0

‘t Draaide, ‘t zwaaide, …

Geplaatst door Johan op 23 december 2018 in liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

Een lustig lied over een argeloos verliefde jongeling, vermoedelijk op de wijze van een gekende volksdansmelodie, maar ik herken ze niet … Ook de auteur van de tekst is onbekend gebleven.

Een jongeman is op slag en hopeloos verliefd op een frivool dansende jonge dame. Is zij ook meteen verliefd op hem? Misschien, ze houdt hem in elk geval even aan het lijntje.

Op het einde blijkt dat ze misschien toch vooral verliefd was op zijn portemonnee …

’t Draaide, ’t zwaaide

Moest ik zwijgen, ‘k zou er iets van krijgen,
wil me troosten eer dat ik verkwijn.
Ach, mijn hartje doet toch zoveel pijn,
ach hoe kan de liefde aardig zijn.
‘k Kwam ze tegen, ik was zo verlegen.
‘k Stond verblind toen ik haar voor mij zag.
‘k Knikte, ‘k lachte, ‘k deed niks en ik wachtte
Het was op een schone zomerdag.

‘t Draaide, ‘t zwaaide,
schudde met haar rokje.
‘t Knikte met haar kopje fijn.
Altijd loeren, vriendelijk staan loeren,
ja, hoe kon dat lieve kind zo zijn?
Handjes, tandjes, alles elegantjes,
alles in de kantjes fijn.
‘k Wil het u herhalen, duizend malen
was die lieveling toch mijn!

‘k Wou haar spreken, om haar liefde smeken,
en haar zeggen hoe ik haar aanbad.
Ach mijn engel, allerliefste schat,
‘k wil zovele zeggen, ‘k weet niet wat.
‘t Waren woorden die mijn keel versmoorden,
‘k bleef genageld op mijn plekje staan.
Ze ging henen, ik ging aan het wenen,
‘k zag ze in de verte voor mij gaan.

Moest ze vragen waarom moet je zagen,
zeg waarom al die verlegenheid.
Waarom jammeren en waarom pijn?
Voor zo een onnozel nietigheid?
‘k Stond verslonden, haastig, opgewonden,
maar ik voelde naar mijn portmonnee.
‘k Laat het weten, ik had hem vergeten,
ofwel had die hekse hem wel mee.

Partituur * ’t Draaide, ’t zwaaide *
      1. instrumentaal

Tags:

1

De stervende jongeling

Geplaatst door Johan op 20 december 2018 in liedboeken, liederen, Over Liefde & Verdriet |

Gevonden in “Zo d’Ouden Zongen” zonder bronvermelding. Volgens Harrie Franken is het lied gecomponeerd door “Mevr. Ellegiers” uit Antwerpen.

illustratie uit het boek “Drij Moorden Voor Vijf Cens” (De Schuyter, 1945)

Het echtpaar Domien Ellegiers en Maria Christina Jacobs huwde op 5-12-1895 in Willebroek. Hij gaf als beroep “muzikant” op, zij “pianiste”. Vader Jef Ellegiers was een “leurder” en zijn echtgenote Cornelia Collette was eveneens “leurster”. Vader Frans Jacobs was in 1895 al weduwnaar en “kleermaker”.
Het muzikale koppel trok dus ook de baan op en het lied van de stervende jongeling moet dateren van 1895-1908 omdat de melodie in 1908 door Frans Van Kets werd gebruikt voor een moordlied.

De jongeling in dit lied ligt te sterven in de armen van zijn moeder. Hij bekent haar dat hij verliefd is op Liesje en of moeder zijn lief wil troosten als hij er niet meer zal zijn. Maar dan ziet hij zijn lieve Liesje plots voorbij stappen met een ander lief..  Zijn hart breekt. Letterlijk.

Volgens Jack Verstappen in “Volksleven rond Antwerpse Café-Chantants” was “madame Ellegiers” na het overlijden van haar man (1920) een tijdje solo doorgegaan en was ze gespecialiseerd in het vervaardigen van gelijkaardige, melo-dramatische liederen die gretig werden afgenomen door andere Antwerpse marktzangers. Hij doet een beetje laatdunkend over de “rijmelarij” van de auteur, naar ons aanvoelen onterecht, maar oordeel zelf. De melodie overstijgt in elk geval het gemiddeld niveau van haar collega’s …

De stervende jongeling

Ziet ginds voor dat huisje zo need’rig en schoon
een jong’ling zat daar te verkwijnen.
Gebogen in’t lommer van ginds lindeboom
moet hij van de aarde verdwijnen
Zijn moeder aanziet hem met angstig gelaat
wijl stil haar een zucht ontgaat.
Zij sprak: ach mijn zoon wil niet treuren,
wijl zij hem weemoedig aanstaart.

Moeder lief, ach wil mij vergeven
want ik voel, ‘k zal niet lang meer leven.
‘k Voel me koud, ja ik voel mij beven
‘k Zie de dood mij reeds omgeven

Ach moeder, kom luister en zet u bij mij
ik moet u mijn liefde verklaren
voor Liesje, ge kent haar, die ging aan mijn zij
ginds als wij ter kerremis waren.
Ach moeder, ik min haar, en zij mint mij meer
ach troost haar als ik ben niet meer
want ik voel dat zij veel zal lijden,
ja, zij zwoer mij trouw toch zo teer.

Ach moeder, ‘k voel dat ik ga sterven,
nog zo jong het leven moet derven.
Zeg haar toch mijn laatste woorden
dat mijn hart haar toebehoorde.

Terwijl hij weeklagend met droevig gelaat
aan ‘t hart van zijn moeder lag teder,
wat zien zijne ogen, wat ziet hij op straat?
‘t Is Liesje, zij komt aangetreden.
Maar God, lieve moeder, wat zie ik toch daar?
Liesje met een and’re minnaar!
Ach moeder, zij is mij vergeten,
dit is nu mijn dood ook voorwaar.

Vaarwel, ‘k sterf, zij heeft mij verlaten.
Mijne smart kan nu niet meer baten.
Hij viel zacht aan zijn moeders harte.
Dood was hij, verlost van smarten.

Partituur * De stervende jongeling *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Mijn vrouw dierenbeschermster

Geplaatst door Johan op 10 december 2018 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Het verhaal van dit lied kennen we beter in de versie die door Erik Wille werd opgetekend in Ieper bij mevrouw Erna Frimout (zo staat het aangegeven op het boekje bij de CD ” ’t Is gene zuiveren…”) en nog steeds door hem gezongen en uitgebeeld wordt als “Onzen Hond”, maar dan wel op een heel andere melodie dan hieronder. Daar bestaat ondertussen ook een draaiorgel versie van.

We vonden een verwante tekst en (andere) melodie  in “Geschiedenis van het café-chantant“, samengesteld door Willy Lustenhouwer. Zelf geeft hij geen enkele inlichting over vindplaats of auteurs.

Eerder toevallig ontdekten we nog een derde, fel gelijkende tekst:

Deze tekstversie wordt toegeschreven aan L. Boel en zou uit 1924 dateren. Dat schrijft Jos Ghijsels in “Aalsters Volksleven – Markt- en Straatlied 1860-1950“, uitgegeven in 1978 door het “Genootschap voor Aalsterse geschiedenis”. Als zangwijze wordt daarbij verwezen naar “J’ai une femme qui adore les animaux” wat meteen duidelijk maakt dat beide versies een poging tot  vertaling moeten zijn van hetzelfde Franse lied.

Dat blijkt na veelvuldig zoeken inderdaad het lied “Elle m’aime pas” te zijn, op tekst van filmster en gelegenheidszanger Pauley, artiestennaam van Paul Eugène Louis Marien (1868-1938), op muziek gezet door Ch. Jardin (+1950) en (ook) gezongen door de franse vedette Dranem, artiestennaam van Armand Ménard (1869-1935). De originele tekst van eerste strofe en refrein luidt als volgt:

ELLE M’AIME PAS

J’ai une femme qu’adore les animaux,
C’est sa passion c’est sa vie.
Mais pour moi ce n’est pas rigolo,
Elle me délaisse un peu trop.
Elle a un vieux perroquet,
elle est constamment après,
Il est toujours sur son dos,
elle l’appelle son petit coco.
Elle craint qu’il s’fasse mal aux dents,
elle lui mâche ses aliments,

Elle ne m’fait jamais des trucs comme ça,
elle m’aime pas, elle m’aime pas,
Il est évident qu’si elle m’aimait,
qu’elle me le ferait.

Van de partituur konden we alleen een foto van de cover bemachtigen en ook van de plaatopnames van Pauley of Dranem vonden we nog geen copie. Wel een veldopname van een zekere Francis Michot die het in 1970 voorzong aan een verzamelaar.

      1. Francis Michot *Elle m'aime pas*

Die melodie – hier en daar wat onbeholpen gezongen – komt vrij goed overeen met wat Lustenhouwer kon optekenen.

Ik heb de indruk dat de versie die Erik Wille ontdekte als “Onze Hond” gemaakt is door een marktzanger, die onder de indruk was van het Franse lied, maar in plaats van de originele versie te vertalen het hele gebeuren heeft herverteld op zijn manier en op een gekende (?) melodie heeft geplaatst die hem beter paste.

Hieronder de versie die Lustenhouwer optekende, een andere, vrije vertaling van het Franse lied.

Mijn vrouw dierenbeschermster

‘k Heb een vrouw die veel van beesten houdt
ja, dat is haar lekker leven.
Hare vent, die laat haar immers koud,
ja dat gaat boven zijn hout.
Z’heeft daar nu ’n papegaai,
deze komt recht van Chicago,
en hij maakt zo’n groot lawaai,
ze noemt hem “mon p’tit Coco”.
Omdat z’n tanden geen zeer zou’n doen,
knabbelt ze z’n eten elke noen.

Z’heeft zij dat nog nooit met mij gedaan,
en pertang, ‘k hou ekik daarvan.
Als ik zegge da’k het geiren heb,1
ze lacht daar altijd mee.

Z’heeft daar ook ’n kater lijk ’n beer,
zit vol luizen en vol vlooien,
wrijft hem in met lotion piccaleer,
en ze vet hem in met smeer.
‘s Morgens als ze komt uit bed,
is die beeste daar al gezet,
en ze pakt hem op h’r kniên,
en ik mag daarop staan zien,
en om hem t’ontdoen van stank en geur,
doet z’hem elke week naar de coiffeur.

Z’heeft daar nu ’n leegvel van ’n hond,
die niet anders doet dan fretten,
en zijn buik die sleept tot op de grond,
daar is dan ’n strikske rond.
Z’heeft hem nu cadeau gedaan,
van ’n soorte cachecorseetje,
Als z’er mee op wandel gaat,
iedereen die lacht er mee.
Als die vetzak niet meer voort ’n kan,
draagt zij hem totdat ze zweet d’r van.

Z’is daar laatst eens naar de markt gegaan,
om ’n hele bende kiekens.
Sedertdien mag heel die karavaan,
vrij en vrank m’n huis in gaan.
Op de trap en in ‘t salon,
overal tot in de keuken,
op m’n bed en canapé,
leggen zij hun port’monnee.
En wanneer ze zoeken achter nest,
in m’n vrouw h’r schort leggen ze best.

W’hebben ook ’n aap, ’n wiestietie,2
en hij komt van bij de zwartjes.
Wij noemen hem schele Sjarlewie,
is er t’eten hij’s t’r bie.
Maar hij laat steeds restjes na,
hij zou dat toch niet mogen doen.
Mijn vrouw loopt hem achterna,
zonder handschoen’ aan te doen,
Ze pakt steeds ’n spons en water mee,
en wast er zijne wiestietie mee.


1 waarschijnlijk uitgesproken “hee” in ’t dialect
2 de Ouistiti aapjes zijn berucht omdat ze door inbrekers werden afgericht om via kleine raampjes naar binnen te sluipen, de deursleutels los te peuteren en naar hun baasje te brengen.

Partituur * Mijn vrouw dierenbeschermster *
      2. instrumentaal

Tags:

0

Moeder, geef mij nog een kus

Geplaatst door Johan op 6 december 2018 in cahiers, liedboeken, liederen, Over Liefde & Verdriet |

In het boekje “Krotte met steerten en ajuin, gedichten en liederen uit de 19e eeuw” nam Guido Vandermarliere ook een stukje op dat hij vond in het liedjesschrift van kapelaan Martijn Coune uit Borgloon dat bewaard wordt in het Rijksarchief te Hasselt en in 1895 zou geschreven zijn.

De tekst deed ons denken aan andere liederen uit die periode, meestal vertalingen uit het engels van internationale piano-hits geschreven door C.A. White, J.R. Thomas en anderen. In ons eigen archief vonden we alleen een vermelding van de titel en een klein stukje melodie als “teaser” op de achterkant van een partituur uitgegeven bij F.B. Den Boer uit Middelburg.

De volledige partituur vonden we niet, tot we gingen speuren op de website van John Hopkins & The Sheridan Libraries waar meer dan 28.000 public domain partituren uit  de Levy collectie worden ter beschikking gesteld. Zo kwamen we uit bij “Kiss me, mother, ere I die“, in 1863 gepubliceerd bij Henry Tolman in Boston en geschreven door W. Dexter Smith (tekst) en Frederick Buckley (1833-1864) (muziek). Het was snel duidelijk dat we te maken hadden met een (vrije) vertaling van dit lied. En zo vonden we dus de melodie terug die in het liedjesschrift niet werd vermeld.

Het gaat – zoals dikwijls in liederen uit die periode – over een kind dat op sterven ligt. Kindersterfte was tot aan pakweg WOI een levensgroot probleem, ook bij ons, in een tijd dat het belang van hygiëne nog niet was doorgedrongen en er ook nog geen zuiver water uit een waterleiding kwam. We bespraken al enkele andere dramatische liederen uit dezelfde periode over hetzelfde thema: zie Sonny Boy,  Vader, kom huiswaarts en andere

We pasten de tekst gevonden bij kapelaan Coune hier en daar wat aan in functie van het origineel, en dit is het smartelijke resultaat.
Het is een lied met een dubbel refrein: een ‘gewoon” refrein en daar bovenop nog een “koor”-versie in 3 of 4 stemmen, zoals dat indertijd werd uitgevoerd door de “Buckley’s Serenaders“, een zangkwartet samengesteld uit familieleden van de componist. Het is mogelijk dat de “chorus” alleen werd gezongen als slotrefrein, wat het lied compacter en verteerbaarder maakt.

Moeder, geef mij nog een kus

Moeder, geef mij nog een kus,
wil m’uw laatste zegen geven
eer het kille graf m’ontvangt
en ik afscheid neem van ‘t leven.
Moeder, kus en zegen mij
net zoals in vroeger jaren
toen ik speelde vro en blij,
al die vreugd’ is heen gevaren.

Oh kus me moeder voor ik sterf
laat me uwe streling voelen
eer ik lig voor altijd neer,
moeder, kus me nog één keer.

Moeder, geef me nog een kus
eer het kille graf m’ontvangt.
Troost m’oh troost m’in ‘t stervensuur, moederlief!
Kus mij, moeder! Nog één kus.

Moeder, kus mij eer ik slaap
om op aard niet meer ‘t ontwaken.
Ach, ik bid en ween toch niet
nu mijn ziel haar zucht gaat slaken.
Ween niet over mij die thans
van een aard’ vol zorg moet scheiden.
Weldra komt de laatste rust
en een morgen vol verblijden.

Moeder, geef me nog een kus,
éénmaal zult gij mij ontmoeten
boven wolk en boven ster
waar Gods engelen ons begroeten.
Moeder, geef m’uw laatste kus,
druk mijn hand aan ‘t minnend harte.
Oh, mij doet de dood geen pijn
want uw kus verbant de smarte.

Partituur * Moeder, geef me nog een kus *
      1. instrumentaal (met intro)

Tags:

Auteursrecht © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com