0

Toen ik in de Congo was

Geplaatst door Johan op 3 juni 2019 in liedbladen, liederen, Over Liefde & Verdriet |
Waarschuwing: dit lied is naar de huidige normen (of toch die van  maximum 82% der stemgerechtigde Belgen)  “politiek incorrect” en riskeert een storm van protesten uit te lokken. Misschien komt deze website daardoor wel in alle gazetten 🙂

We vonden het op een liedblad van Alois Van Peteghem uit St. Amandsberg – Gent.

Voor de melodie maakte hij gebruik van “Elle danse le Charleston” van de gebroeders Langlois, zeer populair want in die tijd door meerdere marktzangers in bruikleen genomen, zie bijvoorbeeld “De vuilste varkens willen ’t schoonste stroot“.
Dat betekent ook dat dit lied werd gedrukt tussen 1927 (publicatie van de originele melodie)  en circa 1930 (einde van de zangloopbaan van A. Van Peteghem)

Hij begint al meteen met een neologisme: een Congolese wordt een “Congolinne“, want het moet rijmen met “minne“. Hij noemt haar “Dokadiena”, we weten niet waar dat op slaat. Het is wel een familienaam die echt bestaat… zij het dan in de omgeving van Moskou.

Van Peteghem verhaalt een gefantaseerde affaire met een Congolees meisje en verwerkt daarin vele vooroordelen en clichés die in zijn tijd over “wilde, onbeschaafde” Afrikanen de ronde deden. Dat moest hij doen om zijn betalende toehoorders ter wille te zijn, maar het zou nu niet meer kunnen, tenzij dan op gesloten bijeenkomsten van Geschilde Vrienden of zo.

Toen ik in de Congo was

Ik zag eens een Congolinne langs enen boskant
Zij sprak mij al van de minne, zij was g’heel charmant.
Ik verstond dat zwartje goed
‘k Voelde voor haar minnegloed
Zij kwam dan wat dichterbij en zij die zeide mij:
“Witte, neemt mij voor uw vrouw,
ik blijf u altijd getrouw!”

Dokadiena, zei ze, dat is mijne naam
en ik maak al met mijn toeren veel reklaam
want ik heb macht gelijk een reus
en ik kan fretten, ‘t is affreus.
‘k Eet konijnen, everzwijnen, dat smaakt goed,
en ook mollen, rauwe knollen vind ik zoet.
Zij sprak alsdan: “‘k Wil u tot man”
Maar ik zei, maar ik zei,
Dokadiene, blijf van mij!”

En ik kwam haar goed ‘t aanschouwen,
zij had schoon krolhaar,
handen gelijk katteklauwen
vond ik veel te zwaar.
Zij had ook dat mollig ding,
in de neus een gouden ring.
Weinig kleren rond haar lijf,
zij trok op een potschijf.
Z’had veel tanden in de mond
en een kolossale kont.1

Ik liet haar alzo niet lopen, ik vond dat niet goed.
Ik kwam haar een kleed te kopen en ook enen hoed.
Nu vond zij zich lief en schoon,
‘k nam haar mee al naar mijn woon.
Zij was nu oprecht kontent
ik was een brave vent.
Ik kreeg van die malse poes
dan standvastig toes op toes.2

Zij sprak altijd maar van fretten,
eten dat ze kon.
Zij zat somtijds te lampetten3
aan mijne bierton.
Op ne keer was zij zo zat
en ze pakte mijne kat
en ze at ze op voorwaar
met de kop, staart en haar.
Zij was nog niet goed gevuld,
z’had nog niet genoeg gesmuld.

Zij liep dan koleirig naar mijn vogelmuit
en ze trok de papegaai er haastig uit.
Die schone vogel, rond en vet,
heeft ze ook smaak’lijk opgefret.
Twee konijnen sloeg ze nog in hare kraag
maar ik vond haar daden nu zeer laf en laag.
Ik zond den hond op haar nu af,
maar pardaf, dat was straf,
zij beet zijne staart nog af.


1 op het liedblad staat zedig een k met drie puntjes erachter
2 wij kennen het woord “toes” niet maar in Gent is dat een tjoeze, een totse, een kus.
3 uitgaan om lang en veel te drinken

Partituur * Toen ik in de Congo was *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De oorlogsellende

Geplaatst door Johan op 27 mei 2019 in cahiers, liederen, schrift Mathilde Crickx, WOII |



Lied nr. 40 in het “Liekensboek Van Mathilde Crickx, Wintam”. In de marge schijnt ze aan te geven dat ze het in 1944 opschreef.
De melodie “Aan het strand stond een meisje” komt van “Fahr’ mich in die Ferne mein blonde Matrose”, ook bekend als “Am Golf von Biskaya”. Volgens de Catalog of Copyright Entries zou dat walsmelodietje in 1941 bedacht zijn door J. Pfeil, waarschijnlijk een accordeonist.
In de marktzangersversie wordt het lot van de onfortuinlijke opgeëisten nog eens1 in de verf gezet: mannen of vrouwen die aan de dienstplicht waren ontsnapt maar door de bezettende vijand werden verplicht (of gelokt met veel geld) om in Duitsland te gaan werken en er de strijdende Duitse soldaten te vervangen in boerderijen en fabrieken.

De oorlogsellende

De oorlogsellende,
dat droevig bestaan,
verplicht vele Belgen
naar Duitsland te gaan.
Hun lot ligt voorhanden
gestremd door de nood,
gaan zwoegen en werken
voor een bete brood.

Verre van vrouw en kroost,
ons nood gaan verzachten,
in ’t land waar ze ons, Belgen,
durven verachten.
Wij leefden in vrede,
waarom moest dat bestaan?
Ach God hoort ons bede,
laat ons naar huis weergaan.
Wij leefden in vrede,
waarom moest dat bestaan?
Ach God hoort ons bede,
laat ons naar huis weergaan.

De oorlogsgevaren
die dreigen voortaan,
en soms ganse nachten
in schuilplaatsen gaan.
Benauwd op de zijnen
zo verre van hem
als ’t gevaar is geweken
dan zegt hij met klem.

Zijn wij op de wereld
daarvoor moeten komen?
Geen slaap en beroofd
van die lieflijke dromen.
Veel liever in België
met een stukje droog brood
dan hier moeten wachten
op het uur van ons dood.

Veel liever in België
met een stukje droog brood
dan hier moeten wachten
op het uur van ons dood.

Gij Vader en Moeder
denk steeds aan uw kind
dat daar moet gaan werken
en geen troost meer vindt.
Zo verre gescheiden
van hen die hij mint,
’t zij vroeg of ’t zij late
keert terug blij gezind.

Naar ’t oord waar die wiege
voor mij was geschapen
naar ’t land waar men toch nog
wat rustig kan slapen.
Gij zusters en broeders
die mijn leed kunt verstaan
laat u niet bekoren
om naar Duitsland te gaan.
Gij zusters en broeders
die mijn leed kunt verstaan
laat u niet bekoren
om naar Duitsland te gaan.

En gij wrede mensen,
wat heb ik misdaan
om van vrouw en kinderen
zo ver weg te gaan,
om beterswil zwoegen
maar eens komt de tijd
en dan durf ik zweren,
als ik ben bevrijd:

Mijn vrouw en mijn kroost
wil ik nooit meer verlaten.
Liever zoek ik ginder
mijn brood langs de straten.
Met vrouw en met kinderen
wil’k d’ellende doorstaan
en nimmer of nooit meer
nog naar Duitsland heen gaan.
Met vrouw en met kinderen
wil’k d’ellende doorstaan
en nimmer of nooit meer
nog naar Duitsland heen gaan.


1 zie ook Aan de ongelukkige opgeëisten

Partituur * De oorlogsellende *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Monumentaal boekwerk in drie delen

Geplaatst door Johan op 23 mei 2019 in liedboeken, liederen, nieuws |

Roland Desnerck is wereldberoemd in Oostende en bracht in eigen beheer zijn zoveelste boekwerk uit over zijn bakermat Oostende, de Oostendenaars en hun geschiedenis. Zijn laatste exploot werd een trilogie omdat 1015 liedjes – waarvan bijna de helft mét muziekpartituur – in één boek proppen onpraktisch was. In “Muzikaal Erfgoed van Oostende” valt dus één en ander te ontdekken!

De auteur “beperkte” zich tot liederen uit de periode 1600-1945, de periode dus waarin de marktzangers niet uit het straatbeeld waren weg te slaan.

Het eerste deel dat een jaar geleden verscheen, bevat liederen i.v.m. de geschiedenis van Oostende, de zeemans- en vissersliederen, de moordliederen.
In het tweede deel komen de “Kluchtliederen” aan bod over kermis, vrijen, huwelijk, pastoors en nonnetjes…
Het derde deel, pas verschenen, bundelt treurliederen over mislukte liefde, weeskinderen, oorlog.

Niet alle liedjes zijn puur Oostends erfgoed. Soms volstond de vermelding van “Oostende” ergens in de tekst om het op te nemen of het feit dat het werd ontdekt in een liedjesschrift van een Oostendenaar en bijgevolg ooit in Oostende gezongen.

De auteur geeft telkens keurig de bronnen van zijn vondst of andere vindplaatsen aan en hij heeft zeer veel moeite gedaan om de bijpassende zangwijzen terug te vinden én te publiceren. Dat laatste is niet altijd gelukt maar we weten uit eigen ervaring dat dit inderdaad niet evident is. We zullen dus op deze website ons best blijven doen om die ontbrekende melodieën stelselmatig op te sporen en aan te bieden 🙂

Ondertussen kunnen we deze 3 volumineuze naslagwerken alvast aanbevelen bij iedereen die zijn bibliotheek wil aanvullen met een schat aan oude liederen.

Het vergt overigens enige moeite om die boekwerken aan te schaffen als je ver van Oostende woont: ze zijn aldaar “in alle Oostendse boekhandels” te koop maar de gewone boekhandel en hun online varianten hebben ze vooralsnog niet of niet meer. Uitzondering zou “Storesquare” moeten zijn die ondermeer samenwerken met “Maison d’Art – Oostende”. Daar zijn momenteel deel I en deel II in de catalogus opgenomen.

0

Is Hitler dan zo’n ezel?

Geplaatst door Johan op 20 mei 2019 in cahiers, liederen, schrift Mathilde Crickx, WOII |


Lied nr. 52 in het “Liekensboek Van Mathilde Crickx, Wintam” draagt als titel “Is Hitler dan zo’n ezel?” op de melodie van “Wij leven voor de liefde”, een lied dat we niet kenden en Google ook niet. Zoeken op de slagzin “Oh Yes” in ons archief van liedteksten  leverde alleen verwijzingen naar “Tipperary” op, in dit geval duidelijk niet de passende melodie. Een vertaling? “Wir leben für die Liebe” misschien? Bijna juist! We kwamen uit bij Zarah Leander – een superster in de jaren 30 – en het lied “Mein Leben für die Liebe”, geschreven door Michael Jary in 1942. “Oh Yes” bleek oorspronkelijk “Jawohl” (en “Oh nein!”) te zijn.

Zarah Leander (1907-1981) nam afscheid van haar meisjesnaam Sara Stina Hedberg bij haar huwelijk met Nils Leander. Ze was in Nazi-Duitsland zeer populair – wat haar na de oorlog parten speelde – maar ze was geboren en getogen in Zweden en in 1942 al verliet ze wijselijk Duitsland.

Haar donkere stemgeluid deed een beetje denken aan Marlène Dietrich en in Vlaanderen beschikte La Esterella over een vergelijkbaar timbre.

Haar populariteit bij de Nazi’s was allicht de reden waarom een marktzanger of cabaretier een lied van haar als zangwijze koos voor het beschimpen van Hitler. We nemen aan dat het lied pas in het openbaar werd gemaakt en gezongen toen de strijd zo goed als gestreden was… Wie de tekst schreef werd veiligheidshalve toch maar nergens vermeld!

Is Hitler dan zo’n ezel?

656 [A] onbekend [C] Michael Jary (1942)

’k Hoor alle dagen
de mensen vragen
en zuchten op dien droeven oorlogstijd.
Al die ellende
die men ooit kende
ja, Hitler, gij de oorzaak daarvan zijt.

Is Hitler dan zo’n ezel? Oh Yes
Hoort gij dat stil gefezel? Oh Yes
Die bende moet verdwijnen,
hun heersen is gedaan,
nu moet er die miljoenenmoord’naar aan.
Laat hem maar fusilleren, dat zwijn
of laat hem maar kreveren, vol pijn
Zovelen zijn door hem van ’t leven beroofd.
Loontje komt om zijn boontje, beloofd!

Zijn eigen mensen
die hem verwensen
die vragen langen tijd reeds naar de vrêe
Dien bloedhond echter
wordt steeds maar slechter
hij kent wel hunne wens, doch lacht er mee.

Een zal het komen
dat zijne dromen
als rook in het ijle zullen vergaan.
Dan zal hij kreunen,
zuchten en steunen,
als hij voor zijne rekening zal staan.

Partituur * Is Hitler dan zo’n ezel ? *
      1. instrumentaal (met intro)

Tags:

2

Door het spleetje van ’t gordijn

Geplaatst door Johan op 13 mei 2019 in liedbladen, liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Een lied dat we terugvinden in de “Kluchtige en politiek liedjes van Karel Waeri” (19e eeuw) en eveneens tussen de “Vlaamsche Kluchtliederen” van zijn tijdgenoot en uitgever Alphonse Janssens (1836-1915) uit Antwerpen die als tekstschrijver Paul Billiet vermeldt.

Janssens heeft zoals gewoonlijk een eigen gekunstelde melodie bedacht maar Waeri zong het op de tonen van “Toone de knecht” en “De spiegelkast“.

Het lied bleef populair bij het begin van de 20e eeuw, het stond bijvoorbeeld op het repertoire van Jan Van Wulpen uit Oostende en Willy Lustenhouwer kon het na WOII nog optekenen in Brugge, met een melodie die vrijwel overeenkomt met  de “spiegelkast”.

Harrie Franken hoorde een variante vaak zingen op familiefeestjes door zijn moeder Drieka Verhoeven. De melodie is duidelijk afkomstig van de versie van Waeri maar door overlevering voorzien van een soort refrein.

Harrie Franken kon het lied niet thuisbrengen en veronderstelde dat het circa 1920-1930 in Nederlandse cabaretten werd gecreeërd. Niet dus …

Het lied wordt in de mond gelegd van een jong meisje want een lastige vraag wordt gesteld aan de mama en die zegt “werk liever voort!”. Dat is een situatie die eind 19e eeuw zeker niet met de zoon des huizes kon voorvallen…
Het onschuldige meisje stelt zich dus vragen maar het antwoord moet ze uiteindelijk zelf zien te vinden “door het spleetje van ’t gordijn”.

Door het spleetje van ’t gordijn

Toen ik vroeg aan mijne moeder: liefde, wat beduidt dat woord?
Werd zij boos en zei me bitsig: doet maar gauw met werken voort!
Daarmee was ik nog niet wijzer, maar ik zocht zo lang en fijn
tot ik ‘t ben te weet gekomen door het spleetje van ‘t gordijn

Tot ik ‘t ben te weet gekomen
door het spleetje van ‘t gordijn

Mieke was het van hierover die een blijde uitroep liet
bij het zien van enen jong’ling die zij hare minnaar hiet.
Menig zoentje werd gegeven, ‘t ging er druk van liefste mijn,
dat zij mij niet eens ontwaarden door het spleetje van ‘t gordijn

Dat zij mij niet eens ontwaarden
door het spleetje van ‘t gordijn

Moest ik u nog eens vertellen wat er verder nog voorviel,
o, ‘t zou mij onmoog’lijk wezen, ‘t trof mij diep tot in de ziel.
Innig klopte mij het hartje, ‘t deed mij goed en ‘t deed mij pijn
maar toch bleef ik gaarne blikken door het spleetje van ‘t gordijn.

Maar toch bleef ik gaarne blikken
door het spleetje van ‘t gordijn.

Sedert moet ik niet meer vragen wat de liefde is, alras,
had ik ook al ene minnaar, die mijn leraar verder was.
Moeder waant mij nog onnozel en ik laat haar in de schijn,
maar ik kijk niet meer lijk vroeger door het spleetje van ‘t gordijn.

Maar ik kijk niet meer lijk vroeger
door het spleetje van ‘t gordijn.

Zo gebeurt het hele dagen, moeder zwijgt voor ‘t heil van ‘t kind,
maar het kind dat zoekt zolange tot het er het raadsel vindt.
Zo was ‘t vroeger, zo is ’t heden, en zo zal het morgen zijn:
‘t kindje wordt wel eens verstandig dankzij ‘t spleetje van ‘t gordijn.

‘t Kindje wordt wel eens verstandig
dank zij ‘t spleetje van ‘t gordijn.

Partituur * Door het spleetje van ’t gordijn *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De lustige dopper

Geplaatst door Johan op 7 mei 2019 in liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

In 1966 publiceerde Julien De Vuyst in de Mededelingen van de Heemkundige Kring van Mere (jaargang VI nr 1) onder de titel Marktzangersliederen uit Mere een bespreking van enkele “vliegende blaadjes” die hij kreeg uit handen van Oscar Van Impe (de tekstschrijver en accordeonist) die er eertijds mee op straat ging, samen met Philemon Slagmulder (de voorzanger) uit Nieuwerkerken.

Over “De lustige dopper” schrijft De Vuyst:

Het handelt over het in voege brengen van de werklozensteun en het misbruik dat er toen - noch meer noch minder dan nu - van gemaakt werd. De werkloze wordt afgestompt door de miserie in de krisistijd en trekt zich van het ware gemeenschapsleven niet veel meer aan. Hij tracht de moeilijke toestanden te omzeilen met drinkpartijen die hij zich veroorlooft met zijn «dopgeld». Het misbruik wordt in dit sociaal lied aan de kaak gesteld terwijl tevens uitdrukkelijk de spot gedreven wordt met het verhogen van deze geldelijke steun.

Oscar Van Impe leende de melodie van “Ik ben in Parijs geweest” (Louis Dupont, 1935) om zijn satirisch lied te laten (mee)zingen. Die zangwijze kenden we al van  Als gij maar poen bezit maar wie Louis Dupont was hebben we nog niet kunnen achterhalen. Er is geen enkel ander lied of plaatopname te vinden van deze auteur. Het zou wel eens ’n schuilnaam kunnen zijn van een Nederlander – de originele partituur werd in Amsterdam uitgegeven-, misschien gebaseerd op het  feit dat Edith Piaf – notoire vertolkster van liederen over Parijs – op 17 jarige leeftijd moeder was geworden van een dochter “verwekt door Louis Dupont, een koerier” aldus Wikipedia. Anderzijds is Louis Dupont gewoon het gedoodverfde  Franse equivalent van Kees Jansen of Jan Peeters …

Vanwaar de termen “dopper” en “gaan doppen” afkomstig zijn is ook niet helemaal duidelijk. Ik vond enkele min of meer plausibele verklaringen:

  • het is omdat een stempelaar de stempel eerst in de inkt moet “doppen” vooraleer de dopkaart af te stempelen
  • het komt uit Zuid-Afrika waar de wijnboeren een “dopstelsel” hanteerden waarbij arbeiders gedeeltelijk in wijn werden uitbetaald
  • het verwijst naar hongerige mensen in armoede die een droog stukje brood in gesmolten vet “dopten” om de honger te stillen.

De lustige dopper

Als ik U iets mag zeggen,
luister eens goed naar mij;
ik zal ‘t U klaar uitleggen,
want dit geldt ook voor mij.
Wie is niet van dè mode,
met zulke crisistijd,
men hoeft niet meer te werken,
als gij nen dopper zijt.

We hebben ‘t ver gebracht,
wie had het ooit gedacht.
Vroeger was het een ander spel,
elk stond in’t zweet tot op zijn vel.
Maar nu is dat gedaan,
nu dat den dop bestaat.
Wekelijks onzen versen poen,
meer is er niet vandoen

Nu gaan wij ‘s zondags zwieren;
Wij zijn op ons gemak,
Zijn er soms die trakteren,
Aan huis wordt niet gedacht.
Zijn wij wat overzopen,
En weegt de kop wat zwaar,
‘t Zal toch niet veel generen,
Om naar den dop te gaan.

Schiet er een franksken over,
‘t komt er zo goed van pas.
Den dop nog maar gekregen,
nu rechtstreeks om een glas,
en zo gaan wij door ‘t leven,
wij zijn er geerne bij,
‘t staat in ‘t dagblad te lezen,
vijf per honderd erbij

Partituur * De lustige dopper *
      1. instrumentaal

Tags:

Copyright © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com