4

Een ongeval

Geplaatst door Johan op 2 februari 2020 in Andere liederen, cahiers, liederen, Spot & Ironie |

Leonard Vandevelde (1869-1951) uit Aartselaar schreef als derde lied in zijn schriftje het relaas van een “ongeval”. De titel verbloemt de teneur van het verhaal – dat verder niets verhult – en zonder schroom had hij het beter “Grote kak” genoemd…

Het is waarschijnlijk bedacht en geschreven door Andreas De Weerdt uit Antwerpen want het staat in zijn boekje “Vierde Reeks Nieuwe Liedjes”, gedrukt bij J. Jorssen, Hochstetterstraat 21, Antwerpen anno 1866. De Weerdt gebruikt als titel (ook)  “Een ongeval” en geeft aan dat het gezongen wordt op de melodie van “Der Mestkaai”, maar die kennen we niet.

Willy Lustenhouwer kon het lied ergens rond Brugge noteren, met melodie, dus kunt u er samen met ons hier van genieten!

Een ongeval

auteur onbekend

‘k Heb laatst ontmoet ene gebuur,
een dikken baas, die liep zo vlug
Hij maakte toch zo’n vieze kuur,
En hield zijn hand op zijnen rug.
Ik vroeg: maar Jan, wat is er gaande?
Och, riep hij uit, hou mij niet staande
want ik ben niet op mijn gemak,
‘k heb grote, grote, grote, grote;

neen ik ben niet op mijn gemak,
‘k heb grote, grote, grote kak.

En ’s anderdaags al kwam zijn vrouw,
vertelde dit aan mijn Katrien:
Daar heb ik gisteren algauw
van mijne vent zwaar afgezien!
Hij komt me thuis, en kloppen, kloppen,
doet open Trees, ik kan niet stoppen.
Doet open, gauw, of het is krak,
‘k heb grote, grote, grote, grote;

doet open, gauw, of het is krak,
‘k heb grote, grote, grote kak.

Hij was er nog zo gauw niet in,
of ‘k rook het al, het was te laat.
Ik zei: Jan waar is uwen zin?
’t Is niet vandoen dat g’achter gaat1.
Begin uw broek maar af te stropen,
Wat een gedacht zo ver te lopen,
zo ver met zo ’n lastig pak
met grote, grote, grote, grote

Zo ver met zo ’n lastig pak
met grote, grote, grote kak

Ja Trees, sprak hij, ik had geen cent
en ‘k dorst het op de straat niet doen
want overtijd is Peer Corent
zo nog gepakt op dat fatsoen.
Daar was ’n heer die hem kwam zeggen:
Gij zijt er aan en gij moet leggen,
betaalt den boet of in den bak,
met grote, grote, grote, grote;

betaalt den boet of in den bak,
met grote, grote, grote kak

Ik zei dan: Jan, ik was verbaasd
dat gij hebt in uw broek gedaan,
maar ‘k ben er dan met grote haast
en met een schrobber op gegaan.
Ik heb die broek katoen gegeven,
’n emmer water zes of zeven
Maar ‘k zal de rest vertellen straks,
Want ‘k heb ineens ’n grote grote,

Ik zal de rest vertellen straks,
‘k heb last van grote, grote kak!


1 “achter gaan” = naar het W.C. gaan, naar het “huiske” dat zich “achter” de woning naast of boven de beerput bevond …
Partituur * Een ongeval *
      1. instrumentaal

Tags:

4 Commentaren

  • Jan Huyghe schreef:

    Johan,
    In verband met derde strofe, “’t Is niet vandoen dat g’achter gaat1”,
    wil ik de lezers graag meedelen dat er in Veurne-Ambacht nog behoorlijk wat (oudere) mensen, conform het oudere dialect, bij de prikkel voor de grote boodschap, zeggen: “‘k Moetn zere na bachten…”
    In ons kustdialect is “bachten” dus ook gewoon “achter”. Voorbeeld: “Verdomme, ’t Is een brieftje van oenderd euro deur de gleuve tegen de meur bachten de kasse geglotsjen en ‘k en kunn’n d’r niet an…”
    Vriendelijke groet,
    Jan Huyghe
    Oostduinkerke

    • Johan schreef:

      Er zijn nog wat varianten op die uitspraak die ontstaan zijn toen de WC-pot niet binnenshuis stond en al zeker niet in een badkamer want die was er niet. “Naar de koer” gaan is er zo eentje, de “koer” (la cour) zijnde de achterpui of de (half)overdekte buitenruimte tussen de achtergevel en … het WC-hokje. In (oude) cafés kan je nog een wegwijzertje zien naar “de koer” ipv naar het sanitair. Voor de mannen was daar meestal een “pissijn” voorzien, gewoon een gecementeerde muur met een goot onderaan of een plaspot of -goot op de juiste hoogte waarvan de afloop verbonden was met de vrije natuur. Ook kerkgebouwen hadden soms zo’n voorziening tegen één van de buitenmuren.

      • jan Huyghe schreef:

        Johan,
        Nog even over dit stoelgangverhaal.
        Na jaren boeren te lande in Gijverinkhove (nu Alveringem)gingen mijn grootouders (geboren eind 19de eeuw) “rentenieren” op Weegschede, in de dorpskom van G’hove. Bij hen thuis gebeurde “Naar bachten gaan” ook daar in een klein hokje buiten, deel van wat koterijen. Het “comfort” was een plank met een rond gat dat je kon afsluiten met een houten deksel. Aan een haak in handbereik hing het toiletpapier: krantenbladen in viertjes gescheurd. In hun geval was dat Het Volk. Ze veegden dus hun g.. aan het wereldnieuws… Met vakantie bij mijn grootouders, jaren ’60, had ik genoegen dat genot van “de goeie oude tijd” proefondervindelijk te mogen veststellen. Een hele belevenis voor een stadskind van acht jaar.
        Nu nog een niveautje hoger. Vijftig meter verder, op de eigenlijke “platse” was het lekker vertoeven in het gasthof De Drie Ridders. Daar kon je voor de grote commissie “naar bachten gaan”, “naar de koer”, met twee tegelijk. Namelijk in een hok met twee gaten naast elkaar, zonder schutting ertussen. Terwijl je in arbeid zat kon je er elkaar in alle gemoedrust de laatste vette moppen vertellen, en met een lach de verlossing versnellen…
        Dat dubbelgemak bleef jaren bestaan, ook nadat het gasthof die functie niet meer had. Zou het nog bestaan anno 2020? Ik weet het niet. Indien ja, dan zou het best een bescherming als sanitair erfgoed verdienen…
        Tot zover dit geurige vertellement.
        Vriendelijke groet,
        Jan Huyghe
        Oostduinkerke

        • Johan schreef:

          Ik herken de situatie volkomen van uit mijn kleutertijd & toestand bij mijn grootouders (en alle dorpsgenoten van die generatie). Zelf woonden we in een “nieuwbouw” (zelfde bouwjaar als ik) met een WC buiten, zonder plank maar reeds met pot & spoelbak! In huis was er zelfs een kleine badkamer met douche, iets wat door de goegemeente bestempeld werd als zotte kosten en een teken van hoogmoed… Die spoelbak en die douche konden er overigens maar komen omdat het dorp pas enkele jaren voordien aangesloten werd op de waterleiding.
          Een garage of carport was er niet: een auto was eveneens een overbodig luxeproduct waarvan er in heel het dorp maar een tiental te vinden waren. Dat veranderde snel na pakweg Expo58 en nog sneller toen in 1963 de tramlijn, die het dorp met Leuven en Brussel verbond, werd afgeschaft.

Laat een reactie achter op Johan Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Copyright © 1995-2020 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com