uitdoen.”

 

Partituur * Jan Kapoen *
      1. instrumentaal
      2. versie van de zusjes Kennis

Tags:

0

Wat er van vrijen komt

Geplaatst door Johan op 10 mei 2020 in Eigen werk, liedbladen, liederen |

Op een liedblad van Frans Van Kets (en bijgevolg wellicht geschreven door Pierre Bauwens uit Antwerpen, zoals Van Kets zelf ooit verklaarde) staat een kluchtige zedenles in verband met te jong en te veel vrijen.


Wat er van vrijen komt

liedblad Frans Van Kets – eigen melodie

Hoort, meisjes hier in ‘t ronde, neemt het voor geen affront,
ik zal u gaan verkonden wat er van vrijen komt.
Men ziet het alle dagen in dorpen en in stad,
men hoort er zoveel klagen: “Dat ik maar ’n vrijer had”.
Maar dan opeens, als ‘t is gelukt
en ‘t zomerbloemke is geplukt
worden zij van klein en groot verdrukt!

Men ziet ze lopen met hele hopen
het is plezant en schoon om zien.
Ja, heelder hopen, toch kind’ren kopen
ik ken er zeker zo meer als tien.
En dan nog klagen, schier alle dagen,
bij den doctoor voor medicijn.
Dat zal hen leren, zo jong verkeren,
nu zitten zij daar in de pijn.

Laatst ook een fijn zottinne was alle dagen ziek
maar ‘t was een dom boerinne, zij kloeg van het koliek.
Zij sprak: mijnheer geprezen, maak maar een fijn visiet
als gij mij kunt genezen, ik geef twintig frank subiet.
De dokter sprak: mijn lieve kind,
de liefde heeft u gans verblind,
want gij zijt te veel jongmans gezind.

Mijnheer, ‘t kon niet gebeuren want ik heb nooit gevrijd,
gij moet mij goed bekeuren, mij dunkt ‘t is hogen tijd.
‘k Ben in de twintig jaren, hoe zou dat kunnen zijn
dat ik zo slecht zou varen al in de maneschijn?
Mijnheer die draaide dan zijn klak
en hij schoot plots in enen lach
als hij haar oogskens eens fijn bezag.

Zo meisjes, wilt hier leren, werpt u toch in geen schand
en als ge wilt verkeren, neem daar zoveel niet van.
Want is het kalf verzopen dan is het toch te laat,
‘t komt uit den put gekropen
het zij vroeg of het zij laat.
Men komt er vele tegemoet
maar nu ontbreekt hen toch de moed,
ziet goed wat te snelle liefde doet.

Partituur * Wat er van vrijen komt *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Madame Joniaux vergiftigde drie familieleden (1894)

Geplaatst door Johan op 4 mei 2020 in liedbladen, liedboeken, liederen, Over Moord & Rampen |

Ik hoor rondom mij wel eens meewarige commentaren bij krantenartikels over moorden en rampen: dat “we daar vroeger toch nooit van gehoord hebben, van zulke vreselijke dingen” en sommigen voegen er dan meteen aan toe “dat dit niet te verwonderen is, nu met al die vreemdelingen“.

Daarom nog eens een gezellig lied over een driedubbele moord, zoals er in het marktzangersrepertoire wel degelijk tientallen aanwezig waren – Julien De Vuyst vulde er twee boeken mee -, en waar zoals gewoonlijk geen vreemdeling aan te pas kwam.

Ik laat graag Jan De Schuyter aan het woord die in zijn boek “Drij moorden voor vijf cens” (een verwijzing naar een veelzeggende verkoopsslogan op een blaadje met marktliederen) het lied over Madame Joniaux van achtergrondinformatie heeft voorzien.

1894. - Zaak Joniaux.

Raymond de Ryckère, substituut van den procureur des Konings te Antwerpen, liet een merkwaardige studie over deze vergiftigingszaak verschijnen, die niet alleen heel België in opschudding bracht, maar zelfs weerslag in Europa vond. De psychologische ontleding van dit 
misdadig geval toont aan dat Marie Thérèse Ablay, gesproten uit een familie met adellijken klank en die verschillende hogere officieren telt, o.a. den vader van de criminele vrouw, die rang had van luitenant-generaal en vleugelofficier was van den Koning, handelde onder de stuwing van twee drijfveren : haar liefde voor haar echtgenoot Henri Joniaux, ingenieur gehecht aan den 
dienst van Bruggen en Wegen, en den hoogmoed van haar naam. 
Verdenkingen bestaan dat zij haar eersten echtgenoot, Frederik Faber, een bevoegd bibliofiel, die veel ouder was dan zij, met morphine vergiftigde om met Henri Joniaux in den echt te kunnen treden. 
Om de schulden te kunnen dekken van een luxueus leven vergiftigde zij achtereenvolgens, in een tijdsbestek van drie jaar, haar zuster Leonie, die te Brussel een armzalig bestaan sleet, nadat zij haar een levensverzekering ten bedrage van 70.000 fr. had laten nemen ; Jacques van den Kerckhove, oom van haar echtgenoot, die voor zeer rijk doorging en (daar hij jonkman was) op wiens erfenis zij aasde en haar broeder Alfred Ablay, die in armoede te Parijs vegeteerde en wiens leven zij voor 100.000 fr. liet verzekeren. 
Op een aanklacht, door de verzekeringsmaatschappij Gresham ingediend, werd een onderzoek geopend. Dit wees uit dat de aangeklaagde niet alleen een misdadigster was, maar dat zij zich buitendien schuldig maakte aan het zenden van naamloze brieven, het plegen van chantage, het achterhouden van geld, dat aan haar broeder Alfred toekwam, het verarmen van haar eigen dochter uit haar eerste echtverbintenis gesproten en aan bedrog aan de speeltafel. 
De akte van beschuldiging betichtte Marie Thérèse Ablay van drie gevallen van vergiftiging door middel van morphine. 
De zaak kwam op 7 Januari 1895 voor het hof van Assisen, voorgezeten door het raadslid bij het beroepshof van Brussel, Paul Holvoet. 
Op 3 Februari daaropvolgend, te twintig minuten voor 2 uur 's nachts, verklaarde de jury eenparig dat Mme Joniaux schuldig was aan de haar ten laste gelegde gevallen van vergiftiging. 
Op 5 Juni 1895 werd de giftmengster-van de celgevangenis van Antwerpen naar de gevangenis van Bergen overgebracht. 
Marie Thérèse Ablay was voortaan dood voor de samenleving. 

Corn. Janssens schreef volgend marktlied dat door hem en door Fr. Van Kets gezongen werd op de Wijze van Genoveva.

 


Die “wijze van Genoveva” stelde ons voor een probleem: er zijn massa’s liederen gepleegd over “de paltsgravin Genoveva van Brabant”, Hubert Boone heeft er in zijn boek “Traditionele Vlaamse Volksliederen en dansen” (Leuven, uitgeverij Peeters, 2003) zelfs 15 pagina’s aan gewijd, en al die liederen hebben een andere melodie…

Mme. Jonniaux voor de rechter – schilderij

En dan hoorden we een bandopname gemaakt door Herman Van Gorp circa 1975 waarop Lien en Emma Kennis uit Kasterlee het lied over Madame Jonniaux uit het hoofd zingen. Ik herkende meteen de melodie van “Ach God, ik ben in nood” die ook gebruikt werd voor “Ferdinand en Virginie” en voor “Hij moest soldaat gaan zijn“.

Cornelius Janssens (1841-1920) schreef dus de tekst van dit lied en ook Frans Van Kets (1862-1944) had het op zijn repertoire. Hoe ouder de liederen, hoe meer strofen, en dit lied van eind 19e eeuw heeft er dus 9 !
Uiteraard stonden de kranten er indertijd vol van, de tekst van Jan De Schuyter is er een samenvatting van. U kan er meer over lezen in De Denderbode van 22 april 1894,  de Gazet van Antwerpen van 7 december 1894, de Volksstem van 12 april 1895 en andere.

Madame Joniaux

[A]Cornelis Jansssen (1841-1920) [C] trad. 19e eeuw

Ach God! hoe ijsselijk !
Hoe wreed! Hoe monsterlijk!
Moet toch een vrouw niet zijn,
die zo brengt in de pijn
haar eigene zuster en broeder daarbij
en ook haren oom, ten getalle van drij !
Vergiftigd, o wat smart !
Met een wreedaardig hart,
en een vervalst gemoed,
door zucht naar geld en goed.

Zij pleegde veel valsheid,
bedrog, oneerlijkheid.
Haar zin op pracht gesteld
leend’ zij gedurig geld,
om broeder of zuster te helpen, in schijn,
liet zij hun verzeek’ren, zo kwamen z’in pijn.
Op middagmaal of feest
verzocht z’hun, blij van geest,
en mengde met een drift
in hun drank wat vergif.

Is dat geen grote schand?
Zij gaf hun vriend’lijk d’hand,
toen zij werden ontsteld,
was’t rap met hun gebeld.
Na enige stonden dan waren z’een lijk.
Ziet toch eens hoe wreedaardig, hoe ijsselijk!
Liep dan naar den doktoor,
doch niemand wist een spoor
of oorzaak van hun dood;
Zij veinsd’ een droefheid groot.

Haar zuster Léonie
was ’t eerste schepsel, die
zij zo bracht in den nood,
hoe droef is zulke dood !
Daarna was het haar broeder Alfred Ablay,
die zo vond zijn einde, wat smarten en wee,
daarna haar eigen oom,
wat misbaar en wat schroom
baart dit ten allen kant,
door steden, dorp en land !

’t Gerucht zich snel verspreidt,
en op gestelden tijd
ontgroef men dan hun lijk
van alle drij gelijk.
De scheikundigen hebben’t gif dan ontdekt
in het lijk van Alfred. Wat gerucht dit verwekt.
’t Is ongeloofelijk;
een daad zo schandieijk,
mag wel geschandvlekt zijn,
door groot zoals door klein!

Men nam dan in arrest
dees vrouw, en het enkwest
werd ’t allen kant gedaan.
Die zo brengt in’t getraan,
een ganse familie; ja zelfs een g’heel land
tot voorbeeld van ieder, moest worden tot schand
gesteld op een schavot;
want zulk moordenaars rot
moet worden uitgeroeid !
Veracht en ook verfoeid !

Zij kwam voor’t “Cour d’Assise”
heel onbeschaamd, precies
lijk een onnozel lam.
Maar toen men’t al vernam
wat door de getuigen aldaar werd gezeid,
en tot hare schuld daar uiteen wordt geleid
dan schrikt ieder en beeft.
Die zulk slecht voorbeeld geeft,
die is, zo elk beweerdt,
het leven niet meer weerd !

Haar vonnis werd verwacht.
Om twee uur van den nacht
werd de uitspraak gedaan;
zij moet de dood doorstaan.
Zij zal moeten sterven, ’t zal een voorbeeld zijn
in de stad Antwerpen op een open plein.
Tot schand op een schavot,
ziet eens wat ijs’lijk lot!
Dit zal een voorbeeld zijn
Voor ieder in’t gemein !

Dees vrouw, zo slecht bedeeld,
stel ik hier tot voorbeeld
van elken dwazen mens
die stelt zijn zin en wens
op pracht en op ’t spel, zo het meermaals gebeurt
want dit wordt ten allen tijd afgekeurd
en leidt ons in’t verdriet,
lijk’t hier weer is geschied,
bij dees dame Joniaux:
Zend ze naar den Congo!

Partituur * Madame Joniaux *
      1. instrumentaal
      2. Lien en Emma Kennis, Kasterlee circa 1975

Tags:

0

In den storm

Geplaatst door Johan op 3 mei 2020 in liedbladen, liederen |

Een zeemansdrama op een liedblad uit Aarschot, nochtans ver van de kust gelegen. Exotisch voor de meeste toehoorders want op vakantie gaan naar zee was voor den Oorlog enkel weggelegd voor de rijken, en die stonden op de markt niet naar liedjes te luisteren.

Het lied gaat over een dramatische gebeurtenis, zonder vermelding van plaats of datum, dus eerder een litteraire verzameling van stereotiepen die bevestigen wat de toehoorders toch al dachten. Als het al zou gebaseerd zijn op een waar verhaal dan moeten de feiten zich voorgedaan hebben voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, de melodie dateert van 1911.
De vermelding “refrein” op het liedblad is een beetje misleidend: de tekst loopt gewoon door, er zijn geen herhalingen…

De opgegeven melodie “Un peu d’amour” (1911) kwamen we nog niet eerder tegen en dat vinden we dus interessant genoeg om het lied te restaureren.

De muziek werd geschreven door Lao Silésu (1883-1953), een Italiaanse componist die werkzaam was in Parijs, en het werd wereldwijd na 1912 bekend als “A Little love, A Little Kiss”.

In den storm

[A] Peeters – Van Gestel [C] Lao SIlésu (1911)

Fel woedde de storm langs onze kusten,
de regen die viel bij stromen neer.
Aaklig huilden en gierden de winden
en in dit zo onmenselijke weer

Zag men aan het strand een jonge vrouw
met een kind aan ‘t hart met oogjes blauw.
Stevig hield zij het in hare armen
wijl zij bad: O God, wil ons erbarmen.
En zo stapt zij snel voort langs de zee,
‘t moederhart vervuld met angst en wee.
Ach zal hij heden nog wederkomen
zuchtte d’arme vrouw die scheen te dromen.

Eensklaps ontwaarde zij in de verte
het witte zeil van een vissersboot
en een blijde kreet ontsnapt haar herte:
hij leeft, hij leeft, wat is haar vreugde groot!

Langzaam nadert het bootje het strand
gestuurd door een sterke mannenhand,
doch het werd weer achterwaarts geslagen,
nauw kun)nen haar nog haar benen dragen.
‘t Scheepje werd geslingerd heen en weer
want de storm verergert meer en meer.
Ploseling is’t uit ‘t gezicht verdwenen,
en al haar geluk dat is nu henen.

Met verwilderd oog en losse haren
sprong de arme vrouw het water in.
Doch een man die daar kwam aangetreden
die had spoedig geraden haren zin.

Als een held sprong hij haar achterna
en bracht haar weer op het droge dra.
Maar de vrouw had het verstand verloren,
ook haar kindje zal ze niet meer horen
want het vond zijn grafken in de zee.
Ach, wat al smart, ellende en wee
bracht menig Oceaan en storm toch mede,
o neen, nergens vindt men rust noch vrede.

Partituur * In den storm *
      1. instrumentaal

Tags:

4

Charel is geen baas van ‘t kot

Geplaatst door Johan op 28 april 2020 in liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

“Blijf in uw kot”, voor deze Charel is dat dubbel moeilijk om dragen …


Volgens tekstschrijver Jan Dehaen moet je bazige vrouwen eens goed aframmelen om ze onderdanig te maken aan de man, want “onderdanigheid” dat was het sleutelwoord dat indertijd bij een kerkelijk huwelijk ook steeds door de pastoor uit het evangelie werd gehaald. Maar hier schijnt het uiteindelijk toch niet helemaal te helpen. En vandaag zou dat ook niet meer pakken natuurlijk, kerkelijke huwelijken zijn trouwens stilaan een curiosum geworden.

De melodie “Beer Barrel Polka” is hier ook bekend als “Rosamunde” maar is van oorsprong een Tjechisch muziekje “Skoda Lasky” (Verloren liefde) geschreven door Jaromir Vejdova.

Charel is geen baas van ‘t kot

[A] Jan Dehaen [C] Jaromír Vejvoda (1902-1988)

Alle weken hoor je spreken
van zovele zotte streken.
O, o, zijt toch niet verwonderd,
want het heeft nog niet gedonderd!
Bij de Charel op het hoekske,
ja, de vrouw draagt daar het broekske.
Hij zal niets vertellen,
luisterend naar zijn Belle.
Roept z’n vrouw hem: hé, Charel komt hier!
Zet u neder, doe mij een plezier:
haal even gauw wat kolen op.
Zeg Charel, wie is baas van ‘t kot?

Charel, wil even luist’ren,
jij bent geen meester in ‘t kot.
Charel, wil even luist’ren,
had maar genomen Mie of Lot.
Charel, wil even luist’ren,
geef haar des middags maar wat klop;
zeker zal ze dan verand’ren,
en u laten baas van ‘t kot

Op het einde, ja die fijne,,
ja z’n vrouwtje Madeleine
ze was aan het kousen stoppen
en hij ging er op gaan kloppen.
Maar heel kwaad dan, ze wist ervan:
hou uw handen van mijn lijf, man,
anders zul je weten
wat je weer hebt misdreven.
‘k Sla de pispot plat op uwen kop
en de stoofhaak er nog bovenop,
dan zie je gauw en goed begot,
wie er hier baas is van het kot!

Partituur * Charel is geen baas van ‘t kot *
      1. instrumentaal

Copyright © 1995-2020 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com