0

De biecht

Geplaatst door Johan op 13 mei 2015 in dubbelzinnig, liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

MUZ0410In “De Vetjes” van Karel Waeri, hernomen in “Liedjes die eigenlijk niet mogen” door Roger Hessel, vinden we dit muzikaal verhaaltje over de belevenissen in een biechtstoel.

Reeds in de eerste strofe kondigt Waeri aan dat hij “peper moet geven” in zijn lied want anders slaagt hij er niet in de nieuwsgierigheid van de toehoorders te wekken en liedblaadjes te verkopen. We weten dus wat ons te wachten staat: zonden tegen het 6e gebod.

Aanstootgevende woorden komen er niet voor in het lied, er worden vervangwoordjes gebruikt zoals haar “portemonnaie” (geldbeugel) en zijn “kleingeld”. Op het einde zorgt Waeri voor een pointe die de meeste toehoorders waarschijnlijk al van ver voelden aankomen, maar dat zal de pret niet hebben bedorven.

Het is weeral geen toeval dat Waeri in 1 moeite door de Kerk een haar bedienaars in een kwaad daglicht stelt: volgens hem waren het allemaal schijnheiligen die ongestraft hun eigen geboden konden overtreden…

Bij gebrek aan bruikbare melodieverwijzingen deed Roger Hessel wat ook wij wel eens durven doen: er zelf 1 verzinnen in de “stijl van”, inclusief de herhaling van telkens de 2 laatste versregels bij gebrek aan een echt refrein.

Het origineel werd uiteraard in het Gents gezongen, waardoor bijvoorbeeld het rijm in het begin van de derde strofe ook echt “klopt”.

De biecht

Wat ziet men somtijds toch aardige dingen
Luistert naar ‘t geen ik nu weeral ga zingen
Is er iemand op mijn liedjes verstoord
Zwijgt en gebaart dat ge het niet en hoort
Dat ik mij in alleman moest geneeren
Ik zou gemakk’lijk van honger creveeren
‘k Moe peper geven in mijn lied
Voor flauwe kul en krijg ik niet.

‘k Moe peper geven in mijn lied
Voor flauwe kul en krijg ik niet.

Lest ging er een lief poesken te biechten
Voor haar conscience zoo wat te verlichten
Z’had nu toch zulk een zwaar pak op haar hert
Zij kon niet slapen van pijn of smert
Nu dierf z’haar biechte toch niet meer uitstellen
Want z’had ne schrik van de pijnen der helle
En zedig als een engelin
Trok zij er recht den biechtstoel in

En zedig als een engelin
Trok zij er recht den biechtstoel in

Mijnheer de pastoor deed ‘t vensterken open,
zijn jeugdig hert begon ook al te kloppen.
Als hij dat poezelig meisken aanzag
voelde hij iets da’k niet zeggen en mag.
Dan hij begon met den zegen te geven:
“Zeg nu mijn kind, wat gij al hebt misdreven
g’Hebt op uw hert een zware vrecht,
ziet dat gij heel de waarheid zegt.”

g’Hebt op uw hert een zware vrecht,
ziet dat gij heel de waarheid zegt.”

Eerwaarde vader ik ben te beklagen,
ik durf u schier d’absolutie niet vragen.
Zie ‘k ben veel slechter nog als enen dief,
‘k heb grof gezondigd met mijn lief.
Zo dan mijn kind, g’hebt een zonde bedreven
die ik u moeilijk zal kunnen vergeven.
Kom zeg ‘t mij klaar en met fatsoen,
‘k zal zien wat da’k met u zal doen

Kom zeg ‘t mij klaar en met fatsoen,
‘k zal zien wat da’k met u zal doen

Eerwaarde vader, ‘k was met Gust aan ‘t wand’len
Om van de liefde in ‘t veld te gaan hand’len
‘t Was in den avond en buiten de stad
Wij zetten ons plat al op ons gat:
Hij speelde met mijn klein portemonnaitje
En ik och pastoor… och wacht toch een beetje
En ik, ach God wat grote schand,
‘k Zat met zijn drinkgeld in mijn hand

En ik, ach God wat grote schand,
‘k Zat met zijn drinkgeld in mijn hand

Wel, riep de pastoor, wat schrikk’lijke zonde
Heeft hij de portemonnai niet geschonden?
Ach neen Mijnhere, maar niet te min
Stak er hij toch zijn vingers in
Hij wilde haast van geen uitscheen meer spreken
En ‘k was gediend met zijn aardige streken
En zie daarvan heb’k geen verstand
Zijn geld verzwaarde in mijn hand.

En zie daarvan heb’k geen verstand
Zijn geld verzwaarde in mijn hand.

Zo g’hebt gij toch aan zijn geld durven komen
En heeft hij verders niets meer ondernomen?
Heeft hij zijn geld niet vaste gesteld
Of in uw portemonnaitje geteld?
Neen, want in ‘t volle van onze genuchten
Kwam er ‘nen boer en wij moesten gaan vluchten
Gust trok naar huis op zijn gemak
Met al zijn geld in zijnen zak

Gust trok naar huis op zijn gemak
Met al zijn geld in zijnen zak

Dat was nog ‘t beste voor uwe conscience
Maar ge verdient toch een goei penitence
Uw ongewijd hand moet nemen een bad
Twee uren in ‘t wijwatervat
Daarbij moet gij een vast voornemen maken
Van nooit aan Gustje zijn geld meer te raken
Kom maar bij mij dat vind ik zjust
‘k Heb veel meer geld dan uwe Gust

Kom maar bij mij dat vind ik zjust
‘k Heb veel meer geld dan uwe Gust

Nu ging zij haar penitentie volbrengen
Zij stond haar van grote koude te wringen
Twee uren lang bij dat wijwatervat
Met haar bloot gat in ‘t heilig nat
Maar zie, daar komt hare beste vriendinne
Die vraagt, terwijl zij de kerke komt binnen:
Wel Mietje wat betekent dat,
Met heel uw hand daar in dat vat?

Wel Mietje wat betekent dat,
Met heel uw hand daar in dat vat?

Wel Siska zwijgt, ‘t is voor mijn penitence
‘k Had zulk een zonde op mijn conscience
Maar Mietje toch, wat hebt gij misdaan?
Dat ge met d’hand in dat vat moet staan?
Hoort Siska, ‘k heb… gij meugt dat wel weten
Met Gust zijn geld in mijn recht hand gezeten
En daarom moet ik, 0 wat schand
In ‘t water zitten met mijn hand.

En daarom moet ik, 0 wat schand
In ‘t water zitten met mijn hand.

Wel Mie wat strenge penitence
En ik heb wat meer op mijn conscience
Mijne Lowie heeft wat anders gedaan
‘k En durve ‘k ik niet te biechte gaan
Da’k een rechtzinnige biechte moest spreken
‘k Mochte gemakk’lijk misschien voor een weke
In ‘t water zitten met heel de snêe
Van mijnen beste portemonnaie

In ‘t water zitten met heel de snêe
Van mijnen beste portemonnaie

Partituur * De biecht *
      1. instrumentaal

Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Copyright © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com