0

Den houten man (“Een mirakel”)

Posted by Johan on 11 december 2014 in liedboeken, liederen, Spot & Ironie |

Schermafbeelding 2014-10-06 om 18.08.17

Zoals beloofd, een tweede lied uit de bundel “Kluchtige en Politieke Liederen van Karel Waeri”, op de melodie van “De snuifdoos” dat op zijn beurt doorverwees naar “Dat heeft de kat van den bakker gedaan”, een lied dat bij de Nederlandse liederenbank niet gekend is…

houten-man

Van hedendaagse “houtene mannen” wordt alleen het essentieelste onderdeel nog verkocht, want dat past beter in het nachtkastje.

In tegenstelling tot “De snuifdoos” is het bij dit lied al meteen duidelijk dat we de erotische toer opgaan. Toch duurt het nog tot de vierde strofe eer de twee hoofdrolspelers in actie schieten en Waeri vindt het nodig om in strofe zeven metaforen te gebruiken om de seksuele handelingen te omschrijven, wat het lied in feite nog grappiger maakt.

Het is een onderhoudend en spottend verhaaltje in 9 strofen over een goedgelovige en welgestelde kwezel – volgens Waeri was elke religie en godsdienst gebaseerd op naïeve goedgelovigheid – die haar eenzaam bestaan wilde opvrolijken door een houten afbeelding van een man in huis en in bed te halen. Klaasken, een gewiekste jongeman die wist dat de kwezel – in Nederland ook “klopje” genoemd –  er warmpjes inzat, zag zijn kans schoon en nam de plaats in van “den houtene man”.

De kwezel geloofde dat er een mirakel was geschied en dat haar houten beeld was veranderd in een engel uit de Hemel. De “engel” speelde het spel mee en zei haar dat ze hem gerust mocht vervangen door een zekere Klaasken: “Hij is niet rijk, wel deugdzaam en rein.”

Dat eerste was zeker niet gelogen …

Den houten man

Een rijke kwezel, niet kwalijk geschapen,
Die aan Gods wil niet meer kon wederstaan
Die wierd het moe van allene te slapen,
z’is bij nen timmerman binnen gegaan.
Zij sprak: mijnheer, vooraleer ik moet sterven,
Wil ik toch iets van de wereld verwerven,
Zij deed haar maken ‘nen houtene man,
Die zij noemdege Jan.
Zij deed haar maken ‘nen houtene man,
Die zij noemdege Jan.

De meid, een soort van een oude komeere,
Die alle dagen moest maken dat bed,
Liep, met dat nieuws, heel de straat op en nere
Ja, het stond net gelijk in de gazet;
Dagelijks moest zij nu, volgens haar zeggen,
Iets in de kwezel haar bedde gaan leggen,
En dat was Jan dienen houtene man,
Die niet roeren en kan.
En dat was Jan dienen houtene man,
Die niet roeren en kan.

Ne jongeman, zijnen naam die was Klaasken,
Die door de wijven dat spel wierd gewaar,
Dacht in zich zelven dat is nog een haasken,
Die ik kan schieten ja zonder gevaar;
Hij is al over het muurken geklommen,
Tot in de kamer der kwezel gekommen,
Heeft zich gelegd in de plaatse van Jan,
Dienen houtene man.
Heeft zich gelegd in de plaatse van Jan,
Dienen houtene man.

‘s Avonds kwam ‘t kwezelken zachtjes naar boven,
En zonder vrees kroop ze stil in haar bed,
Klaasken kwam spoedig heel dichte geschoven,
En dekte ‘t kwezelken proper en net;
Zij sprak: wel Jan, maar ge laat mij niet slapen,
Ge zijt bezig met mij vreugd te doen rapen,
Hoe komt dat toch dat ge schudt, dat ge beeft,
En, bij God, niet en leeft?
Hoe komt dat toch dat ge schudt, dat ge beeft,
En, bij God, niet en leeft?

Klaasken die sprak: ‘t is den wil van den Here,
Die zijnen godlijken zegen u zendt,
‘k moet dezen nacht nog wel drij of vier keren,
Opdat den Hemel van u zij kontent,
Den Heer die heeft mij gegeven het leven,
Om u wat vreugd en genoegen te geven,
Nu ben ik niet meer van hout of van steen,
Maar van vlees en van been.
Nu ben ik niet meer van hout of van steen,
Maar van vlees en van been.

Wel liefste Jan is ’t den wil van den Here,
Doet dan maar alles wat God u gebiedt,
Al was het nu nog wel zeventien keren
Want hier is vast een mirakel geschied,
Gij zijt voorzeker van God hier gezonden,
‘k Heb ‘t van den nacht ne keer goed ondervonden,
Want niemand verschafte mij in mijne jeugd
zulk een hemelse deugd.
Want niemand verschafte mij in mijne jeugd
zulk een hemelse deugd.

Als nu den engel genoeg had gezegend,
En hij geen wijwater meer en bezat,
Sprak hij: ‘k zal wachten tot dat ‘t nog eens regent,
Want mijnen borstel en wordt niet meer nat.
Wel liefste Jan kan mijn smeken niet baten,
Zeg, voor hoe lang gaat gij mij nu verlaten,
Och waardet gij toch geen heiligen, Jan,
‘k Nam u spoedig tot man.
Och waardet gij toch geen heiligen, Jan,
‘k Nam u spoedig tot man.

Hoor sprak den engel ik zal ‘t u verklaren,
Hoe gij den Here kunt aangenaam zijn,
Gij moet met Klaasken te samen gaan paren,
Hij is niet rijk, maar wel deugdzaam en rein;
Hij heeft u lief, maar hij durft het niet wagen,
Om u de hand tot het huw’lijk te vragen,
En neemt gij dien armen jongen tot vriend,
g’hebt den hemel verdiend.
En neemt gij dien armen jongen tot vriend,
g’hebt den hemel verdiend.

s’ Andrendaags ‘s morgens al vroeg voor het eten,
Voor dat des haan had gezongen zijn lied,
Ging z’het al spoedig aan Klaas laten weten,
Wat een mirakel bij haar was geschied;
Och mijnen vriend, ‘k zal u alles verschaffen,
Trouwt toch met mij of den Heer zou mij straffen,
En zo werd Klaasken den wet’lijken man
van die rijke Marjan.
En zo werd Klaasken den wet’lijken man
van die rijke Marjan.

Partituur * Den houten man *

Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Copyright © 1995-2019 Wreed en Plezant All rights reserved.
This site is using the Multi Child-Theme, v2.2, on top of
the Parent-Theme Desk Mess Mirrored, v2.5, from BuyNowShop.com