0

De hoed

Geplaatst door Johan op 12 april 2020 in liedboeken, liederen |

Nog een lied dat Walther Van Riet van de vergetelheid kon redden door het circa 1980 te laten voorzingen door leden van seniorenverenigingen in en rond Sint-Niklaas-Waas. Waar die liederen precies vandaan kwamen is meestal niet geweten of was men vergeten, maar men mag gerust veronderstellen dat het jeugdherinneringen waren, anders zouden ze niet in het geheugen van die senioren gegrift zijn, zoals we zelf meer en meer aan den lijve ondervinden…

Dit lied zal wel een plaatsje hebben gehad in een café-chantant of een revue want het leent zich goed voor een beetje costumering en bijhorende gebaren. Het refrein is verwant aan een weerkerend stukje uit “En de Jan kwam zat naar huis” zoals de kenners onder jullie ongetwijfeld meteen zullen opmerken.

De hoed

auteur onbekend

‘t Is nog niet lang geleden, ‘k ontving een hoedendoos
maar gelukkig kwam hij franco per wagen van Gent en Loos.
Ik ging hem visenteren 1 zoals men gewoonlijk doet.
Wat kwam er uit, mijnheren? Dees mooie nieuwe hoed.

Wie zijnen hoed is dit, wie zijnen hoed is dat,
wie zijnen hoed mag dat toch zijn?
Mijn vader woont in Brussel,
die stuurt die hoed naar mij.

De dag daarna ging ‘k wand’len, mijn hoed op als Mijnheer.
In ‘t eerst was het wat buiig maar toen was het goed weer.
Mijn hoed waait in het water en drijft op ‘t ruime sop.
Gelukkig was’r een visserken, die viste hem weer op.

Wie zijnen hoed is dit, wie zijnen hoed is dat,
wie zijnen hoed mag dat toch zijn?
Ik stond er naar te kijken
want die hoed behoorde mij.

‘k Ging laatst op audience want ik had graag een post. 2
‘k Reed met de diligence 3 omdat ‘t mij minder kost.
‘k Zat boven op de wagen want het was snikkend heet
en och daar waait mijn hoed af, hij waait in een secreet.

Wie zijnen hoed is dit, wie zijnen hoed is dat,
wie zijnen hoed mag dat toch zijn?
Eén nam hem op een stokje
en bracht hem zo bij mij.

Mijn neef wou laatst gaan trouwen maar ach, hij had geen hoed.
Hij vroeg daarom de mijnen, die paste hem zo goed.
Ik ging terstond naar boven, maar och ik arme bloed:
vier jonge witte katjes die lagen in mijn hoed.

Wie zijnen hoed is dit, wie zijnen hoed is dat,
wie zijnen hoed mag dat toch zijn?
‘k Werd razend op die poesjes
en trapte z’allen fijn.

‘k Was laatst in de Comedie,4 een dikke, vette heer
die zet zich, o afgrijs’lijk, toen op mijn hoedje neer.
van schrik moest ik klappertanden maar hij nam heel komiek
mijn hoedje in zijn handen en vroeg toen aan ‘t publiek:

Wie zijnen hoed is dit, wie zijnen hoed is dat,
wie zijnen hoed mag dat toch zijn?
Ik schreeuwde als een varken:
die hoed die is van mij!

Ik heb dus maar besloten, o zeer geacht publiek,
om maar een pet te kopen, een hoed bevalt mij niet.
Of liever ‘n warme slaapmuts, dan leef ik gerust en stil,
laat hem maar hoeden dragen die hoeden dragen wil

Wie zijnen hoed is dit, wie zijnen hoed is dat,
wie zijnen hoed mag dat toch zijn?
Ach lieve pa in Brussel:
stuur geen hoed meer naar mij.


1 onderzoeken
2 vast werk
3 postkoets, die nam ook reizigers mee
4 het theater
Partituur * De hoed *
      1. instrumentaal

Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Copyright © 1995-2020 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com