12

De vagebond

Geplaatst door Johan op 21 juli 2011 in cahiers, liedbladen, liedboeken, liederen, schrift Albert Van Opstal, Spot & Ironie |

Een wijdverspreid lied, het is niet helemaal duidelijk wie er de auteur van is.
Het stond alleszins op het repertoire van de Brusselse cabaretier Jan De Baets, en het werd als dusdanig ook door de uitgevers circa 1920 genoteerd.

De originele (?) Brusselse tekst van De Baets bestaat uit slechts 3 strofen, de versies van het lied die we elders vonden in liedschriften en op marktbladen hebben dikwijls meer strofen. Hier de tekst van De Baets:

Als we dit even vertalen naar het gangbare nederlands staat er:

Ik ben een vagebond, op straat geboren,
mijn ouders heb ik niet gekend.
‘k Heb nooit iets gehad, nooit iets verloren,
‘k leed honger en dorst, ik ben daaraan gewend.
Altijd alleen, langs veld en straten,
waar ik voorbijga als een hond.
En zo kom ik tot in Hoogstraten:
ontmoetingsplaats van de vagabond (1).

Ik heb geen kasteel zoals Sinte-Goedele (2),
dat deert me niet, ik ben niet jaloers:
‘k heb het voetpad, dat zijn mijn stoelen,
ik heb de uitstalramen, dat zijn mijn schilderijen.
Koop ik eens konijn of kip,
dan wordt ik achtervolgd door een buur.
Dan zijn de agenten mijn huispersoneel,
de dievenwagen is mijn  luxe-auto.

Ten eerste, waarom zou ik moeten werken,
ik heb geen kinderen en geen vrouw,
en om voor mezelf krachten op te doen
vind ik genoeg op straat … bij mij.
En als mijn ziel me zou verlaten
is ’t mij om het even waar ze gaat:
naar den hemel of naar Hoogstraten,
’t is eender waar, ik sterf toch op straat!

(1) in Hoogstraten was er inderdaad een “kolonie” voor landlopers, de “Wortel-kolonie”, circa 1820 opgericht door koning Willem van Oranje en (pas) in 1993 gesloten omdat toen de wet op de landloperij werd afgeschaft.
(2) Bedoeld wordt de imposante kathedraal van Sint-Michiel en Sinte-Goedele te Brussel, die in de vorige eeuw het toneel was van huwelijken en begrafenissen van Belgische vorsten.

Of Jan De Baets de originele tekst van dit lied schreef is niet zeker: sommige versies die we elders vonden zijn er duidelijk familie van, andere iets minder, maar bij gebrek aan datering van al deze bronnen weten we niet wie van wie heeft afgekeken.

De oudste plaatopname die we kennen staat op naam van Wannes Van de Velde. Hij bewerkte de tekst van Jan De Baets – hij verknipte de strofen en plakte ze aan mekaar in een andere volgorde – en hij herschreef stukjes tekst om het in Antwerpen en omstreken begrijpbaar te maken. Er zit een 4e strofe bij die we zelf niet bij De Baets vonden. Het resultaat is te horen op de LP “Laat de mensen dansen” (1969) en op de LP/CD “Intiem” (1997), een verzameling onuitgegeven opnames uit de archieven van BRTN. Wannes kende(4) overigens de werken van Jan De Baets want op zijn eerste LP’s vinden we versies terug van “Jef heeft mij een sjiek gerefuseerd”, “Ik werk zo gère”, “In de rue Van Dijck”, “Fin de siècle”

Twee jaar later brachten De Kadullen hun gelijknamige LP uit; zij herschreven de tekst opnieuw naar we vermoeden uitgaande van de tekst van Jan de Baets – ze benoemden het lied zelf op de plaat als “Public Domain – bewerkt door R. Van der Staey” – maar ook zij hebben een 4e strofe gebruikt. De passage van “Sinte-Gregoele” (Marollen-vlaams voor Sinte-Goedele) hebben ze handig omzeild door er ” ‘k Heb geen kasteel en geen miljoenen” van te maken. Later (1976) gebruikt Jef Elbers dezelfde tekst op de LP “Donderdagman” maar volgens die hoes bombardeert hij zichzelf en Al Van Dam dan weer tot “auteurs” …

Op geen enkele van deze platen wordt de naam Jan De Baets overigens vernoemd. Is dat terecht? Of maakte men handig gebruik van de laksheid van SABAM inzake het intellectuele beheer van hun repertoire?

Roger Hessel noteerde het lied uit de mond van zijn vader en enkele anderen en publiceerde het in “Het Volkslied in West-Vlaanderen” (1980). Volgens hem was het in West-Vlaanderen wijd verspreid, wat toch een beetje eigenaardig is voor een lied dat uit de Brusselse Marollen stamt. Blijkbaar kwamen die zwervers inderdaad overal …
De 4e strofe vinden we ook hier terug en zelfs nog 2 strofen extra:

Om te dineren moe’k me niet generen
‘k Ga naar ’t kasteel of naar ’t bafon (3)
Ik krijg wat kruimels te dineren
En daarbij nog een fles bouillon
Ik word gediend door dommestieken
Den edelman die is beschaamd
Maar aan mij is er niets te ziene
Ik ben toch maar een vagebond

AI waar ik dwaal langs ’s Herens wegen
Lacht de natuur mij vrij en blij
De honden bassen mij wel tegen
Doch ze bijten niet en ‘k ga voorbij
Het sjieke volk heeft mij niet geren
Ze zien mij zeker nog niet staan
Maar ‘k veeg mijn gat aan heel de wereld
Want er is niets of ’t moet vergaan

Voor ’t slapen moe’k me niet presseren*
Dat vind ik altijd nog op tijd
Somtijds ga ik nog daar logeren
Aan de pont de mer op een groen tapijt
Maar als deze nu zijn gewenten*
Des morgens vroeg als ik opstond
Werd ik gepakt door twee agenten
Juist gelijke ene vagebond


(3) Roger Hessel heeft problemen met het woord “bafon”:
Dit woord heb ik nergens gevonden. Ik kan alleen veronderstellen dat het afgeleid werd van het Frans: bafrer wat vreten of batten betekent. Bafon zou dus kunnen zijn, een huis waar er overdadig gegeten wordt.
Dat denk ik niet. Ik gok eerder op “bas-fond” en dat is dan de “laagvlakte” of het tegenovergestelde van het “kasteel” dat meestal op een heuvel stond. Iemand werd ook van de “bas-fonds” genoemd als hij tot de armere klasse behoorde. De zwerver beweert dus te kunnen aankloppen voor wat etensrestjes bij rijk en bij arm.
(4)Volgens Dré Peremans in “Het Groot Liedboek van Wannes Van De Velde” noteerde Wannes deze liederen bij een mijnheer Hendrickx uit Brasschaat en ontdekte hij pas later dat De Baets er de auteur van was.

De melodie die Roger Hessel publiceert wijkt af van wat we op de plaatopnames hoorden.

In het boek “Zo werd gezongen” van De Belie (genoteerd rond Sint-Niklaas) wordt het lied vermeld als behorende tot het zangrepertoire van zijn moeder Mathilde Martens, uit een schriftje van voor 1926. De melodie is duidelijk verbasterd… De twee eerste strofen volgen getrouw de versie van De Baets, dan volgen 2 strofen die erg lijken op wat Hessel noteerde, met kleine verschillen, allicht te wijten aan het verkeerd begrijpen van het Brussels. Ook de 5e strofe is identiek aan de slotstrofe van De Baets.

Ik krijg wat kruimels te dineren <> daar krijg ik bruin kramiek te dineren
En daarbij nog een fles bouillon <> en daarbij nog een jat bouillon

Aan de pont de mer op een groen tapijt <> Aan de Port-de-Mer op een groen tapijt
Maar als deze nu zijn gewenten <> maar nu zal uit zijn die gewente
Des morgens vroeg als ik opstond <> want ne morgend als ik opstond
Werd ik gepakt door twee agenten <> wier ik gepakt van twee agenten
Juist gelijke ene vagebond <> Juist gelijk ne vagebond

Harrie Franken noteerde het lied in Weebosch, Westerhoven en Waalre.

uit “Liederen en dansen uit de Kempen”

Ook hier weer tekstvarianten:

van tijd tot tijd ga ik logeren, op ’t portement of ’t groen tapijt

Amand de Lattin citeert ook 1 strofe van het lied in “Het Marktlied – wat de liedjeszangers zongen” (1947) en vond de tekst allicht op een liedblad, maar de auteur blijft zeer vaag over zijn bronnen …

In “Café-Chantant” noteert Lustenhouwer een andere West-Vlaamse versie met 6 strofen die toch zeer duidelijk De Baets volgt:

Als vagebond ben ik geboren, mijn ouders heb ik nooit gekend.
‘k Heb niets gehad, dus niets ver1oren,
honger en dorst ben ik gewend.
Altijd alleen,langs bos en straten,
zo zwerf ik rond gelijk ’n hond,
totdat ik kom, al in Hoogstraten,
het rendez-vous der vagebonden (bis).

‘k Heb geen kasteel lijk Sinte Goed’le,
wat geeft het mij, ‘k ben niet jaloers.
‘k Neem de trottoirs al voor m’n stoelen,
en de vitrien voor mijn tableau’s.
Pak ik somtijds konijn of kieken,
‘k ben achtervolgd door mijn gebuur,
D’agenten zijn mijn domestieken,
de dievenkoets is mijn voituur (bis)

Om t’eten moe’k me niet generen,
‘k ga naar ’t kasteel of naar ’t bafon,
‘k Krijg er wat kruimels te dineren,
en daarbij nog ’n fles bouillon,
Ik wordt gediend door domestieken,
de edelman die is beschaamd,
Maar aan mij is er niets te ziene,
‘k ben toch maar een der vagebonden (bis)

Al waar ik dwaal langs ’s Heren wegen,
lacht de natuur me vrij en blij,
De honden bassen mij wel tegen,
ze bijten niet, ik ga voorbij,
Het chieke volk, heeft mij niet geren,
ze zien me zeker nog niet staan.
Maar ‘k veeg mijn gat aan heel de wereld,
want er is niets of ’t moet vergaan (bis)

Voor ’t slapen moe’k me niet presseren,
dat vind ik altijd nog op tijd,
Somtijds ga ik nog daar logeren,
aan ponts de mer op ’t groen tapijt,
Maar nu is ’t uit met die gewenten,
des morgens vroeg als ik opstond,
Werd ik gepakt door twee agenten,
juiste gelijk een vagebond (bis)

Voor wie zou ik nog moeten werken,
ik heb geen kind’ren en geen wijf,
En om mijn eigen te versterken,
vind ik genoeg op straat voor mij,
En komt mijn ziel me te verlaten,
’t blijft me gelijk waar dat ze gaat,
Is ’t naar de Hemel of Hoogstraten,
als vagebond kreveer ‘k op straat (bis)


Een liedblad van Ferdinand Van Gestel, gedrukt in Schaerbeek, herneemt een drie-stroferig lied met de titel “Romance de Vagabond”. Het lijkt erop dat Ferdinand het lied van Jan De Baets heeft proberen over te schrijven, maar het niet goed heeft begrepen. Dat hoeft niet te verwonderen: de Van Gestels waren afkomstig uit Nederland en Ferdinand was via Aarschot in Brussel beland. Niet direct een “ketje” dus.

Op een liedblad van de Brusselse zanger Petrus Arcque vinden we de “Brusselse Vagebond”: de man heeft zo te zien op dezelfde melodie een eigen versie gemaakt, en er is een waterkans dat zijn tekst ouder is dan die van De Baets.

Albert Van Opstal noteert in zijn schriftje het lied “De Vagebond van Brussel” maar heeft blijkbaar het (bis) op het einde van elke strofe vervangen door een (eigen ?)  flauwe-plezante tekst.

Zo eindigt de eerste strofe op:

En zo kom ik tot in Hoogstraten, het rendez-vous der vagabond.
Ik marcheer meer als de soldaten, ik voyageer g’heel Belgique rond.

… dan zijn de agenten mijn domestieken, de dievenkoets dat is mijne voituur
De burgers hebben aan mij geen rieken, pacht bij de koeien is twee frank per uur.

(een eigen 3e en 4e strofe):

Ga ik van tijd tot tijd naar de campagne
somtijds wel voor een maand of drij
daar drink ik geen wijn of champagne
tussen vier muren ben ik bij mij
‘k Weet wat het is van voyageren
‘k heb al geweest tot in Leuven
in Saint Gilles en de Miniemen
en achter de zavel ook al
Daarvoor geef ik geen 5 centiemen
‘k ben dat gewend, ‘k ga overal.

Het geld daarvan moet ik niet weten
ik heb genoeg met 15 cens
Alle dagen vind ik mijn eten
‘k leef lijk nen eerlijke mens.
‘k Leef altijd met goede couragie
werken heb ik nog nooit gedaan
‘k Zou liever de meesters bedanken
en stillekens mijn weg voortgaan

(slotstrofe cfr De Baets)

D’abord, waarom zou’k moeten werken  (…)
naar de Hemel of naar Hoogstraten,
het is gelijk, ik sterf op straat
Adieu, ik moet u nu verlaten,
dezen avond slaap ik aan de vaart.

 

Partituur * De vagebond *
melodie
      Wannes Van de Velde op de LP 'Intiem' (fragment)

12 Commentaren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Auteursrecht © 2000-2017 Wreed en Plezant Alle rechten voorbehouden.
Deze website gebruikt het Multi Child-Thema, v2.2, bovenop
het Hoofd-Thema Desk Mess Mirrored, v2.5, van BuyNowShop.com