0

Het engels front (“Acht jaar gevang” – “Dief maar snul”)

Geplaatst door Johan op 17 mei 2016 in cahiers, liedboeken, liederen, schrift Louis Laermans, Spot & Ironie, Wereldoorlog |

De ietwat kluchtige lotgevallen van een snode dief die in 1910 in de gevangenis belandt en daardoor niet echt weet dat de eerste wereldoorlog in 1914 is begonnen, want gazetten mocht hij in de Leuvense gevangenis niet lezen. Hij heeft wel een vermoeden, want hij hoort de kanonnen bulderen.
Na 6 van de 8 jaar gevangenisstraf te hebben uitgezeten – dat moet dan in 1916 zijn – wordt hij vrijgelaten. Hij rijdt met de trein naar Antwerpen en komt op het statieplein in de ban van een lief meisje dat hem vol mededogen meetroont. Als blijkt dat hij niets van de oorlogstoestand afweet lokt ze hem eerst mee naar een café waar hij de ene na de andere pint naar binnen kapt. En dan biedt ze aan om hem “het front te laten zien”. Daarvoor blijkt hij tot zijn verbazing een trap te moeten beklimmen, maar ze heeft voor alles een uitleg en hij is te dronken om helder te kunnen denken. Of hij hoopt op een gevecht van de erotische soort.
En dan gebeurt het …

Het lied is in meerdere liedjesschriften te vinden en ook in de boeken “Geschiedenis van het Café-Chantant” (Lustenhouwer), “Zo werd gezongen…” (De Belie), “Zo de ouden zongen” (Van Riet). Het zou volgens Roger Hessel ook door Tamboer zijn gezongen in zijn café, maar die is er vermoedelijk niet de auteur van.

“Zo de ouden zongen” – Walther Van Riet

Zo zong Tamboer het

Liedjesschrift Louis Laermans

Liedjesschrift Louis Laermans

In het liederenschrift van Louis Laermans uit Herent is de titel van het lied “Dief maar snul”; dat is alvast een zeer kernachtige samenvatting van het hele verhaal.

Ons lijkt het typisch een lied voor cabaret of café-chantant, met verhalende zang en grote gebaren. Aangezien het hoofdpersonage naar Antwerpen trekt vermoeden we dat  een cabaretier uit die stad de bedenker is van het lied.

Het engels front (“Acht jaar gevang”)

Ik brak er snel en onvervaard
in een goudwinkel binnen.
Het was de zeventiende maart
negentienhonderd tiene.
Ik deed een naarstig onderzoek,
ik keek in kant en hoek.
Ze pakten mij zonder pardon,
ik moest voor acht jaar naar ‘t prison.
Ze staken mij daar voor zolang
te Leuven in het groot gevang.
Daar zat ik zes jaar achtereen,
zo eenzaam, moederziel alleen.
En in veertien, is dat niet kras,
ik hoorde dat het oorlog was.
Ik hoorde goed van in ‘t prison,
‘t gedonder van het groot kanon.

De gazette lezen, dat mocht niet wezen,
dat was het ergste van mijn straf
ik wist van toet nog blazen af,
maar d’ander weke, de tijd verstreken,
de directeur zei tegen mij:
“Twee jaar afslag en ge zijt vrij.”

‘k Liep van ‘t gevang zonder bedwang,
recht naar de statie henen
en toen ik kleine kind’ren zag
begon ik dra te wenen.
Ik stapte spoedig op de trein,
zou naar Antwerpen rij’n,
ik stond te gapen lijk een lam
wanneer ik aan de statie kwam.
Een lief meisje zag me daar staan,
ze kwam bij mij en sprak mij aan:
“Zeg mij meneer, waar moet ge zijn,
wat doet gij hier op ‘t statiepelin?”
En ik sprak, gans verbauwereerd,
” ‘k Ben hier maar pas gearriveerd.
Ik zat meer dan zes jaren lang
te Leuven vast in ‘t groot gevang.

En ze ondervroeg mij, en ze bekloeg mij:
“Dan is ‘t al lang geleên misschien
dat gij een meisje hebt gezien?”
“Dat is nu heden zes jaar geleden
dat ik van mijne liefste schat
nog natte kusjes heb gehad.”

” ‘k Beklaag u, mijnen goeien bloed, ‘k heb met u medelijden,”
zo sprak het lieve kind mij aan,
“g’hebt vele moeten lijden.
Maar zeg me toch mijn lieve vriend,
wat gij van d’oorlog vindt.
Wat denkt ge van den Italiaan,
is hij niet goed vooruit gegaan?”
“Och meisje lief, wist ik maar iets,
maar sla me dood, ik weet van niets.
Kom, zeg me toch, mijn liefste kind,
waar dat ons leger zich bevindt?”
Zij sprak: “O, kom maar mee met mij,
ik breng u snel wat dichterbij.
Kom, laat ons in de statiestraat
een potje pakken kameraad.”

Ik ging met dat protteke al om een potteke.
Na eentje kwam er twee en drij
en vier en vijf en tien erbij.
“Kom nu maar mede” sprak ze tevreden,
“wij gaan voor een minuut of tien,
‘k zal u het front eens laten zien.”

Zo zat als enen waterhond
ben ik dan mee geschoven.
Ik dacht nog: “Tiens, tiens, loopt dat front
hier met nen trap naar boven?”
Den trap die kraakte en ze zei:
“Ze schieten al, kadee!”
Op den allée stond een marmiet,
ze zei: “Pas op, ‘t is dynamiet!”
En op de schouw stonden er drij
schone postuurkes en ze zei:
“Mijnheer, doet uwen hoed maar af,
dat is de generale staf.”
Maar slechts een kastje en een bed
was op die kamer neergezet
en ik riep: “Sakkermilledju,
waar is het front, de vijand nu?”

Er sprong een apache1 al uit dat kastje,
de tweede kwam van onder ‘t bed,
en ze gaven me goed mijn vet.
Die slechte venten pakten mijn centen
en ‘t meisje riep: “Houdt u maar struis,
dat zijn de mannen van ‘t Rood Kruis.”


MistinguetteDearlyApacheW1 Het gaat hier niet over Apache-indianen maar over gangsters, macho-mannen met een typische platte klak met brede rand, die in 1902 vergeleken werden met de volgens de legende wrede Apache-indianen in Amerika. Spreek uit “apasje”, zoals de fransen dat deden, en dan rijmt het met “kasje”. Beroemd werd de mede door Mistinguette gecreëerde Apachendans, waarbij de vrouwelijke danser door haar mannelijke partner vrij onzacht werd bejegend…

Partituur * Het engels front *
      1. instrumentaal

Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Copyright © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com