0

Hij heeft een muts aan

Geplaatst door Johan op 12 november 2014 in liedbladen, liederen, Spot & Ironie |

Schermafbeelding 2014-09-29 om 12.29.18Mathieu Dekemper schreef dit liedje als ode aan de “gewone werkman” of als aanklacht tegen de hautaine “beau monde” als u wil. Een protestlied van rond WOI dus, waarbij in elke strofe een voorbeeld wordt gegeven van de schandalige manier waarop de rijken het werkvolk misprijzen en hun bijdrage tot de maatschappij onderschatten.1
Uiteindelijk keert een jonge dochter van een rijke baron zich af van het rijkeluiswereldje en geeft ze haar hart aan de onbaatzuchtige werkman die haar uit een brandende woning redde, terwijl de rijken met hun twee linkerhanden bleven toekijken.
Het taalgebruik is bij Dekemper zoals steeds dat van een litterair ongeschoolde, een werkman waarschijnlijk. Wie Mathieu Dekemper precies was weten we niet zeker, we vonden wel een vermelding van een naam- en tijdgenoot in een genealogische database, en als het over dezelfde persoon gaat zou hij geboren zijn op (vrijdag) 23 april 1897 te Brussel als zoon van Jean-Baptiste en Jeanne Vanden Eijnden. Hij zou gehuwd zijn op (zaterdag) 15 april 1916 te Brussel met Caroline Motheu, een fabriekarbeidster. Zelf geeft hij als beroep “manoeuvre” en “maçon” op.
We hadden het al eerder over deze auteur, zie volgende liedjes:

Voor “Hij heeft een muts aan” zorgde Ad. Delandtsheer voor de muziek.
Schermafbeelding 2014-09-29 om 12.29.38
Hugo Geeraerts uit Leuven bezorgde ons een versie zoals hij die door zijn moeder Berta De Blick had horen zingen. Die versie wijkt slechts in enkele details af van de originele partituur van Dekemper.

      1. Bertha De Blick - strofe 3


Hij heeft een muts aan

Veel mensen leven in armoe en pijn
en g’hebt er veel die miljoenen rijk zijn.
Dat doet mij niets, rijk volk ge moogt bestaan
maar veracht gene vent met een muts aan.
G’lijk het laatste2, het lijden was te groot,
de kinders vroegen aan hun moeder brood.
Denkt eens welk leven, kon geen brood geven,
de kinders werden ziek van d’hongersnood.
Ja, overal kwam de vader te laat,
hij vond geen werk, er was honger op straat.
Men zag de vent liggen op grond
in het slijk g’lijk nen hond,
nen tip3 zei, die daar stond:
da’s van den honger niet, da’s van ‘t drinken,
‘k zag een traan in d’vent zijn ogen blinken.
Ik zei: rijken vrek, ‘t is al goed,
het is een armen bloed,
ja, hij draagt genen hoed.
Was ‘t een geldstroper, hij wierd naar zijn huis gedaan,

maar hij’s werkman, hij heeft een muts aan.

Onder mij woont een dokter, een kapoen,
hij weet zelf niet wat met zijn geld te doen.
Hij wil geen meid want hij heeft uitgeteld:
eten en drinken geven kost veel geld.
Hij is te beest4 om te blijven bestaan.
Daar kwam een vent met d’ogen vol getraan
over drie dagen
die hem kwam vragen
om eens thuis bij zijn zieke vrouw te gaan:
” ‘k zal morgen komen.”
De vent zei: “Meneer,
als g’wacht tot morgen dan leeft ze niet meer.”
“Haja, ‘t is al wel, ‘t doet me spijt
dat uw vrouwtje zo lijdt,
maar ‘k heb juist genen tijd,
en daarbij, waar gaat gij dat geld halen
als gij mij vijftien frank moet betalen.
Ik moet gaan bij madame Vervloet,
een madam met nen hoed,
daar’s geld in overvloed.
Als uw vrouw ziek is, wel doet ze naar ‘t gasthuis gaan.”

‘t Was een werkman, hij had een muts aan.

Ene rijken vent deed zijn dochter verstaan
om eens tesamen naar een feest te gaan.
Vader, ‘k ben ziek, antwoordde Alida.
Haren beminde ging mee met papa.
Zij beminde aan dien heiligen geest,
‘t was een baron maar ook een echte beest.
Hij was aan ’t zingen, dansen en springen,
en voor ‘t sluiten zegde hij op het feest:
“W’gaan samen bij Alida, ‘t is 1 uur.”
Ze kwamen daar, het kasteel stond in vuur.
Men zag het volk van alle kant
dat kwam zien naar den brand
bij de rijkste van ‘t land.
Ze stonden daar te zien, dees groot Heren,
met hunnen hoed en hunne schoon kleren.
Den vader riep: wat nu gedaan?
Laat mijn kind niet vergaan,
wil mijn dochter bijstaan.
In de plaats van een Heer zien in den brand te gaan

was ’t een werkman, hij had een muts aan.

Een maand nadien was de dochter te voet5,
ze was genezen en alles was goed.
“Vader, nu wil’k naar die jongen gaan zien,
zonder hem leefde ik niet meer misschien.”
De dochter was met haar vader gegaan
naar zijn adres, aan de deur zag z’hem staan:
“‘k Kom u betalen
om mijn kind t’halen
uit den brand, hier is veel geld, neemt het aan.”
” ‘t Is niet vandoen meneer dat ge mij plaagt,
‘k heb dat gedaan, g’hebt mij dat niet gevraagd.”
“Gij hebt gered, beste vriend,
het leven van mijn kind,
Ik zie dat ze u bemint.”
“Ja, vader, de barons, de groot heren
hebben geen hart onder hunne kleren.”
Den baron stond ook aan den brand,
‘t heeft hem gemaakt van kant
van de schrik, da’s een schand’.
“Vader, nu wil ik met hem het stadhuis opgaan,

hij heeft een hart al heeft ‘m een muts aan.”.

Partituur * Hij heeft een muts aan. *
      2. instrumentaal


1 Zou het kunnen dat door de vele WO I herdenkingen deze denkwijze van toen opnieuw de kop opsteekt?
2 Zoals “over ’t laatst”, onlangs gebeurde
3 Nen tip = een man, een individu, een onbekende
4 Hij is te beest: hij is onmenselijk.
5 Ze was terug op de been

Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Copyright © 1995-2019 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze site is met behulp van deMulti kind-thema, v2.2, bovenop
het bovenliggende themaDesk Mess Mirrored, v2.5, vanBuyNowShop.com