0

De rijke miljonair

Geplaatst door Johan op 30 september 2019 in liedboeken, liederen, Over Armoede & Drank |
  • lied opgetekend door Willy Lustenhouwer (nr. 212) zonder bronvermelding
  • zou van rond 1900 kunnen zijn

De titel is een pleonasme, tenzij er ook arme miljonairs zouden bestaan. En “de arme werkman” zou in die periode al even dubbel op klinken.

Het lied behandelt de tegenstellingen tussen armen en rijken: armen worden veracht en rijken komen met alles weg. Tenzij in de dood: men kan al die rijkdom niet meenemen in het graf. Door dit alles is de rijke bang voor de dood terwijl de arme het als een bevrijding aanziet.

De rijke miljonair

677 auteur onbekend – circa 1900

Terwijl de miljonair met paard en koets mag rijden,
ziet men daar in de kroeg de werkman honger lijden.
Wij leven, het is waar, al van liefdadigheid,
in plaats van brood en wijn, verdrukt voor d’arrebeid.
De rijke deugeniet wordt overal geprezen,
wanneer men arm is, neen, kan men niet eerlijk wezen.

In onze maatschappij, waar goud en rijkdom leeft,
wordt men bespot, veracht, als men geen geld ’n heeft.
In onze maatschappij waar goud en rijkdom leeft
wordt men veracht, bespot, als men geen geld ’n heeft.

‘k Ging laatstmaal naar de kerk, om op ’t gemak te wezen,
ik nam daar ene stoel, en zette mij aan ’t lezen,
toen heeft mij daar een knaap geheel brutaal verhaald:
gaat weg van deze stoel, gij hebt nog niets betaald.
Zet u neer op uw knieên, dat kan mij weinig schelen,
of blijf recht staan wanneer het u niet zal vervelen.

Daar in het huis van God, waar pracht en rijkdom leeft,
daar moet men rechte staan, als men geen geld ’n heeft.
Daar in het huis van God, waar pracht en rijkdom leeft,
daar moet men rechte staan, als men geen geld ’n heeft.

Wat ziet men langs de straat somtijds voorbij passeren,
’t is een begrafenis, maar men ziet er geen heren.
Een priester is er bij, om zijn gebed te doen,
voor drie werklieden slechts, die volgden deze stoet.
’t Was Georges de bedelaar die zij naar ’t kerkhof droegen.
Wanneer men arm is, ja, uw leven lang moest zwoegen.

Wat baat het nu ach God, als men armoedig leeft,
men gaat naar ’t paradijs, als men veel centen heeft.
Wat baat het nu ach God, als men armoedig leeft,
men gaat naar ’t paradijs, als men veel centen heeft.

Die grijsaard dacht aan dank, zoals in jonge jaren,
wanneer dat arm of rijk, de dood niemand kan sparen.
Wat zijt gij met uw geld, waar gij zoveel om gaf,
wanneer de wormen u opeten in uw graf?
Maar gij die leeft in ’t goud, rijkaard wil goed verstaan,
dat gij na uwe dood tot asse zult vergaan.

En op zijn laatste uur, de rijkaard schrikt en beeft,
men verlangt naar de dood, als men geen centen heeft.
En op zijn laatste uur, de rijkaard schrikt en beeft,
men verlangt naar de dood, als men geen centen heeft.

Partituur * De rijke miljonair *
      1. instrumentaal

Tags:

0

’t Zal kermis zijn

Geplaatst door Johan op 23 september 2019 in liedboeken, liederen, Over Liefde & Verdriet |

  • [AC] Frans Lamoen (1876-1954) 1
  • uit “Geschiedenis van het Café-Chantant” (Willy Lustenhouwer)
  • uit “Het leven van Frans Lamoen, verteld door hemzelf”

Als inleiding bij dit liedje vertelde Frans Lamoen het volgende aan zijn zoon, die de memoires 2 van zijn vader te boek stelde:

Van het "Internationale Artisten Bureau" kreeg ik een verbintenis voor een debuut in "Panopticum", een eerste rang cabaret te Amsterdam. In reuze letters stond mijn naam op de affiches. Te 1 uur namiddag begon de repetitie, met orkest.
"Waar is die fameuze Lamoen ?" vroeg de directeur.
"Dààr, bij de tweede coulisse ."
"Begin maar 'ns te zingen - maar waar 1s je bagage", vroeg de directeur .
"Bagage ?? - die heb ik niet nodig."
Ik had enkel een klein valiesje om m'n muziek in te bergen .
"Kerel", riep weer de directeur, "denk je dat ik zoveel guldens ga betalen voor een artist zonder bagage ? Ik heb hier op het programma vier acrobaten, die hebben wel honderd kilo materiaal met zich !"
De man kende niet eens het verschil tussen een krachtpatser en een humorist. Hij voorspelde dat wanneer ik 's avonds niet genoeg succes zou behalen - voor de vele guldens die hij me moest betalen - hij me door de politie zou laten buitenwippen.
"Heer directeur" zei m'n impresario, "wacht in Godsnaam tot vanavond na zijn eerste optreden."
En ja, na m'n optreden werd ik op het kantoor van de directeur geroepen voor 'n glaasje wijn en een lekker sigaartje, met de belofte dat ik, in plaats van vijftien dagen, zoals het contract vermeldde, hij me nog een maand langer engageerde. Ik stond er zelf verwonderd bij want de bijval was tienmaal groter dan in België.
In de Nederlandse variété-theaters was het voordien nooit gebeurd dat het publiek mét de humorist het refrein ging meezingen. Men voelde zich daarvoor veel te deftig, te bezadigd.
Welnu, ik plaatste op m'n programma een liedje met een refrein om mee te zingen. 'k Verzocht m'n geacht publiek om uit volle borst mee te doen en beloofde dat de eerste de beste die niet meezong de zaal zou moeten verlaten en z'n entrée~geld aan de cassa kon terug halen .... 
Ze zongen niet, ze brulden . En juist in de maat. Na afloop volgde er 'n stormachtig applaus.
Geen stad, geen dorp , in België of Nederland, of onderstaand liedje werd spontaan meegezongen.

1 In het “Online Repertoire” op de website van SABAM zijn maar 8 liedjes van Frans Lamoen te vinden, allemaal gepubliceerd door Intersong en/of Primavera. Dit lied is daar niet bij.
2 Memoires zijn zelden objectieve ooggetuige verslagen …

’t Zal kermis zijn

’t Is al meer dan veertien dagen
dat ik zoek naar Rozalie.
Wie dat is, zult gij mij vragen?
’t Was mijn lief, mijn Rozalie.
Z’had de hemel op de aarde,
ze kreeg alles wat ze wou,
en de centjes die ik spaarde
gaf ik allemaal aan die vrouw.
Ik heb haar niets misdaan,
opeens liet zij mij staan,
z’is er stil vandoor gegaan.

Refrein:
Rozalie, laat mij niet wachten,
Rozalie, ik heb chagrijn.
Lieveling, aanhoor mijn klachten,
kom terug, ’t zal kermis zijn.
Rozalie, laat mij niet wachten,
Rozalie, ik heb chagrijn.
Lieveling, aanhoor mijn klachten,
kom terug, ’t zal kermis zijn.

‘k Kocht ’n lot van d’Expositie,
en ik zei haar: luister kind,
wel, ik doe een propositie.
Als ge daar ‘ne prijs mee wint,
moogt ge schone kleren kopen,
en dan gaan we naar Parijs.
Het geluk is meegelopen
want zij won den eersten prijs.
Ik gaf haar ’t geld gezwind,
wat is de liefde blind,
z’is gaan vliegen met den wind.

Z’heeft mij nog ‘nen brief geschreven,
en ze zegt het maar rechtuit:
zonder geld kan ik niet leven,
nu is de mizerie uit.
Als ‘k verander van gedachten
of m’n keuz’ niet vinden kan,
als ge nog ‘nen tijd wilt wachten,
neem ik u misschien als man.
Ik hoop, ze komt bij mij,
och vrienden, ‘k ben zoo blij,
zingt eens all’ maal mee met mij?


Partituur * Het zal Kermis zijn *
      1. instrumentaal
      2. 78toerenplaat zang Frans Lamoen (fragment)

Tags:

0

Marjantje kost ook al vrijen

Geplaatst door Johan op 15 september 2019 in liedbladen, liederen, Over Liefde & Verdriet, Spot & Ironie |



Inhoudelijk is dit lied verwant met “Dat komt van ’t vrijen, Rozalie” maar er wordt hier iets minder nadrukkelijk gezegd wat de ongewenste gevolgen zijn van al dat vrijen. Blijkbaar heeft Marjantje er het “vogelschijt” aan overgehouden. Ja, ja …

Marjantje kost ook al vrijen

Wel moeder ik ben nu toch al achttien jaar
en gist’renavond werd ik weer iets gewaar.
Ik denk dat het nu wordt toch al mijnen tijd,
ik ben al groot genoeg, ik begin te vrij’n
en ’t meisje zei
verheugd en blij:

Refrein:
Moeder, wees nu maar blijde,
ik kan nu ook al vrijen.
‘k Vind dat zo leutig en plezant
te vrijen langs bos en kant.
Ik voel mijn hartje jagen
als ze mij naar iets vragen
maar dan zeg ik wel sakkerpiet
o neen, neen, neen dat durf ik niet.

De moeder zei: wel kind, maar pas uit het ei,
ge begint al te praten over het vrij’n.
Waar hebt ge dat geleerd, mijn kleine Marjan?
En ’t meisje zei: moeder ‘k gevoel da’k het kan,
en ze zei weer:
ik wacht niet meer

Zij begon nu te vrijen kleine Marjan
maar enen tijd nadien wist z’er alles van.
Ze had gevreên, gevrijd zonder overleg
dacht niet meer aan de gevolgen en had pech.
Ze zucht met spijt:
‘k heb teveel gevrijd.

Slotrefrein:
Ik liet me zo verblijden,
ik dacht ‘k kan ook al vrijen.
Had ik geweten dat ’t zo was,
ik had nog wat gewacht.
Moe zei: gij domme tuite,
had gij naar mij geluisterd,
gij had dan nooit niet tot uw spijt
gekregen ’t vogelschijt!

Partituur * Marjantje kost ook al vrijen *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Het werkmansloon

Geplaatst door Johan op 9 september 2019 in liedboeken, liederen, Over Armoede & Drank |

Nog een café-chantant lied, opgenomen door Willy Lustenhouwer in zijn interessant boek “De geschiedenis van het café-chantant” (1987, Brugge). Helaas heeft de auteur slechts bij een handvol liederen in dit boek vermeld waar het vandaan kwam en/of wie de auteur was. In dit geval dus ook niet.
Inhoud en stijl doen vermoeden dat het in Gent is geschreven rond 1900 door één van de vele militante links georiënteerde sociaal bewogen auteurs aldaar. Als extra “bewijs” haal ik een zinnetje uit het refrein aan:

"Door hen gekomen zijn uw rijkdommen"

Me dunkt dat dit perfect rijmt in het Gents waar ik in gedachten “rijkdomen” hoor zeggen (of droom ik dat? Ik ben opgegroeid ver van Gent …). Maar in de bloemlezingen met teksten uit die tijd van bv. Napoleon Destanberg vind ik het niet terug. Wel vele teksten met ongeveer hetzelfde verhaal en dezelfde woordenschat.
Lustenhouwer publiceert ook een melodie bij dit lied en dat is de voornaamste reden waarom we het hebben uitgewerkt want bij een andere tekst (“Het bloemenmeisje“, toegeschreven aan Jef Van Zoom) wordt naar de melodie van dit lied verwezen!

Het werkmansloon

674 auteurs onbekend

In de vroege kille morgen
kun je daar de werkman zien gaan.
Hij wordt weer naar ’t werk gezonden,
en dan breekt weer de dagsleur aan.
Hij moet gaan zwoegen, werken, slaven
om te verdienen een stukje brood.
Van ’s morgensvroeg tot laat in d’avond
want vrouw en kind leven in nood.

Refrein:
O rijke mensen, hoort wat wij wensen,
geef aan de werkman loon naar werk.
Door hen gekomen zijn uw rijkdommen,
wij maken u al rijk en sterk.
’t Zijn dure tijden, toe, ziet ons lijden,
voedsel en huur, alles slaat op.
Wij die u geven ’t luilekkerleven
toe slaat ons dagloon op.

Als wij ons naar ’t werk begeven,
naar ’t fabriek of het mekaniek,
’t doet ons vrezen voor ons leven
ofwel worden wij oud en ziek.
Wie zal er onze pijn verzachten
als iemand van ons verongelukt?
Dan staat het ziekenhuis te wachten,
van vrouw en kind’ren weggerukt.

Wij vragen u gene schatten,
maar wij willen ’t dagelijks brood,
en om ons zo af te matten
moeten wij lijden hongersnood.
Wij houden heel de wereld levend,
o rijke luistert naar ons bericht:
dat gij ons medelij moet geven,
dat is toch zeker uwe plicht.

Partituur * Het werkmansloon *
      1. instrumentaal

Tags:

0

Henri en Helena

Geplaatst door Johan op 2 september 2019 in cahiers, liedboeken, liederen, Over Liefde & Verdriet, Schrift Eugenius Koopman |
  • uit “Geschiedenis van het Café-Chantant”, lied nr 201.
  • Ook in liedjesschrift Eugène Koopman als “Leonie en Henri”, lied nr 142 met meer tekst.
  • In “Zingende baren” (Jef Klausing) als lied 107 “Henri en Lilly”

Dit is een visserslied en zoals dit vaak het geval is worden de gevaren van het beroep beschreven en de moeilijkheid om een liefdesrelatie te onderhouden. Uiteraard werd er enkel een lied over gemaakt als er dramatische redenen voor waren.
Ook hier: het (beeldschone) meisje is ongerust als haar toekomstige weeral moet uitvaren. Hij heeft er alle vertrouwen in en probeert haar ongerustheid weg te kussen.
Maar ja … Pas steekt hij van wal of een storm breekt los en de boot vergaat. Hij kan zich redden maar het blijkt dertig jaar te duren eer hij weer thuis geraakt. En zij stond hem al die tijd toch wel op te wachten zeker? Elke dag was ze immers gaan kijken of haar vermiste verloofde nog niet was teruggekomen. Als dat geen echte liefde was!

In geen enkele van de bronnen wordt aangegeven wie de auteur of zelfs de uitvoerder van dit lied is geweest, maar Lustenhouwer heeft het blijkbaar wel horen zingen en de muziek laten uitschrijven ter publicatie.

Henri en Helena

nr 673 – auteurs onbekend

Op een zeek’ren dag kwam Henri
met zijn Lena hand in hand
gewandeld langs de duinen van het strand.
Nu dien Henri was een visser
die zijn boot in d’ haven lag
gereed om uit te zeilen nog dien dag

Maar die Lena was een meisje
schoon en blank zoals een beeld,
zeer mild door de natuur bedeeld.
Want zij had goudblonde haren
en een aangezicht heel rond,
zij was zo treurig op dienen stond.

Ja een zucht ontvloog haar lippen
en haar borst ging op en neer
terwijl zij met een stemme sprak zo teer
’t Afscheidsuur is nu gekomen,
op uw boot luidt reeds de bel.
Kom, kus mij, lieven Henri, en vaarwel.

Henri scheen opeens t’ ontwaken
uit een aangenamen droom
want vrolijk sprak hij: Lena toch waarom
moet gij treurig wezen?
Onze reis die duurt niet lang,
kom meisjelief, kom, wees maar niet bang.

Laat mij op uw lippen drukken
een kus van liefde en trouw
want na deze reis wordt gij mijne vrouw.
‘k Zal uw beeld in mijn hart dragen
en komt gij van uwen kant
mij dagelijks opwachten hier aan het strand.

Nu de echo uit de duinen
gaf den klank aan zoen en zucht
kort daarna vertrok Henri vlug.
Naar zijn boot was hij gelopen,
met zijn mast stak hij in zee
Lena bleef staan met haar hart vol wee.

Pas was Henri heen gevaren
of aan ’t luchtruim klaar en blauw
kon men een wolk ontwaren zwart en grauw.
Ja de wind werd huilend razend
en de baren woest en fel,
zijn boot verdween verbazend vlug en snel.

Ja ’t gekletter van de donder en de
regen zwart en grauw
kon Lena er niet toe brengen
om weer naar haar huis te keren
uren lang bleef zij daar staan
zij wou niet van haar Henri weggaan.

Gans dien nacht was het een woede,
ja een echte storm op zee,
de reis van Henri ging hem vast niet mee.
Gans zijn boot die werd ontredderd,
hij verging met muis en man
maar één bleef er nog over, slechts één man.

Dertig jaar zijn heen gevlogen,
dagelijks ziet men een vrouw
met ’t hoofd neergebogen gans in rouw
naar het strand gaan waar voorhenen
zij voor ’t laatst haar Henri zag
die niet meer was verschenen sinds dien dag.

Maar wat ziet z’opeens in d’haven?
’t Is een schip waarop een man
zijn zakdoek zwaait en zwaait zoveel hij kan.
Zij herkent hem, haren braven,
haren vriend, haar Henri weer
en snikkend zakt zij daar ter aarde neer.

Hij alleen was nog ontkomen
aan de schipbreuk van den boot,
wilden vonden hem, bijna dood,
leefde daar sinds dertig jaren
in een ver gelegen oord,
maar nooit vergat hij Lena noch zijn woord.

Partituur * Henri en Helena *
      1. instrumentaal

Tags:

0

De ere-dief

We hebben het hier niet over een gelauwerde, gewezen dief maar over een man die de “eer” van een vrouw steelt…

Het lied vertelt hoe een paar kinderen ’s avonds mekaar schrik proberen aan te jagen met gruwelverhalen: moeder slaapt, vader werkt ’s nachts in ’t fabriek en de kinderen hebben nog niet veel zin om dodo te doen.

De oudste vertelt een bloedstollend verhaal over een inbreker die ’s nachts een huis binnendringt, de ouders vermoordt en de kinderen meeneemt om er bedelaars van te maken. De schrik slaat hen allemaal om het hart als ze ook werkelijk bonkende  geluiden horen en gegil afkomstig uit de slaapkamer van moeder.
Ze lopen bang door het nachtelijk duister richting fabriek, naar vader, om hulp. Die snelt naar huis maar stelt vast dat de dief eigenlijk zijn vrouw kwam “stelen”. Hij schiet de man neer en wil ook zijn overspelige vrouw doden maar ziet dan zijn verschrikte kinderen staan en stuurt ze gelaten naar hun moeder. Einde.

Willy Lustenhouwer noteerde tekst en (oude) melodie in de omgeving van Brugge maar meer weten we er niet over. Wel dat Lionel “Tamboer” Bauwens hetzelfde verhaal vertelde op de melodie van “Riquita” (zie voor de melodie “De rest is in ’t frans“). We laten u hieronder ook mee genieten van zijn versie, maar eerst de “originele”!

De ere-dief

De man die werkte gans de nacht.
De moeder sliep, de kind’ren zacht
vertelden gruwelen aan elkaar
van bloedig’ oorlog en gevaar.
D’oudste die sprak: ik weet iets nief,
maar wees niet bang, ‘t is van een dief
Een wrede man, een moordenaar,
kom, wees nu stil en luister maar.
Een lelijkaard, mijn beste broer,
die lag op zeek’re dag op loer,
‘t was klaar, hij had iets in de zin
en ‘s nachts sloop hij een huisje in,
schoot d’ouders dood, liep dan gezwind
met in zijn armen een klein kind.
Vlucht’ er mee weg, de onverlaat
en liet het beed’len langs de straat.

Op ‘t moment dat zij dit vertelden
hoorden zij gerucht en z’ontstelden.
Z’hoorden kloppen onder hen saam
en vol van schrik bleven ze staan.
Wat mag dit zijn, mijn liefste broeder?
‘t Is aan de kamer van ons moeder.
De deur die kraakt, men hoort een gil
en alles blijft nu doods en stil.
Ach, broeder lief, dat is een dief,
lopen wij vlug naar vader lief!
Wij kruipen door het venster uit,
neem stil uw schoen, maak geen geluid.
De maan die schijnt daar juist met licht
op beide knapen hun gezicht.
Vervuld van angst en vol van schrik
kwamen bij vader op ‘t fabriek.

Ach vaderlief, kom rap naar huis
er is bij ons een dief in huis.
De man die volgde dan zeer gauw
maar vond een dief die stal zijn vrouw.
Hij lost’ een schot en sprak geen woord,
de minnaar viel, het hart doorboord.
Hij richtte dan ‘t wapen op haar
helaas, zijn kind’ren stonden daar.
Broeder lief, den dief is niet meer
want ziet ons vader schoot hem neer.
Hij sprak tot zijne kind’ren teer:
gaat, en omhelst uw moeder weer.
Broeder lief, den dief is niet meer
want ziet ons vader schoot hem neer.
Hij sprak tot zijne kind’ren teer:
gaat, en omhelst uw moeder weer.

Partituur * De ere-dief *
      1. instrumentaal


Versie van Tamboer – zangwijze “Riquita”

“Er was een dief in huis”

Vader werkte op ’t fabriek hij had de nacht
Moeder sprak tot haar twee kinders slaapt er zacht
Zij verliet hun bedje maar
En dacht er niet aan gevaar
’t Oudste broerken kon niet slapen en gestoord
Had op moeders kamer een gedruisch gehoord
Vol van angst wekte hij weer
Uit een droom zijn zusje teer

Refrein
Zusje lief wat zou dat mogen zijn
Mijn hartje klopt van schrik en van pijn
‘k Hoor lawijt op de kamer van moeder
Luistert maar eens te saam met uw broeder
z’Hoorden zuchten en ook een gedruisch
Ja daar was wel een dief in hun huis

’t Meisje wilde moeder roepen vol van schrik
Maar het mocht niet van zijn broeder in ’t verschiet
Sprak hij stil mijn zusje klein
Dra zal vader hier wel zijn
’t Was weer licht op moeders kamer en geluid
Beide kinders vluchten langs het venster uit
Vol van angst en grooten schrik
Kwamen z’ aan vaders fabriek

Komt met ons schreiden de kinders vader lief
Bij ons ‘thuis op moeders kamer is een dief
Wij zijn er toch zoo bang
Vaderken o wacht niet lang
Vrees niet kleine sprak hun vader toch zoo teer
‘k Ga met u naar huis mee bij uw moeder weer
Hij volgde zijne kinders gauw
’t Was een dief die stool zijn vrouw

Slotrefrein
Vader opent de deur wat ziet hij
Een bedrog van zijn vrouw, minaarij
Woede en haat moest de man ’t overwellen
Want een schot kwam den dief neer te vellen
Vrees niet meer sprak hij met droefheid groot
Kinders lief ‘k heb den dief hier gedood

Tags:

Copyright © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com