0

De kleine zwaluw

Geplaatst door Johan op 25 oktober 2017 in cahiers, liedbladen, liederen, Over Armoede & Drank, schrift Luc Geens |

Opgelet, dit is een SUPER-smartlap! We vonden de tekst ondermeer in het liedjesschrift van (de moeder van) Luc Geens.

Harry Franken ontdekte dezelfde tekst op een liedblad van marktzanger J. Janssens en wist dat het moest gezongen worden op de melodie van ” l’Hirondelle du Faubourg”, geschreven door het duo L. Benech-E. Dumont in 1912. Sterker nog: het is er in feite een vertaling van.

Het tragisch-romantische verhaal grijpt naar de keel. Het is allicht verzonnen maar het schetst een situatie die in die tijd zeker niet vergezocht was.

Een jong meisje is in de prostitutie terecht gekomen omdat haar vader zijn gezin in de steek liet, waarna de moeder van verdriet, en door geldgebrek allicht ook van honger, stierf. Het meisje werd op straat tijdens de uitvoering van haar oneerbaar beroep neergestoken en is op sterven na dood. In het hospitaal wordt zij verzorgd door een rijke topchirurg die alles probeert om haar te redden. Na het horen van haar verhaal begint het hem (en ons) te dagen: de arme moeder, een werkmanskind, werd door haar rijke minnaar verloochend toen het kind er kwam. U zou de clou van het lied nu al moeten kunnen raden. Zoniet: bereid u voor op een mokerslag!

De franse versie kan u op YouTube beluisteren, gezongen door Anny Flore, Lina Margy, Jack Lantier en deze Georgette Plana

Ter vergelijking het begin van de franse tekst

A l’hôpital c’est l’heure de la visite
Le médecin en chef passe devant les lits :
Le numéro treize, qu’est-ce qu’elle a cette petite ?
C’est la blessée qu’on amena cette nuit


De kleine zwaluw

In ‘t hospitaal doet de dokter zijn ronde,
“Nummer dertien, wat mankeert toch dat kind?”
“Men bracht haar vannacht met een diepe wonde”
“Laat mij eens zien, het verband weg gezwind.
Twee messteken in de richting van ‘t harte,
toch is er nog hoop, zeg mij lieve klein:
noem mij uw ouders da’k iemand gelaste
opdat ze spoedig bij u zouden zijn.”
En snikkend sprak zij, ik ben gans alleen
sinds men mijn moeder ten grave droeg heen.

Men noemt mij enkel in ons kwartier
de schone zwaluw, meid van plezier.
Moeder verliet me, stierf, d’arme vrouw,
van verdriet voor d’ontrouw
van die laf met een kind haar verliet.
Waarom vader schaamt gij u toch niet?
Ik sterf en gij kent niet eens uwe
kleine zwaluwe.

De dokter zegt: “G’hebt zo’n schoon medaillon?
Gewis van hem die uw liefde eens won?”
“Neen, ‘t is gedenkenis van dien onwaarde,
de man die laflijk mijn moeder bedroog.”
“Laat zien, dit jaartal achttiendrieennegentig,
AndréTheresia”, en met tranend oog,
“O God, ‘k herken haar, dat kind moet ik redden”
“Mijnheer wat ziet u verwonderd mij aan?
Ga voort met ‘t bezoek aan andere bedden,
laat mij alleen, ik kan niet verder gaan.”

Men noemt haar enkel in haar kwartier
de schone zwaluw, meid van plezier.
Moeder verliet haar, stierf, d’arme vrouw,
van verdriet voor d’ontrouw
door hem die laf met ‘t kind haar verliet.
Die man was ik, kind lief, hoort g’het niet?
‘k Wil niet dat ge mij verafschuwe,
kleine zwaluwe.

Nummer dertien, altijd koorts, veertig graden
‘t gaat niet naar wens, ik ben gans machteloos.
Wat kan mijn roem en mijn kunde mij baten
als ik niet kan redden dit leven broos?
Haar laatsten adem zie’k langzaam ontglippen,
luister, mijn leerling, ‘k wil dat ieder ‘t hoort.”
En wenend kust hij haar vaalbleke lippen,
“Zij is mijn dochter, die’k vond en verloor.
Vergiffenis als gij komt bij uw moeder.
Bid voor mij, God, den Albehoeder.

Men noemt haar enkel in haar kwartier
de schone zwaluw, meid van plezier,
van ene werkmansdochter geboren
en nu weer verloren.
Lijk d’anderen was zij braaf en goed,
had ik als vader haar niet verfoeid,
dan zoudt ge mij niet verafschuwen,
kleine zwaluwe.

Partituur * De kleine zwaluw *
      instrumentaal

Tags:

0

Het huwelijk van Martha op haar sterfbed

Geplaatst door Johan op 18 oktober 2017 in cahiers, liedbladen, liederen, Over Liefde & Verdriet, schrift Louis Laermans |

Alfons De Belie plaatste in zijn boek “Zo werd gezongen” het verhaal van Martha die op haar sterfbed nog absoluut wou huwen om haar kind een toekomst te geven. Hij noteerde ook de melodie zoals hij die had horen zingen door zijn moeder.

Dezelfde tekst vonden we ook integraal terug in het boek dat Roger Hessel maakte op basis van zijn verzameling liedbladen van Tamboer. Daar werd geen zangwijze opgegeven, dus dat kwam goed uit.

Ook marktzanger Victor Van der Haegen uit Aalst zong over “Het Huwelijk van Martha op haar sterfbed”1 en Frans Van Kets uit Aarschot eveneens.2 Misschien is 1 van hen de auteur (of de opdrachtgever om de tekst te schrijven, Van Kets liet zijn liedteksten vervaardigen door Pierre Bauwens uit Antwerpen en door Cornelis Janssens uit Hoogstraten) want de tekst lijkt me niet echt in de stijl van Tamboer.
Toen we de muzieknoten uitprobeerden klonk dat hier en daar bekend in de oren, maar het duurde toch nog tot ik de hele partituur had gemaakt, bewerkt en min of meer van akkoorden voorzien eer ik de melodie van “La femme à la Rose” meende te herkennen! Dit illustreert wel hoe moeilijk het soms is om de gezangen van een (oudere) zegspersoon juist te interpreteren: zij zingen het voor, puur uit het geheugen, en hebben door allerlei invloeden onbewust ingrijpende wijzigingen aan de originele melodie aangebracht.

Tamboer bracht dus dezelfde tekst en hij kende deze melodie want hij gebruikte ze in andere liederen. Is hij dan toch de auteur van de tekst? Maar het thema van het lied heeft hij niet bedacht, dat vinden we in tal van andere liederen terug. De “Martha” in het liedje is dan ook een fictieve persoon, niet iemand die de tekstschrijver persoonlijk kende …

Volgens Roger Hessel in “De filosofen van de straat” zijn al deze liederen schatplichtig aan Aloïs Van Peteghem die rond 1900 het lied zong van “Een bewijs van ware liefde te Meulebeke. Een jongen getrouwd op zijn sterfbed, enige uren daarna was het meisje weduwevrouw”

Wij vonden vooral liederen terug waarbij – zoals in het geval van Martha – een stervend meisje in het huwelijk treedt. Zo zagen we in een liedschrift van Louis Laermans uit Herent op pagina 109 het verhaal van “Het huwelijk met een stervend meisje” dat inhoudelijk goed overeenstemt met het wedervaren van Martha, en vrijwel dezelfde tekst staat in het liedjesschrift van Martha Criel dd. 1911 op pagina 28 als “Het huwelijk met het stervende meisje”. Ook Alfons Van Gestel uit Aarschot, aangetrouwde familie van Frans Van Kets, maakte een versie onder de titel “Een huwelijk aan ’t sterfbed”, bij hem op de wijze van “Vergeet me niet” (zie voor de melodie bv. dit lied)

Wij weerhielden voor ons eigen repertoire dus de versie die ook door Tamboer werd gezongen en waarvan wij vermoeden dat Pierre Bauwens (+1936) het schreef: de melodie is van 1921 en Corneel Janssens leefde dan al niet meer3.


1“Het Aalsters Volksleven deel 1 – het markt- en straatlied 1860-1950”, pag. 19
2“Marktliedzangers uit Aarschot”, pag. 4
3 Julien De Vuyst publiceerde in zijn boek “Het moordlied in de Zuidelijke Nederlanden tot de XIXe eeuw” op het eind een “biografisch Repertorium, door Jan Bauwens” waarin ook Corneel Janssens is opgenomen. Bij nader toezien heeft die dat stukje overgenomen van Jan De Schuyter en zijn boek “Drij moorden voor vijf cens” uit 1945 :
“Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was Comeel al 73 jaar oud: hij had dus wel mogen denken aan ophouden: maar zijn politiek engagement was hem te sterk en hij dichtte (en zong) het nu nog beroemd gebleven schimpdicht tegen de Duitse Keizer:
‘k Heb een kakstoel laten maken
En de Keizer zit erin;
Met zijn vijf miljoen soldaten:
In den Ijzer rijden zij in
Om dit liedje werd Comeel Janssens aangehouden, te Olmen en naar Neuhaus gedeporteerd waar hij overleed. in het plaatselijke ziekenhuis, als een gedeporteerde van 79 jaar!”

Dat spotlied lijkt een remake van een spotlied over Keizer Napoleon honderd jaar vroeger dat we terugvonden in “HET STRAATLIED, NIEUWE BUNDEL SCHOONE HISTORIE-, LIEFDE EN OUBOLLIGE LIEDEREN VERZAMELD EN INGELEID DOOR D. WOUTERS EN DR. J. MOORMANN:
VAN DEN KEIZER DER FRANSCHEN,
Komt, vrienden, blijft hier nu een weinigje stanen,
Hoort hoe het Napoleon is geganen,
Die keizer is het in ’t hoofd zoo geslagen,
Hij is stapel gek, wie kan het verdragen.
Kom, wilt voor den keizer een kakstoel gaan maken,
Daar kan hij in zitten om hem te vermaken,
En geeft hem wat rinkels, daar kan hij mee spelen,
Dan zal hem de tijd toch zoo lang vervelen.
(+ nog 10 strofen)

Het huwelijk van Martha op haar sterfbed

Martha was een meisje geprezen,
nog jong, door de liefde verblind.
Haar ziekte kon niet meer genezen
en zij was moeder van een kind.
Hij die haar beminde met ziel en hart
die deelde haar lijden en smart.
Want soms klonken stil hare woorden:
“Ach minnaar, hoort toch mijne klacht”

“Ik smeek! Ik smeek! U die mij mint,
heb medelijden met mijn kind.
Laat het genen bastaard wezen
want ik kan toch niet genezen.
Daarom blijf mij ter dood getrouw
en laat mij worden uwe vrouw,
want nog een ure te lijden straf,
dan is mijn rustplaats in ‘t duister graf.”

Getroffen door haar schone woorden
ontviel ene traan zijn gezicht
en stil murmelt hij in accoorden:
“Ik weet het goed ‘t is mijne plicht”
En Martha die zuchtte nog steeds weleer:
“Misschien ben ik morgen niet meer.
Laat mij u nog eenmaal omhelzen,
weldra is het de laatste keer”

“Ik smeek! Ik smeek! U die mij mint,
heb medelijden met mijn kind.
Laat het genen bastaard wezen
want ik kan toch niet genezen.
Daarom blijf mij ter dood getrouw
en laat mij worden uwe vrouw,
want nog een ure te lijden straf,
dan is mijn rustplaats in ‘t duister graf.”

En hij die haar trouw had gezworen,
zijn harte dat brak van verdriet.
Bij ‘t horen van al hare woorden
toen sprak hij: “Neen dat wil ik niet”
En ‘s anderendaags overwegende
dan stak hij den ring op haar hand
Het huwelijk werd ingezegend
Tot een eeuwige liefdesband.

“Mijn kind en gij die mij bemint,
vaartwel, nu sterf ik blijgezind”
Zo sprak zij zachte bewogen
met ene traan in haar ogen.
Zij gaf ne zucht en ene gil
En alles werd weerom doodsstil
Martha, vroeger toch zo lief en teer,
lag uitgestrekt, want zij was niet meer.

Partituur * Het huwelijk van Martha op haar sterfbed *
      instrumentaal

Tags:

2

Als een meisje spreekt van trouwen

Geplaatst door Johan op 11 oktober 2017 in liedbladen, liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Het huisje bij den toren” is een lied uit 1936 van Jan Van Laar Senior, iets minder bekend dan zijn ode aan “Het plekje bij den molen“. Jacques Klöters schrijft over hem en dat laatste lied in “Zo de ouden zongen” (Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2006) :

Toen de maker een titel bedacht, koos hij de verkeerde. Hij had de eerste regel van het refrein moeten nemen, want zo noemt iedereen het lied: 'Daar bij die molen'. Het is een prettige wals die lang repertoire gehouden heeft. Oer-Hollands en vooroorlogs degelijk wat betreft het liefdesideaal dat erin bezongen wordt.
Jan van Laar is totaal vergeten, hoewel hij toch een productief liedjesschrijver is geweest. Hij was opgeleid als waterbouwkundige, maar kwam rond het jaar 1890 in het artiestenvak terecht omdat hij als amateur-humorist zo'n groot succes had. Hij vormde aan het begin van de twintigste eeuw met zijn vrouw een redelijk succesvol humoristisch duo en had daarnaast ook een winkel in voordrachten en feestartikelen die zijn carrière als humorist overleefde.

Inderdaad, totaal vergeten, we vonden zelf over die man weinig of niets terug.
Het origineel werd ondermeer gezongen door Kees Pruis.


De melodie van “Het huisje bij den toren” werd door verschillende Vlaamse marktzangers gebruikt, wat impliceert dat het hun toehoorders zeer bekend in de oren klonk zodat ze het dadelijk konden meezingen.

We konden kiezen uit “Het huiselijk drama te Houthulst” (van Tamboer) en “Krankzinnige vrouw pleegt kindermoord: zij snijdt haar wichtje van 9 maanden de keel over” (van Alfons Van Gestel) maar over die beschreven misdaden vonden we niets terug in oude kranten. Daarnaast waren er meerdere “luchtige” liederen op deze melodie, zoals “Ik zie maar ene geeren” (van Frans Jacobs) en “Silveer Maes overwinnaar der Ronde van Frankrijk” (van Achille Coppenolle) en nog 5 liedjes van Tamboer over steeds hetzelfde onderwerp, namelijk de gevaren van het huwelijk (voor de mannen): “Blijft binnen de schreve“, “Jongens trouwt nooit te vroeg“, “Klaag toch nooit van trouwen niet“, “Bij de mooie meisjes” en onze uiteindelijke keuze “Als een meisje spreekt van trouwen“. De tekst spreekt voor zich, commentaar overbodig.

Als een meisje spreekt van trouwen

G’hebt jongens die ‘t hulder beklagen
van als zij maar pas zijn getrouwd.
Het vrouwken die wordt al een zage,
al is de liefde nog niet koud
toch moet er de man alles laten,
ja, doen wat zijn wederhelft zegt
of anders dan smijt z’hem op strate
in ruzie of in een gevecht.

Refrein:
Als de meisjes trouwen
spelen zij den baas.
Dat doen alle vrouwen,
ach jongens, blijft niet dwaas.
Houdt ze kort aan ‘t voetje,
zet heur in den hoek.
Noemt haar “liefste loetje”
maar draagt zelf de broek.

Papa zit het kleintje te wiegen,
het vrouwken rijdt uit per velo.
Ze is heure man aan ‘t bedriegen,
terwijl hij zingt “doderido”,
moet werken en slaven, och Here,
en ‘s avonds is’t nog niet gedaan.
Thans zou die madam u nog leren
hoe gij naar den Hemel zult gaan.

Zie, trouwen dat wordt nu een zonde
dat is reeds bij ieder bekend.
Gij draagt zelf de pijn van de wonde
als gij maakt uw vrouwken gewend.
Laat zien dat gij zijt genen dwazen,
gij geeft haar op tijd maar een klap
en koelt zij dan niet zonder blazen,
gij bindt ze goed vast aan den trap.

Partituur * Als een meisje spreekt van trouwen *
      instrumentaal

Tags:

Auteursrecht © 2000-2017 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com